Over CDA, RPF en GPV (4, slot)
1994-07-29
De politiek geen instrument voor evangelisatie- Jaargang 38
- nummer 15
Wij hebben het in deze artikelen over de polltiek gehad, dat moeten we goed bedenken. Het ging niet over een uiteenzetting van wat wij christelijk mogen geloven en geloofsmatig voor wenselijk moeten houden. Dan zou wat ik daarover op papier heb gezet, er wel erg magertjes uitzien. Ik zou er tenminste mijn eigen geloof niet graag mee verwarren. Ik zou dan inderdaad tot de lauwen en tot de halven behoren, zoals de heer Rietkerk vreest. Maar nee, het ging om politiek, dat wil zeggen om wat wij van ons geloof met de middelen die aan de overheid eigen zijn in het gesekulariseerde publieke leven van vandaag kunnen realiseren. En dat is niet zoveel. In mijn ogen namelijk is de politiek niet langer (zo ze dat al ooit geweest is!) een goed instrument voor evangelisatie. Bij de heer Rietkerk is dat anders, als ik hem goed begrijp. Hij heeft het erover hoe mooi het zou zijn als wij (bijvoorbeeld) de moslim door ons leven tot jaloersheid konden brengen en hij somt dan in dat verband een aantal zaken op die in zijn politieke partijprogramma staan: 'Zou het niet prachtig zijn ...als de vreemdeling ziet dat ook de overheid bepaalde normen en waarden handhaaft? Als hij bemerkt dat ook de overheid de eed verlangt en abortus afwijst? Als hij ziet hoe wij met ons leven omgaan? Als hij ziet dat er niet gedronken wordt, en niet gevloekt?
Als hij merkt hoe de zondag in ere gehouden wordt en de kerkgang?' Nu voel ook ik mij aangesproken door dat tot jaloersheid verwekken van andersgelovigen (want ik vind mijn geloof echt beter dan het hunne), maar ik acht daar de politiek in een plurale samenleving niet het geschikte middel voor. Je zou dan immers de methode van de moslims overnemen en een soort van christelijke sjaria aan de samenleving opleggen. Dat is een heilloze verwarring van kerk en staat, van christelijk geloof en poltiek. Ik vind het juist tegenover de islam een teken van kracht dat wij daarvan afzien. Zoals ik omgekeerd de vereenzelviging van religie en politiek aan die kant een geestelijk zwaktebod acht. Aan het overheidsgezag is uiterlijke dwang eigen en daarmee kun je alleen die geestelijke normen en waarden promoten die door de bevolking in meerderheid toch al worden beaamd. In vrijheid, wel te verstaan. Juist vanwege het uiterlijke karakter van politieke macht moet je met het hanteren daarvan in geestelijke zaken uiterst voorzichtig zijn. Misschien dat de heer Rietkerk op plaatselijk of regionaal vlak gelijk heeft (daar bestaat soms nog wel het geestelijke draagvlak voor de zaken die hij noemt), maar landelijk zie ik wat hij wil beslist niet meer zitten. Nationaal gesproken staan we als christenen op een smalle marge.
De zondagsheiliging en de eed
Neem nu de zondagsheiliging, een punt dat ook door de heer Rietkerk wordt genoemd. Ik denk dat het in acht nemen van de zondag niet meer uit onze westerse kultuur is weg te krijgen en als er zijn die op grond van de sekularisatie menen dat dat eigenlijk wel zou moeten, dan vind ik dat weinig reëel gedacht. De zondagsviering, hoe bleek uit godsdienstig oogpunt ook, behoort zozeer tot onze leefwereld dat ikniet zie hoe men daarvan af zou kunnen stappen. Het handhaven ervan kan dan ook niet als een keuze voor het christendom worden uitgelegd; het is meer het uitgaan van een vast gegeven. Maar hoe geeft een regering nu uitdrukking aan het ontzien van de zondag?
Ik bedoel dat niet ekonomisch, door een winkelsluitingswet bijvoorbeeld, maar religieus? Nû is het zo dat ook een christelijke regering de zondag op geen enkele wijze heiligt. Alles is op die dag mogelijk, want men is religieus neutraal. Ik zou willen dat een christelijke partij er zich voor inspant dat zij die regeren wat betreft het in acht nemen van de heilige dagen signalen afgeven. Dat zij bij de programmering van hun officiële werkzaamheden nu eens voor de zondag, dan weer voor de vrijdag en dan weer voor de zaterdag (of voor welke andere vierdag van een religieuze minderheid ook maar) merkbaar opzijgaan. Om daarmee aan de bevolking duidelijk te maken dat ook zij, de hoge overheid, beseft dat de beschikking over onze tijd maar beperkt is en dat de tijd als zodanig wijding nodig heeft. Ook op dit gebied wil ik dus de overheid weer uit een laffe neutraliteit vandaan halen, zonder nu te verlangen dat zij het uitsluitend voor de christelijke zondag gaat opnemen. .
Slechts iets algemeen religieus behoort hier tot de mogelijkheden. Zoals bij de eed, ook door de' heer Rietkerk genoemd. Daarover had ik het al bij een eerdere gelegenheid. In de eedsformule ('Zo waarlijk helpe mij God AImachtig', waar ook andersgelovigen in mee kunnen komen) zie ik een uitstekend voorbeeld van wat mij voor ogen staat. Want hoezeer het mij ook ontroerd heeft dat de voormalige president van Zuid-Afrika, de heer De Klerk, aan zijn eed als volksvertegenwoordiger een trinitarische inhoud gaf, opleggen kun je zoiets van geen kant. Dat is zelfs niet gedaan in de tijd dat Nederland een christelijk land was. Daarin zijn wij, artikel 36 ten spijt, terughoudender geweest dan de Amerikanen die de eed op de (christelijke) bijbel af laten leggen. En over terughoudendheid gesproken nog dit: Ik val de heer Rietkerk hartelijk bij als hij zegt dat de tolerantie nog wel eens het veiligst zou kunnen zijn bij overtuigde christenen. Zijn verwijzing naar het bestuur over Nederlands Oost-Indië dient het gesprek. Ik ben er dan ook van overtuigd dat in het algemeen gespproken beschouwingen als de mijne alleen binnen het christelijk geloof kunnen opkomen en gedijen.
Dat hangt samen met de vrijheid waarin Christus ons stelt. Wordt die vrijheid echter niet van binnenuit beleefd dan zie je buiten én binnen het christendom veel beschamende intolerantie te keer gaan. Om samen te vatten: Wij moeten als christenen wat het politieke betreft bij het algemeen religieuze blijven. Daaraan geven wij dan van ons uit een christelijke inhoud (en dat mag ook best wel eens publiek merkbaar zijn; De Klerks eed is daar een mooi voorbeeld van), maar het besef in een plurale samenleving te staan moet ons de gepaste bescheidenheid opleggen. Nog eens wil ik zeggen: Over het najagen van recht en gerechtigheid (en meer goede zaken zoals drank- en drugsbestrijding) spreek ik niet, want hoe christelijk dat alles ook is, ook anderen voeren dat in hun vaandel. Ik vind juist dat het CDA zich daarachter teveel verschuilt en zo het alleenrecht op deze dingen lijkt op te eisen, daarbij anderen onnodig irriterend. Nee, het ging en gaat me steeds om het bij uitstek christelijke en wat daarvan politiek gerealiseerd kan worden. Tot zover mijn antwoord aan mijnheer Rietkerk.
Romeinen 13
Zo alles nog eens nalezend merk ik dat ik in mijn diskussie met mijnheer Schutte nog een paar puntjes heb laten liggen. Op mijn uitspraak dat in een tijd dat ons volk religieus piuraai is geworderi, de overheidstaak er heel anders uitziet dan artikel 36 aangeeft, reageert de heer Schutte: 'Ik zou willen zeggen dat de overheidstaak niet afhankelijk is van de verscheidenheid van opvattingen in de samenleving. De overheid in Paulus' dagen had ook te maken met een piuraai volk. Maar dat weerhield Paulus er niet van de overheid aan te spreken op haar ambt: dienares van God'. Akkoord, dit laatste, maar vindt de heer Schutte ook niet dat Romeinen 13 dan toch wel heel wat soberder uitgevallen is dan artikel 36 van de NGB (ook in zijn verkorte vorm)? Het springende punt van verschil is vooral dat Paulus als hij de taak van de overheid formuleert, daar niets specifiek christelijks in verwerkt. Hij kent haar wel het onderscheiden tussen goed en kwaad toe en het op grond daarvan handelen. maar hij zegt niets over bevordering van de evangelieprediking, bijvoorbeeld. Hij verlangt van de keizer niets anders dan wat des keizers is en wat ieder weldenkend burger in die plurale kultuur van hem verwachtte. Ik denk daarom dat Romeinen 13 ons kan helpen, niet om artikel 36 te bevestigen (zoals de heer Schutte meent), maar om het terug te schroeven en bij te stellen en aan te passen aan de gewijzigde omstandigheden. Juist een verdediger van artikel 36 kan er zich niet zo goed op beroepen, vind ik.
Een onhoudbaar advies: "lees de belijdenis tegen de achtergrond van de schrift!"
Een ander punt is dat de heer Schutte ons terloops in zijn artikel een sleutel aanreikt van hoe we de belijdenis moeten lezen. 'Isoleer art. 36 niet van de rest van de belijdenis en nog minder van de Heilige Schrift.' Een interessant advies dat mij bekend voorkomt. Als ik me niet vergis komt het nog uit 'buitenverbandse' (of vroeg-vrijgemaakte) koker: de belijdenis lezen tegen de achtergrond van de Schrift (in plaats van omgekeerd).
