Als vervolging komt

1994-07-29
  • Jaargang 38
  • nummer 15
Men moet maar eens nagaan: misdadigers willen verborgenblijven, zij vermijden het zich te vertonen; worden zij betrapt, dan zijn zij onzeker; als zij beschuldigd worden, ontkennen zij; zelfs op de pijnbank bekennen zij niet gemakkelijk en lang niet altijd. Als zij definitief veroordeeld zijn, treuren zij. Zij sommen de aanvallen, door de boze natuur op hen gedaan, op; zij schrijven hunzwakheid aan het lot of aan de sterren toe. Zij willen immers niet de daders zijn van iets, dat zij als slecht erkennen. Maar wat van dien aard ziet men bij de Christenen? Geen Christen schaamt zich, geen Christen heeft berouw, behalve dan omdat hij vroeger geen Christen geweest is; als de Christen wordt aangebracht, dan juicht hij, als hij beschuldigd wordt, dan verdedigt hij zich niet, als hij ondervraagd wordt, bekent hij zelfs uit eigen beweging; als hij veroordeeld wordt, spreekt hij een dankzegging uit. Wat is dit voor een kwaad, dat de natuurlijke kenmerken van het kwaad mist, zoals vrees, schaamte, onzekerheid, berouw, jammerklachten? Wat is dit voor een kwaad, waarover de schuldige zich verheugt, waarvan men wenst beschuldigd te worden, terwijl de straf een overwinning is? "Gij vereert de goden niet", zo verwijt men ons, "en gij brengt geen offers voor de goden ". Het is consequent, dat wij om dezelfde reden, waarom wij voor onszelf niet offeren, ook voor anderen niet offeren, namelijk omdat wij nu eenmaal de goden niet vereren. Daarom worden wij beschuldigd van heiligschennis.
Dit is de quintessens van de zaak of liever de gehele zaak en zij verdient wel onderzocht worden; dan moeten echter niet de vooringenomenheid of de onbillijkheid als rechters fungeren(). Wij zijn opgehouden uw goden te vereren van af het ogenblik, dat wij tot het inzicht kwamen dat zij geen goden zijn.

Tertullianus. Apologeticum 11. 11, 12 en X. 1,2 1

Wat te doen?
Rond het jaar 112 van onze jaartelling komt de Romeinse hoge ambtenaar Gaius Plinius Secundus ("de Jongere") aan op zijn nieuwe standplaats in het huidige Turkije. Hij is aangesteld tot gouverneur van de keizerlijke provincie Bithinië, in het Noord-Oosten van Klein-Azië. Stellig is Plinius een nauwgezet en hardwerkend magistraat geweest, die zijn werk heel ernstig nam. Hij is ook iemand geweest die geregeld met zijn keizer, Marcus UIpius Trajanus, correspondeerde. Deze regeerde van 53 tot 117 (een zeer lange tijd dus) en was over het algemeen een gematigde vorst; zeker geen gek of maniak als sommige van z'n voorgangers en opvolgers. Een bekend gebleven briefwisseling tussen Plinius en Trajanus gaat over het probleem van de aanwezigheid van Christenen in Plinius' gebied. Op zijn rondreis door zijn nieuwe gebied is Plinius met dit probleem geconfronteerd en hij weet niet wat er mee aan moet. De bekendste passage in zijn brief luidt aldus: "Heer, ik heb er een vaste gewoonte van gemaakt om mij in alle twijfelgevallen tot u te wenden. () Ik heb nog nooit aan onderzoekingen tegen christenen deelgenomen en weet dus niet wat en hoe streng men daarbij gewoonlijk bestraft of wat men gewoonlijk onderzoekt.
Ik werd ook in grote verlegenheid gebracht door de kwesties of men wat de leeftijd betreft een onderscheid moet maken; of dus zeer jonge personen net zo behandeld worden als volwassenen; of men degenen die berouw hebben, moet vergeven of dat men, als iemand eenmaal christen geweest is, helemaal geen rekening moet houden met het feit dat hij het christendom de rug heeft toegekeerd; of de naam alleen al strafbaar is zonder dat er van enig strafbaar misdrijf sprake is of alleen de met de naam verbonden misdaden strafbaar zijn."

