Crisis om het gouden kalf (over Exodus 32 t/m 34)

1994-07-15
  • Jaargang 38
  • nummer 14
In de oprichting van het gouden kalf bleek ons Israëls wil om Jahwe naar eigen hand te zetten het kernpunt. Gods aankondiging, dat Hij het volk nu wil verdelgen is ernstig en acuut, dat Mozes ogenblikkelijk voor de HERE neervalt in zijn eerste pleidooi. In Ot. 9 (zie m.n. vss. 8, 19v) herinnert hij de volgende generatie van het volk er nog aan, hoe bang hij geweest is voor Gods toorn en voor hun acute verdelging.
En hoe opgelucht toen Jahwe naar hem luisterde! Hét kritieke punt blijkt ook daar dat ze het niet aandurfden met Jahwe zoals die hun nabij was. (Zie ook wat Mozes in dat verband nog meer noemt Ot. 9:22-24.)De kwestie van het vertrouwen op God, het centrale van geloven in Hem en zijn daden is niet pas de spil waar alles om draait in het NT. Dat blijkt het al in de gebeurtenissen van het OT zelf.

Stukgesmeten
Ragfijn is de tekening van vss. 15-16-19. Aan het lot van deze tabletten van de verbondsakte wordt ons aanschouwelijk ingeprent wat er met het verbond zélf is gebeurd. Daartussendoor speelt Jozua's gissen naar de aard van het rumoer dat Mozes en hij bij de afdaling horen. Geeft dat het ongehoorde en onwaarschijnlijke van de zonde met het kalf aan? Kon Mozes het nog nauwelijks geloven, en licht hij Jozua daarom niet in over wat zij tegemoet gaan? En over wat zich daarover op de bergtop tussen Jahwe en hem al heeft afgespeeld?
Maar dan, als hij het kalf en het feest ziet, knapt er iets in Mozes. Hij smijt de kostbare akten van Gods verbond tegen de voet van de berg in gruzelementen. Men vraagt wel: mocht hij dat zomaar? Nota bene stukken door God zelf geschreven! M.i. was Mozes zich de onschatbare waarde van de tabletten in zijn handen béter bewust dan wij, niet slechter! Hij deed het ook bepaald niet 'zomaar'. Zijn daad zegt indringender dan wat ook, wat Israëls zonde met Gods koningsverdrag gedaan heeft: het ligt aan scherven .: Maar in dezelfde heilige toorn, waarin hij hun breken van Gods verbond demonstreert, gaat hij nu in enen door dat gouden kalf te lijf. Geen voorzichtigheid à la Aäron, geen zorg dat de mensen hem zullen lynchen nu hij ze hun dierbaar godenbeeld ontneemt,neen, rigoureus verpulvert hij het kalf en laat Israël het stof van het voorwerp van zijn aanbidding opdrinken. Een gang van zaken die in heel het oude nabije Oosten staat voor de uitroeiing van een god en zijn dienst met wortel en tak. Blijkbaar is het volk té verbouwereerd geweest door Mozes' plotselinge terugkeer en toornuitbarsting om zich te verzetten. Wij vinden Mozes' optreden vaak erg drastisch. Dan moeten we wel bedenken dat de man Gods te maken had met een volk dat zonder het te weten zijn bestaansrecht aan het verspelen was. Deze mensen leefden tussen Egypte en Mesopotamië. Daar waren de harten en geesten gedrenkt in de magie van de afgodendienst.
Hoe moest Mozes die betovering ànders doorbreken dan zoals hij deed? Met in één klap de waarheid van de levende God én van dat ellendige kalf?

Aärons verweer
wordt gekenmerkt door schuld afschuiven (vgl. Gen. 3:12) en een cynische houding tegenover Israël. Mozes stelt hem voor zijn verantwoordelijkheid: hij heeft een grote zonde (NV onjuist: eeh zware schuld) over Israël gebracht, die het bijna fataal geworden is. En hemzelf ook, Ot. 9:20. Aäron vergoelijkt zijn toegeven aan Israël door te beweren dat Mózes toch óók wel weet dat het volk tot het kwade geneigd is (of: dat het met dat volk niets gedaan is). Zo probeert hij zijn broer mee te slepen in zijn eigen lafhartig optreden. Iemand noemt zijn armetierig excuus "leugen, vermengd met een beetje waarheid".

Losgeslagen
Onze tijd heeft ervaring met een sexueel-je-uitleven waarvan acceptatie geëist wordt in naam van het 'heilige' ego, het jezelf-zijn: ik kus wat ik lekker vind. Israël leefde in een tijd en cultuur die sexuele ongebondenheid koppelde aan godsdienstige verheerlijking van de vruchtbaarheid. Wij kunnen ons die erotische religiositeit nauwelijks meer voorstellen, - hoewel: alle dweperij heeft erotische componenten. Hoe dan ook, als Mozes het kalf vergruizeld heeft, hebben nog lang niet alle Israëlieten genoeg van het feest. Aärons falen heeft vérstrekkende gevolgen!
Hoe krijgt Mozes het op hol geslagen volk weer in de teugel? Hij ziet zich genoopt tot harde shocktherapie.
Staand in de poort van het kamp schreeuwt hij wie er hier voor Jahwe is. De Levieten maken die keus. En krijgen de vreselijke taak: als scherprechters hun feestende broeders neer te slaan. Mozes moet ze daarvoor wel een hart onder de riem steken: hun vreselijke werk is tóch gewijd-zijn aan de HERE. Ondanks de schijn van het tegendeel écht om zegen te brengen,denk nog even aan Gods dreiging! Het valt niet mee om wijding aan de HERE te ontvangen via oordeelsdienst! Maar Israëls priesters is het wel zo vergaan. De achtergrond van priesterroeping en - later - altaarkeuze1 spreekt boekdelen over het genadekarakter van Israëls verering
van Jahwe!

Mozes en Paulus
Zowel van de middelaar van het oude verbond als van de grote apostel van het nieuwe wordt vermeld dat ze hun ziel en zaligheid hadden willen geven tot verzoening en redding van Israël. Vgl. Ex. 32:31-33 met Rom. 9:3. Van Mozes wijst de HERE dat verzoek af, en Paulus later is behéérst door het feit dat Jezus Christus de enige verzoening voor Zijn volk is. Toch, - wat wijzen deze beide 'groten' boven zichzelf uit naar hun en onze enige Losser! Mozes' tweede pleidooi voor het volk wordt intussen wel aanvaard. Neen, God accepteert Mozes' leven niet als zoenoffer voor Israëls zonde; verzoend, weggedaan is het kwaad niet. Maar de dag van 'afrekening' van de zonde wordt wel üitgesteld2.

Toekomst
Zo komt er voor Israël toch weer een toekomst. Maar wat voor toekomst? Jahwe noemt hier voor het eerst een engel die Hij voor hen uit wil sturen. Hij doet denken aan 23:20-23, maar er is gróót verschil. In 23:21 is sprake van een engel in wie Jahwe's naam is. We moeten wel denken aan 'de Engel van Jahwe' in wie God persoonlijk aanwezig is, en die dan ook wel kortweg met Jahwe wordt aangesproken. Hier in 32:34 (en verder naar 33:4) gaat het over een engel, die optreedt omdat Jahwe persoonlijk juist niet in hun midden kan zijn! De band tussen God en volk kán niet nauw zijn, wegens de blokkade door de zonde. De toegezegde geleide-engel is bij gebrek aan Beter!
Vs. 35 vat wel Gods oordeel tot nu toe samen. De terechtstelling van vss. 27v én het feit dat er nu hoogstens een engel met hen mee kan gaan, zijn echte straffen. Het tweede deel van Ex. 32 bepaalt ons sterk bij de onmogelijke situatie, waarin we onszelf brengen, door ons niet aan God toe te vertrouwen. En bij wat we Hem daarmee aandoen. 2;ijn verlossingswerk daarmee aandoen. Het enige lichtpunt is dat Jahwe uit zulke onmogelijke toestanden NOG een weg weet te banen. En dat Hij dat dan nog wil! Het licht dat Christus Jezus is, werpt zijn stralen vér vooruit!

Noten
1. Het altaar waaraan de priesters later dienst doen bij de tempel heeft opvallend genoeg 66k zijn 'inwijding' beleefd bij het dempen van een gericht, zie 2 Sam. 24, 1 Kron. 21:18-22:1 en 2 Kron. 3:1.

2. Dit lijkt me een voorbeeld van Paulus' stelling, dat God "de zonden, die tevoren onder de verdraagzaamheid Gods gepleegd waren, had laten geworden", Rom. 3:26. Dat zegt dan wel iets over rechtvaardiging door geloof, ook voor Israël!

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief