Als vervolging komt
1994-07-15
Hij werd voorgeleid en de proconsul vroeg hem of hij Polycarpus was. Als dit werd bevestigd trachtte hij hem over te halen om te verloochenen met de woorden: 'Heb eerbied met uw ouderdom' en dergelijke dingen die men gewoon is te zeggen, "Zweer bij het geluk van de keizer, kom tot inkeer en zeg: 'Weg met de goddelozen' ". Maar Polycarpus keek toornig naar de gehele menigte van misdadige heidenen in het stadion, schudde zijn vuist tegen hen zuchtte, keek naar de hemel en zei: "Weg met de goddelozen". De proconsul drong aan en zei: "Zweer en ik zal u vrijlaten, vervloek Christus". Polycarpus antwoordde: "Zesentachtig jaar heb ik hem gediend en hij heeft mij geen kwaad gedaan. Hoe kan ik mijn Koning die mij gered heeft, vervloeken?" () De proconsul zei: "Ik heb beesten; ik zal u er voor werpen als u niet tot inkeer komt". Hij zei: "Roep ze, want voor ons is de omkeer van het goede naar het slechte onmogelijk. Daarentegen is het schoon over te gaan van het slechte naar wat recht is." Toen sprak hij weer tot hem: "Als u de beesten niet vreest, zal ik u met vuur verteren, wanneer u niet tot inkeer komt." Polycarpus zei: "U dreigt met vuur dat even brandt en na korte tijd uitdooft. U bent onkundig van het vuur van het komende oordeel en de eeuwige foltering die is weggelegd voor de goddelozen. Maar wat aarzelt ge nog, kom op met wat u wilt." Terwijl hij deze en dergelijke dingen sprak werd hij vervuld van moed en vreugde en zijn gelaat was een en al bevalligheid.- Jaargang 38
- nummer 14
De Marteldood van Polycarpus. IX-XII 1
'Heidenen'
Anders dan wij soms geneigd zijn te geloven zijn 'heidenen' in deze wereld niet per se 'ethisch laagvliegende' lieden die aan niets anders denken dan aan de bevrediging van hun lasterlijke begeerten. Meer nog, ook heidenen hebben zo hun opvattingen en hun normen, die een hele samenleving moeten doortrekken, naar hun mening althans. Natuurlijk, heidenen worden in de Bijbel op niet mis te verstane wijze getypeerd als mensen wier gedrag 'in het duister' is, maar de diepste peiling van hun situatie treffen we in het eerste hoofdstuk van de Paulus' Brief aan de Romeinen: ze missen het zicht op de Ware God! Tussen die twee gegevens bestaat ook verband, zegt Paulus. Aan de ene kant is er 't gegeven dat ze "de waarheid in ongerechtigheid ten onder houden" en God "niet als God verheerlijkt of gedankt hebben," aan de andere kant is er de situatie dat "het duister geworden is in hun onverstandig hart". Zodoende heeft "God hen in hun hartstochten overgegeven aan onreinheid". (Romeinen 1:18-24) In die volgorde! Laten we het in dit artikel eens vooral bij die religieuze kant van het heidendom houden.
'deisidaimonia' en 'superstitio'
De apostel Paulus ervaart die koppeling steeds opnieuw en hij wordt niet moe die relatie aan te wijzen. Als hij door de fenomenale cultuurstad Athene loopt, raakt zijn ziel zeer geprikkeld bij het zien van de talloze 'afgodsbeelden' in de stad. (Handelingen 17:16). In de rede die hij vervolgens op de Areopagus houdt, spreekt hij hen aan als mensen met "in elk opzicht buitengewoon ontzag voor godheden". Het Griekse woord 'deis idaimoon', letterlijk 'godvruchtig', komt alleen op deze plaats in het Nieuwe Testament voor; het zelfstandig naamwoord dat erbij hoort, 'deisidaimonia', treffen we in het Nieuwe Testament eveneens maar een keer aan, in Handelingen 25:19. Dat woord wordt gebezigd door de romeinse magistraat Festus, als hij aan koning Agrippa een probleem voorlegt waar hij mee in zijn maag zit. Hij heeft het tegen de dit terrein deskundig geachte Agrippa over een gevangene die door zijn voorganger is achtergelaten.
Deze Paulus heeft vrijheidsstraf vanwege iets dat met de Joodse religie te maken heeft. Hij zit daar vanwege "enige twistpunten over hun eigen godsdienst". De frustratie is er na zoveel eeuwen nog in te horen! Die Festus heeft geen idee waar het over gaat; de fijnere puntjes van die Joodse 'superstitio' (zo wordt het Griekse 'deisidaimonia' namelijk vertaald in het Latijn: 'bijgeloof') ontgaan hem ten enenmale en hij hoopt vurig dat Agrippa het voor hem verlossende woord kan spreken!