Hij licht vervolgens de tot dusverre gevolgde handelwijze toe: "Ik vroeg hen of ze christen waren.
Gaven ze dat toe, dan vroeg ik het hen onder bedreiging van de doodstraf voor een tweede en derde keer. Als ze dan verstokt bleven, liet ik hen terechtstellen. Ik twijfelde er namelijk niet aan dat men, ongeacht wat ze misdreven hadden, in ieder geval hun hardnekkigheid en hun onbuigzame trots moest bestraffen. Anderen die door dezelfde waanzin getroffen waren, liet ik, omdat ze Romeins burger waren, gevangen zetten om ze naar Rome te zenden. Omdat de misdaad zich nu, zoals het meestal het geval is, juist door de behandeling steeds verder uitbreidde, kwamen al spoedig verschillende nuances aan de dag. Men legde mij een anonieme brief voor waarin vele namen vermeld werden. Maar deze personen ontkenden dat zij ooit christen waren geweest. Zij riepen volgens de formule die ik hen voorlas, hun goden aan, brachten aan uw buste die ik voor dit doel samen met de beeltenissen van de goden had laten opstellen, wijn- en wierookoffers en lasterden bovendien Christus: allemaal dingen waartoe de zogenaamde ware christenen zich niet laten dwingen.
Hen meende ik dan ook te kunnen vrijlaten. Anderen door de informanten genoemde personen gaven eerst toe christen te zijn, ontkenden het later echter weer en beweerden vervolgens het wel geweest te zijn maar het later de rug te hebben toegekeerd. Voor enigen was dat al drie jaar geleden, voor anderen nog langer en voor sommigen zelfs als twintig jaar. Ook deze mensen hebben uw buste en de beeltenissen van de goden aanbeden en Christus gelasterd."Ook dezen ontkenden echter, aldus Plinius' brief, dat er in de bijeenkomsten van christenen iets misdadigs plaats vond ..
"Juist door deze verklaringen leek het mij nog meer nodig om twee dienstmeisjes die daar dienaressen genoemd werden, ook door martelingen te dwingen de waarheid te zeggen. Ik kon er echter niets anders in zien dan een verkeerd verregaand bijgeloof. Daarom heb ik de onderzoekingen opgeschort en besloten u om raad te vragen. Het leek mij de moeite waard om over deze kwestie inlichtingen in te winnen, vooral ook vanwege het groot aantal mensen die bedreigd zijn. Veel mensen van elke leeftijd, van iedere starid en van beide geslachten zijn aan het gevaar blootgesteld en zullen dat ook in de toekomst blijven, want dit aanstekelijk bijgeloof heeft zich niet alleen in de steden maar ook in de dorpen en op het platteland verspreid.
Nochtans zal men het naar alle waarschijnlijkheid nog wel kunnen beteugelen en het wellicht weer helemaal Kunnen uitroeien." 2

Er zit iets schokkends in deze passage, die dateert uit de periode dat Ignatius van Antiochie in de arena in Rome het leven liet. Hier hebben we een stellig integer en feitelijk ook wel redelijk "verlicht" bestuurder, zeker geen Woesteling of barbaar. Maar ook deze Plinius is volledig bereid om mensen zonder spoor van aangetoonde schuld ter dood te veroordelen! Als het niet is om de door hen begane misdaden, dan in elk geval om hun weigering om toe te geven, hun vastbeslotenheid! Aan anonieme beschuldigingen moet men geen gehoor schenken; 't is echter zonneklaar dat Christenen, ongeacht hun precieze wandaden, veroordeeld moeten worden…

Voorzichtig en onuitvoerbaar
Het antwoord van Trajanus is voorzichtig en tegelijk moeilijk uitvoerbaar. Hij schrijft in zijn brief aan Plinius :"Mijn beste Secundus, bij het gerechtel ijk onderzoek tegen degenen die men u als christenen heeft aangewezen hebt u de juiste weg behandeld. Over het algemeen kan men immers geen vaste gedragsregel vaststellen.
Men moet ze niet gaan opsporen. Als ze echter worden aangegeven en men hun schuld kan aantonen, moeten ze bestraft worden. Hierbij moet men echter zo te werk gaan dat men iedereen die ontkent christen te zijn en dit daadwerkelijk toont door onze goden aan te roepen, ondanks alle argwaan omtrent zijn verleden toch vergiffenis moet schenken. Met anonieme aangiften mag in ieder geval geen rekening worden gehouden. Daarmee zou men immers een slecht voorbeeld geven en dat zou onze tijd ook niet waardig zijn."