Men meende zich zo het confessionalisme van het lijf te houden. Destijds behielp bijvoorbeeld ds Telder zich ermee om zijn gevoelen inzake zondag 22 tegenover de Heidelberger staande te kunnen houden. Het was zeer goed bedoeld en ook niet zonder nut voor intern gebruik, maar zodra je beseft dat de kerk met haar belijdenis naar buiten treedt, loop je ermee vast. Dan moet immers de belijdenis in zichzelf duidelijk zijn, zonder gebruiksaanwijzingen die op de welwillendheid van de lezer een beroep doen. Ik ben voor deze hermeneutische regel eerder dan ook wel eens enthousiaster geweest dan tegenwoordig. Je kunt er historische geschriften als de Drie Formulieren gemakkelijk mee laten buikspreken. Een voorbeeld. Ik wil best datgene wat ons Credo zegt over de nederdaling ter helle van onze Heer uitleggen tegen de achtergrond van de Heilige Schrift, zoals ook de Catechismus dat in zondag 16 doet. Ik zeg dan dat 'nedergedaald ter helle' slaat op de godverlatenheid van de Here Jezus aan het kruis. Maar historisch lijkt deze uitleg nergens op. Dat kun je zien aan de plaats waar dat onderdeel van het Credo staat: niet vóór maar nà de vermelding van Jezus' dood en begrafenis.
Historisch gezien heeft dus ons Credo met die woorden over heel iets anders een uitspraak willen doen. Dat namelijk onze Heiland tussen zijn sterven en opstanding nog iets anders gedaan heeft dan stil in zijn graf liggen.
Dat Hij 'is heengegaan en gepredikt heeft aan de geesten in de gevangenis ...' (zie I Petrus 3: 19) of iets dergelijks.
Maar omdat dit belijden een stukje mythologie indroeg in ons christelijk geloof, heeft men in de tijd van de Reformatie met deze historische uitleg gekapt en tegen alle evidentie in de godverlatenheid van de Heer aan het kruis in deze Credowoorden ingelezen. Hier is maar één woord voor, dit is van de Catechismus een stukje confessionalisme.
Hier wordt een belijdeniswoord tegen alle. houdbaarheid in met een nieuwe inhoud gevuld om het, koste wat het kost, als belijdeniswoord overeind te houden. Daarmee heeft men de indruk gewekt dat de tekst van de oudchristelijke belijdenis en dus van de belijdenis in het algemeen onfeilbaar is en dat de vaders niet hebben kunnen dwalen. En dat is confessionalisme. Goed, men wilde natuurlijk, dat begrijp ik wel, tegenover de oude kerk niet de nieuwlichter uithangen. Men stond toch al onder verdenking van een 'nije leer'. En vandaar dus die ondergeschoven uitleg.
Alles tot je dienst, ik wil de vaders best ten goede houden, maar dit moet toch genoemd worden met de enige naam die daarvoor is. Denk erom, ik zou wat de Catechismus uitleggend bij dit artikel zegt, niet graag willen missen. Het is prachtig wat daar staat: '...dat mijn Here Jezus Christus mij van de helse benauwdheid en pijn verlost heeft'. Onze belijdenis bereikt hier een zeldzame tederheid. En wat meer is, zij kan zich ervoor beroepen op Schriftplaatsen als Psalm 116: 3 (wat trouwens niet gebeurt!). Maar het is uit historish oogpunt onjuist wat ze zegt. Daarom, zodra je zegt: Dit of dat van de belijdenis moet je tegen de achtergrond van het Schriftgetuigenis verstaan, geef je impliciet toe dat het om een gebrekkige, eigenlijk niet houdbare formulering gaat. En het behoort tot de eerlijkheid van deze tijd dat dan ook maar hardop te zeggen. Schoon schip maken heet dat. Ik meen dat dat met artikel 36 ook moet.
Tot slot
Op mijn artikel over euthanasie en abortus heeft de heer JP de Vries in het ND met een afzonderlijk stukje kritisch en afwijzend gereageerd. Hij heeft mij zo verstaan dat ik een zekere christelijke vrijheid ten aanzien van die zaken gefundeerd zou hebben op een paar bijbelse voorbeelden die ik uit het Oude Testament noemde van mensen (Abimelek en Saul) die hun leven inruilden voor hun eer, de een met en de ander zonder de medewerking van een 'hulpverlener'.
Daardoor worden deze figuren met een voorbeeldfunctie opgezadeld die ze inderdaad niet kunnen dragen. Het ligt evenwel iets subtieler. Voorbeelden waren deze mensen voor mij slechts hiervan dat in de bijbelse tijden de eer de mensen zo hoog kon zitten dat ze daar onder bepaalde omstandigheden hun leven voor over hadden. Ik noemde dat vormen van euthanasie-voor-diecultuur, die bij geen wet waren verboden en door de verhaler dan ook zonder meer worden verteld. Ik wilde daarmee aangeven dat zo iedere kultuur zijn eigen moeiten en oplossingen heeft om zich te verstaan met het zesde gebod dat van alle tijden en kulturen is. Ook de bijbel vertelt ons dus van zulke dingen, wel niet om ons tot navolging aan te sporen maar om ons wijs te maken. De argumenten die ik gaf om te bepleiten dat euthanasie en abortus in onze cultuur onder bepaalde omstandigheden toelaatbaar zijn, waren van heel andere aard. Typerend voor onze omstandigheden.
De Vries besteedt daar geen woord aan. Hij verwijt mij biblicisme. Ik voor mij vind wat hij doet daar een typisch voorbeeld van.