Datzelfde woord superstitio komen we tegen in de Annalen van de beroemde Romeinse geschiedschrijver Tacitus, in zijn bekend geworden beschrijving van de vervolging van Christenen. In de stad Rome is een verschrikkelijke brand uitgebroken die een zeer groot deel van de stad in de as heeft gelegd.
AI meteen doen geruchten de rond dat Keizer Nero in eigen persoon voor de brandstichting verantwoordelijk is.
Dan meldt Tacitus het volgende: "Noch door menselijke hulp en schenkingen van Nero, noch door zoenoffers aan de goden kon het schandelijk gerucht dat de brand op bevel was gesticht, de kop indrukken. Om aan dat gerucht een einde te maken schoof de keizer de schuld op de mensen die door hun schanddaden gehaat en door het volk christenen genoemd werden.
Hij liet hen op een bijzondere wijze martelen. Die Christus naar wie deze mensen worden genoemd, was in de tijd van keizer Tiberius door de procurator Pontius Pilatus terechtgesteld.
Hun verderfelijke geloof (in het oorspronkelijk staat superstitio, 'bijgeloof) werd daardoor voor korte tijd onderdrukt. Later dook het echter weer op en verbreidde zich niet alleen in Judea waar het ontstaan was, maar ook in Rome, het trefpunt van alle mogelijke afschuwelijke godsdienstige gebruiken die daar aanhangers vinden.
Men greep daarom eerst degenen die zich openlijk christen noemden, en op hun aanwijzing nam men vervolgens een groot aantal mensen gevangen. Men leverde weliswaar niet het overtuigende bewijs van hun brandstichting, maar wel van hun algemene mensenhaat.Bij hun terechtstelling dreef men ook nog de spot met hen. Men kleedde 'hen in dierenhuiden en liet hen door honden verscheuren of aan het kruis nagelen of men stak ze na het invallen van de duisternis in brand, opdat ze als fakkels konden dienen. Nero had hiervoor zijn eigen parken ter beschikking gesteld en bood tevens de gelegenheid voor een circusvoorstelling. Als wegenmenner gekleed, mengde hij zich onder het volk of toonde, zich staande op de renwagen, aan het volk. Daardoor werd medelijden voor deze mensen opgewekt die toch wel schuldig waren en de zwaarste straffen verdienden. Ze werden immers niet voor het algemeen welzijn voor de wreedheid van een man opçeotterd"."
Superstitio: iets adtheems Dat woord superstitio is een belangrijk woord hier. We komen het heel geregeld tegen in de literatuur van die dagen. Voor een wat uitvoeriger beschouwing maak ik gebruik van een aardig boek van de (naar ik denk Joods-) Amerikaanse schrijver Robert Wilken, The Christians as the Romans saw them, een uitgave van de Yale University Press. Hij schetst daarin het beeld van het Christelijk geloof als een (in die tijd in de samenleving heel gangbare) 'begrafenisvereniging'; ook wordt gesproken over 'de vroomheid van de vervolgers'. Daarnaast gaat het om 'heidense' Romeinen en Grieken die op de een of andere wijze hun bezwaren tegen de (hun al-of-niet bekende) Christelijke geloofsleer of (vermeende) levenspraktijk uitten: de gouverneur van Bythinie, Plinius de Jongere; de geleerde arts Galenus; Celsus, die als 'een conservatieve intellectueel' wordt getypeerd; de filosoof Porfyrius en tenslotte Julianus de Afvallige, de keizer die in een tijd dat in het Rijk het Christelijk geloof al algemeen aanvaard is een poging doet om het uit te roeien.
Deze hooggeleerde heer Wilken zegt het volgende: "In zijn meest gewone en voorkomende betekenis verwijst de term superstio naar geloofsartikelen en praktijken die uitheems waren en de Romeinen derhalve vreemd waren.
Wat 'uitheems' en 'vreemd precies inhield werd uiteraard beoordeeld door degene die zo'n uitspraak deed, maar voor een Romeinse senator of leden van de heersende klasse in Rome gold als superstitio wat te verbinden was met opvattingen en praktijken van religieuze groeperingen die uit omringende landen de Romeinse wereld binnengekomen waren. De religie van de Kelten in Britannia, de praktijken van de Germanen in Noord Europa, gewoonten van Egyptenaren het was alles superstitio voor de Romelnen"."
Dat gold ook voor de godsdienst van de Joden en dat gold later eveneens de godsdienst van de Christenen.
Er werd door Romeinen geregeld zeer kritisch naar al die vreemde religieuze stromingen gekeken, op ongeveer dezelfde wijze als wij naar allerlei goeroe-groeperingen kijken. Wilken citeert de geschiedschrijver Tacitus die dit over de Joden te zeggen heeft: "Bij de Joden gelden dingen voor onheilig die voor ons heilig zijn; aan de andere kant achten zij bepaalde dingen toelaatbaar die ons onzedelijk voorkomen". Niettemin heeft ook Tacitus wel het besef dat de Joden, religieus gezien, toch een klasse apart zijn temidden van de andere 'superstitiones', zoals die van de Egyptenaren of andere Oosterlingen.
Romeinse 'plebs'
Belangrijk is echter om te beseffen dat de Romeinse overheid doorgaans verdraagzaam was naar al die religies, mits ze het openbare leven niet ontwrichtten en ze ten opzichte van het Rijk loyaal waren. Latere historici hebben vaak gemeend dat de Romeinen zelf nauwelijks een religieus volk geweest zijn; bij hen liep de religieuze emotie zelden hoog op, stellen ze dan.
Wilken bestrijdt die visie echter en haalt daarvoor allerlei argumenten aan. De pietas van de Romeinen zat wel degelijk diep, zoals we kunnen merken uit de talloze inscripties op beelden, altaren en gebouwen. De Romeinen "konden emotioneel opgewonden raken m.b.t de traditionele verhalen over de goden zelfs als ze die verhalen, verstandelijk, als fictie afwezen. Als we de geschiedenis van de eerste eeuw voor Christus en van de eerste eeuw van onze jaartelling willen begrijpen, moeten we in de huid van de Romeinen zien te kruipen, zien hoe hun religie werkte en hoe ze erover dachten"."
De Romeinse religie was nièt zozeer privé als wel publiek. Bij de inwijding van een pasgebouwde tempel wordt nauwgezet aan alle traditionele religieuze voorschriften vastgehouden, want "het is een religieuze en een burgerlijke aangelegenheid (in het Engels staat 'clvlc'). Het is een religieuze zaak, omdat de herbouw van een tempel een daad van vroomheid t.o.v. de goden is; het is 'burgerlijk', omdat het om een publiek gebeuren gaat waarbij de bevolking als geheel betrokken is, die door de vertegenwoordiger van het volk en het politieke hoofd van het rijk, de keizer, wordt voorgezeten." Allerlei offers worden dan ook door hoogwaardigheidsbekleders gebracht. Het ging bij de Romeinse religie nooit alleen om dienst aan de goden, maar tegelijk ook altijd om 'het vaderland'. De Romeinen voelden in die benadering van de godenwereld zich niet zelden superieur aan andere volkeren die echt "bang voor de goden waren" en die zich tot allerhande extreem en onevenwichtig gedrag t.o.v. de goden lieten verleiden. Het waren vooral aanhangers van de 'mysteriegodsdiensten' die het op dat punt moesten ontgelden, opnieuw, zoals wij kritisch kijken naar de aanhang van Hare Krishna of een andere 'extreme groep'. Daar kwam nog wat bij. Wilken haalt een uitspraak van de beroemde redenaar Cicero aan die zegt: "Naar alle waarschijnlijkheid zal het verval in vroomheid t.o.v. de goden met zich meebrengen het verlies van loyaliteit en maatschappelijke verbondenheid onder de mensen, en het einde van de gerechtigheid zelf, als koningin van alle deugden." 'Pietas' is dus ook een sociaal 'bindmiddel'. Veel van die sentimenten zijn voor ons ook nog heel goed te volgen; op het teloorgaan van Christelijk geloof in ons land toegepast komen we wellicht tot precies dezelfde uitspraken ... De pietas van de mensen gaat op de een of andere manier samen met de providentia van de goden, de wijze waarop zij de Romeinse Staat steeds weer zegenen met orde en met een goede overgang van de ene keizer naar de volgende. Dat was het geloof van de Romeinen en ze geloofden dat met overgave.
Zoals Wilken een ander martelaarsverhaal citeert, uit Noord-Afrika, waar de proconsul, de vertegenwoordiger van de vervolgers, tot een Christen die terechtstaat zegt: "Als u de draak steekt met al wat wij heilig achten zal ik u niet toestaan te spreken. Ook wij zijn godsdienstige mensen!"
De keizercultus
Zo was, in ietwat latere tijd, er een verschijnsel gekomen dat we typisch-Romeins mogen noemen, al had het niet zijn wortels in het oorspronkelijke Rome. Dat is de keizercultus. In alle delen van het uitgestrekte en cultureel en reliigieus uiterst bontgeschakeerde Rijk moet men de keizer gaan vereren. Het is daarbij niet van het minste belang of men persoonlijk in de goddelijkheidvan de keizer gelooft of niet. (Het is bekend dat een aantal 'vergoddelijkte keizers' er zelf niet in heeft geloofd! Alleen 'maniakken' als Caligula en Nero hebben dat geloof in eigen goddelijkheid mogelijk wel gehad!
Dat maakte hen tot zulke afschuwelijke maniakken...) Of het nu wel of niet een geloofwaardige zaak was, het was absoluut verplicht om voor het beeld van de keizer te offeren. "Heidenen geloven niet persoonlijk in goden, ze hebben goden!", zei iemand eens. Het gaat om stam of volk dat die goden heeft. Krachtens je geboorte in die stam heb je ook die goden. Zo werkte het in het Romeinse Rijk ook een beetje. Je mocht privé geloven wat je wilde, mits je ook aan de keizer verschuldigde eer bracht. En dat is nu uitgerekend wat de eerste Christenen niet deden! Tegenover de 'civil religion' van het Romeinse Rijk, waar geen persoonlijk geloof werd gevraagd, stelden zij de relatie, de persoonlijke band aan Christus. De keizer is 'Dominus et deus' zeiden de traditionele Romeinen; hij 'heer en god'; zeg dat nu maar, dan is alles O.K. Maar de Christenen zeiden: 'Christus kurios', de Heer, die goddelijke eer verdient is Christus en Hij alleen. Zo zien we dat ook bij de vroege martelaar Polycarpus, wiens verhaal hierboven voor een deel geciteerd staat.
Tegenover 't bijna mechanisch uitspreken van de formule die voor de keizercultus nodig is, stelt hij een relatie.
Zesentachtig jaar heeft hij Christus gekend en gedurende al die tijd heeft hij Christus' goedheid ervaren. Hoe zal hij dan, op commando, zijn Koning vervloeken? Dat doet hij niet, onder geen enkele voorwaarde. Hij weigert gehoorzaamheid, koste wat kost. Het verhaal doet denken aan de verzoeking in de woestijn. Als Christus nu eenmaal door de knieën gaat voor de verzoeker! Hoe lang duurt dat nu? Nog geen seconde! Dan is alle vijandschap vergeten en kan er een huwelijk plaatsvinden tussen hemel en hel. Maar Christus weerstaat de Boze en Hij stuurt hem weg. Zo ook met Polycarpus, die op een uiterst onaangename wijze aan zijn einde komt. Maar hij is de overwinnaar! Aan het einde van de Martelaarsacte wordt melding gemakt van 'een wonder': "Het vuur nam () de vorm aan van een gewelf als een zeil van een schip, bol van de wind. Zo werd het lichaam van de martelaar rondom omgeven. Hij stond in het midden, niet als verbrand vlees, maar als brood dat gebakken wordt of als goud en zilver dat gesmolten wordt in de oven. En wij namen waar een geur zoals die verspreid wordt door wierook of een ander kostbaar reukwerk." (XV) Martelaarschap hield diverse dingen in. Het allerbelangrijkste was de relatie aan de Verlosser. Het tweede was een scherpe blik en fijngevoeligheid, om te weten waarop het aankomt. Het ogenschijnlijk kleine en onbelangrijke is soms het wezenlijke en allesbepalende. Dat was toen het geval en die situatie is niet wezenlijk veranderd.
Noten
1 'De Marteldood van Polycarpus'. geciteerd uit A.F.J. Klijn. Apostolische Vaders 1. Kok. Kampen, 1981. pp. 126-128.
2 Publius Cornelius Tacitus. ca.55-120 A.D. In zijn Annales beschrijft hij hier de dramatische gebeurtenissen uit het jaar 68 van onze jaartelling. Deze vertaling heb ik ontleend aan red. G. Stemberger. De Bijbel en het Christendom. deel 1. Het Vroegste Christendom. De Haan. Haarlem. 1978. pp. 72,73.
3 Robert l.Wilken. The Christians as the Romans saw them. Yale University Press. Newhaven and London. 1984. p.50
4 R.M. Ogilvie. The Romans and their Gods. New Vork. 1969. p.1.