Schuldig of niet?
Deze uitspraak van de keizer wordt 85 jaar later later hevig gehekeld door de Christen advocaat Tertullianus. Deze zeer strijdbare Nootdatrikaanse jurist werd geboren tussen 150 en 160. Is zijn precieze geboortedatum onbekend, ook weten we niet wanneer hij gestorven is. De kerkvader Hiëronymus die over hem geschreven heeft, deelt slechts mee dat hij stokoud geworden is. De laatste geschriften die we van Tertullianus kennen dateren van rond 220 A.D., maar vermoedelijk heeft hij nog geruimte tijd na die datum geleefd.

Tertullianus was geen groot theoloog, menen deskundigen, maar hij was stellig literair begaafd. Hij kan . de dingen uitermate kernachtig zeggen. Een term als "trinitas", Drie-enigheid, zou van hem afkomstig zijn. Formuleren kon hij als de beste. In leven en werk is hij echter wat aan de extreme kant geweest, wat onder andere blijkt uit zijn overgang tot de Montanisten, een uiterst strenge "charismatische sekte" uit de tweede en derde eeuw. Die overgang moet onder de Katholieken van zijn tijd wel de nodige beroering hebben gegeven. De schok dat hun literaire voorvechter Montanist was geworden is wellicht te vergelijken met commotie die zou ontstaan, als de Paus zich bij het Leger des Heils aansloot!

In zijn bekendst geworden werk, Apologeticum, doet de jurist Tertullianus, die weet hoe men een gehoor in de rechtzaal moet overtuigen, een beroep op de overheid, maar in feite over hun hoofd heen op de publieke opinie. Hij voert het pleit voor een soms hevig vervolgde minderheid die wordt veroordeeld zonder fatsoenlijke rechtsgang. Tertullianus is later wel "de enige onder de kerkvaders genoemd die een journalist had kunnen zijn". "Alleen", is de klacht, "hij is altijd ergens tegen!"3 Zo ook hier. Hij valt de overheden aan op hun beleid t.o.v. Christenen, dat (terecht) heel inconsequent wordt genoemd. Hij doet dat vele pagina's lang. (In mijn editie beslaat dit werk 125 pagina’s.) De kern van het betoog van Tertullianus is simpel: als christenen inderdààd schuldig zijn, moeten ze publiekelijk worden berecht en met de duidelijkste vermelding van redenen worden veroordeeld. Als ze echter niet schuldig zijn, horen ze vrijspraak te krijgen. Als ze schuldig zijn, moet op hen worden gejaagd. Als ze het niet zijn, is het ongeoorloofd om op deze wijze onschuldige mensen te vervolgen. Wat zijn ze nu: misdadigers of niet? Bij Tertullianus zien we dus een nieuw element in het verhaal binnenkomen. Vaak was de wijze waarop de rechtsgang verliep op zijn minst onregelmatig te noemen. Tertullianus schroomt niet om dat de overheden voor de voeten te gooien. Het lijkt me toe dat er daarom rond het jaar 200 al sprake is van een discussie rond fundamentele "mensenrechten".

De "eerkroon" grijpen?
Een ander element dat genoemd moet worden is de discussie rond de vraag of gelovigen het martelaarschap mogen wensen en ook pogingen mogen ondernemen om dat te krijgen. In het algemeen is de kerkleiding – terecht erg afkerig van zulke pogingen om zo'n levenseinde zelf te kiezen. Men acht het een poging om God te verzoeken.
Als vervolging komt, zo parafraseer ik maar, is men in eerste instantie gehouden om zich in veiligheid te brengen en zo het eigen leven te beschermen. Overmoed of de neiging om te spelen met je leven heeft niets met christelijk geloof te maken! Wordt daarentegen duidelijk dat je je aan arrestatie en veroordelinq niet kunt onttrekken en zou je je eigen leven slechts kunnen redden door verloochening van de Here Jezus Christus, dan is evident dat dat niet toegestaan is want dat is het ergste dat een mens kan doen. Dan moet je trouw zijn, ongeacht de consequenties.

Illustraties van die (mijns inziens zeer juiste) houding zijn er vele. Ik noem er enkele. De in het vorige artikel genoemde kerkleider Polycarpus duikt eerst onder, maar als hij dan in zijn schuilplaats alsnog gearresteerd wordt, biedt hij geen verzet, maar vraagt hij tijd om te bidden en zo Gods weg voor zijn verdere gedrag te leren verstaan. Die tijd krijgt hij ook van degenen die hem komen arresteren en vervolgens bidt hij hardop minstens een uur, volgens de martelaarsacte.
Dan gaat hij fier en rechtop zijn dood tegemoet. Maar in die volgorde! Hij begint niet met zich aan te geven; pas als het niet anders kan, het hem duidelijk wordt dat hij kennelijk van Godswege bestemd is om nu te sterven, begaat hij de weg naar de arena.

Vergelijk dat met de houding van de grote Kerkleraar Origenes, een buitengewoon geleerde man uit het Egyptische Alexandrië. Zijn vader Leonidas wordt opgepakt en ter dood gebracht en de jonge en vurige zoon wil zich ook op de politiepost aangeven. Hij is immers ook christen! Zijn moeder, die koste wat kost zijn vroegtijdige dood wil tegenhouden, kan in deze situatie alleen "winnen" door al zijn kleren achter slot en grendel te stoppen! En dan blijft de jonge Origenes thuis; hij had genoeg geloofsmoed om desnoods zijn leven voor Christus te geven, maar met te weinig durf om in zijn blootje over straat te gaan... (Veel later echter, na een uitzonderlijk arbeidzaam leven, sterft Origenes alsnog de dood van een martelaar. In de gevangenis bezwijkt hij aan de gevolgen van mishandeling.)

Juist hier blijkt een sterk verschil met sektariërs die wel uit vrije wil, of uit fanatisme, zelf de dood kiezen. In de kring der Donatisten, een ketterse afsplitsing van de kerk in Noord-Afrika kiezen velen zelf de dood en het moment van hun dood. Over hen schrijvend meldt de geleerde professor Frits van der Meer:"(sommigen) wierpen zich bij het naderen van de politie zelf in het vuur, of in het water, of in een afgrond, onder de kreet deo laudes! een kreet - zegt Augustinus - bij de goeden gevreesd als leeuwengebrul, zo berucht dat hij die hem hoort zich over al zijn leden trillend uit de voeten maakt om de godslasterlijke sprong in de afgrond niet te zien. Want zij sprongen bij voorkeur in afgronden, de diepste scherpstenige ravijnen waaraan de bergen van de Aurès, hun eigenlijke paradijs, zo rijk is; de duivel had hun maar toe te fluisteren: werp u naar beneden! en zij meenden martelaars te kunnen worden, alsof Christus niet gezegd had: ga weg, Satan, gij zult de Heer uw God niet beproeven. ,,4 De tragisch omgekomen leden van de groep van Jim Jones in 1978 of van David Koresh in 1993 hebben dus wel degelijk in vroeger tijden voorlopers...

Voor ware Christenen stond die weg niet open. Mensen die God wilden gehoorzamen mochten niet vrijelijk over eigen leven beschikken. Dat was een poging om Gods hand te forceren, een zeer laakbare houding om "de krans der overwinning" zelf te pakken waar de Here die wellicht niet voor ieder beschikt had. Zo krijg je het curieuze plaatje. De Romeinse keizer gaf als advies of opdracht: je moet Christenen wel vervolgen, maar ze niet zoeken! Krijg je als gezagsdrager ongezocht mensen in je handen, dan moet je ze aanpakken, maar anders niet.
De Christelijke leiders zeiden op hun beurt: Je moet rekenen met vervolging, maar je mag de Here God in dezen niet dwingen jou tot het martelaarschap te bestemmen. Alleen als die straf je ongezocht opgelegd wordt, is het goed; dan mag je je ook niet daaraan onttrekken. In houding van overheid en martelaars beide speelde het element van "het niet zoeken" dus een heel belangrijke, om niet te zeggen: doorslaggevende, rol.

Noten
1. Geciteerd uit Tertullianus' Apologeticum en andere Geschriften uit Tertullianus' Voor- Montanistischen Tijd. Ingeleid,vertaalden toegelicht door Christine Mohrmann. Uitgave Het Spectrum,Utrecht en Brussel, 1951.Dit is deel 111 in de prachtige serie Monumenta Christiana, Bibliotheek der Christelijke Klassieken.

2. Geciteerd in vertaling uit red. G. Stemberger. De Bijbel en het Christendom. Kerngedachten uit 20 Eeuwen Christelijke Traditie. Deel 1. De Haan, Haarlem.1978. pp. 73, 74.

3. R.A. Knox. Enthusiasm. A Chapter in the History of Religion. Oxford University Press. Oxford, 1950. p.45.

4. F. van der Meer. Augustinus de Zielzorger. Een Studie over de Praktijk van een Kerkvader. Het Spectrum. Utrecht, 1947. pp. 82, 83.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief