Van de boom en de vruchten
1994-08-12
Men kan vruchten eten zonder te beseffen van welke boom ze afkomstig zijn. Aan die onwetendheid zitten goede kanten. De smaak wordt niet beinvloed door bijkomstige zaken en bovendien: aan de vruchten kent men de boom toch min of meer.- Jaargang 38
- nummer 16
Zo is het mij vergaan rondom de Vrijmaking en de voorgeschiedenis daarvan, de roeringen binnen de Gereformeerde Kerken in de jaren dertig. Ik was afkomstig uit een gezin waarvan vader en moeder buitenkerkelijk waren, maar ik was als kind wel gedoopt en stond als dooplid ook ingeschreven in de kerkelijke registers.
Door vrienden kwam ik na mijn lagereschooltijd in de kerk terecht en later ook op catechisatie. Dat was in de tweede helft van de dertiger jaren in Haarlem. Aanvankelijk voelde ik mij in de kerk min of meer op visite, maar al na korte tijd merkte ik tot mijn verwondering dat ik er bij hoorde en dat die man op de preekstoel het ook over mij had.
Twee mannen hebben mij in die jaren sterk geraakt en beïnvloed. Dat was Veenhof door zijn preken en zijn lezingen. En ds L. Hoorweg door zijn catechisaties aan de hand van 'De rechten des verboads' van S.G. de Graaf. Dat ik langs beide wegen in aanraking kwam met een beweging binnen de kerken die een opleving betekende ontging mij volledig. In zoverre genoot ik dus vruchten zonder de boom te kennen. Dat bracht mee dat ik onbevooroordeeld kon luisteren.
Dat ds. Hoorweg later niet met de Vrijmaking mee ging, dat hij van de opleving binnen de kerken niets moest hebben, dat hij ook een fel tegenstander was van de invoering van het catechisatieboek van De Graaf (zoals Veenhof mij jaren later vertelde) en dat tegen zijn zin gebruikte, wist ik niet en ik werd door deze feiten bij het luisteren ook niet gehinderd.
Wanneer ik na zoveel jaren moet verwoorden wat mij in die tijd zo sterk aansprak, moet ik zeggen: dat is stellig de boodschap geweest dat ik, komend uit een buitenkerkelijk gezin, menens gedoopt was en dat ik dus in de kerk niet op visite was maar er bij hoorde. Een paar trouwe ouderlingen, waarvan Veenhof mij later vertelde dat het de beste waren die hij in de kerken ooit meegemaakt had, hielden niet op, mij dat ook te bevestigen. Ik kon geen kerkdienst verzuimen zonder dat zij dat in de gaten hadden en die terloops kwamen informeren wat er aan de hand was, want ik moest goed weten dat ik er bij hoorde. Wat begreep ik het goed toen Veenhof later schreef (ik weet niet meer waar, maar ik ken de woorden uit het hoofd en ik citeer ze letterlijk!) dat het er in de vrijmaking om ging 'of de naar Gods ordinantiën bediende doop altijd een volkomen, echte en waarachtige doop was'. Dat mijn catechisatiedominee, ds Hoorweg, mij in een persoonlijke brief kon schrijven dat deze stelling van Veen hof 'het grote deraillement van de Vrijmaking' was, is voor mij een groot raadsel geweest.
Ik kon hem uit de grond van mijn hart schrijven dat ik in mijn jeugd dat nu juist van hem geleerd had aan de hand van S.G.de Graaf en dat ik toen volkomen onbevooroordeeld luisterde. En ik luisterde goed!
Zo genoot ik de vruchten zonder de boom gezien te hebben. Twee oorzaken waren er waardoor ik nog jaren lang langs die boom heenliep. Dat was de mobilisatietijd, die ik in dienst doorbracht en daarna het feit dat ik gedurende een groot deel van de bezettingstijd een zwervende en dolende was en door de omstandigheden gedwongen was, min of meer aan de rand van de kerk te leven. In 1943 kwam ik nog een tijd lang intensief in aanraking met de opleving in de kerken. Ik vond een toevlucht in de pastorie van ds. Harm Vos in Tijnje (Fr). Zijn preken over Elia waren voor mij als water op een dorstig land, want ik herkende duidelijk wat ik jaren tevoren had geleerd. Uit veel gesprekken met hem (de kerkelijke roeringen waren toen in volle gang) begreep ik dat de manier van preken behoorde tot de opleving binnen de kerken. Maar weer waren het de vruchten en niet de boom want ds. Vos ging met de Vrijmaking niet mee.
Vrienden die tijdens de bezetting mij wezen op wat er gebeurde in de kerk heb ik in die jaren steeds gezegd: 'We hebben nu wel wat anders aan ons hoofd'. Ik meende dat ook en ik zou het weer zeggen al begrijp ik achteraf dat niet iedereen zich aan het kerkelijk gebeuren van die jaren kon onttrekken, zoals ik. Ik kwam de bezettingstijd uit met een zekere afkeer van alles wat vrijgemaakt was. Ik was intussen in Leiden terecht gekomen met vrouw (en kind) en bleef daar hangen. Kerkelijk in Oegstgeest, waar toen nog geen Vrijgemaakte Kerk bestond. Maar in de Gereformeerde Kerk groeide onze ontevredenheid vooral door de oppervlakkige preken, die wij er hoorden.
Toen ik in Leiden de preken van ds. J(oppie) Keizer hoorde herkende ik de oude geluiden. Onder hem hebben we ons met enkele vrienden uit Oegstgeest vrijgemaakt. Uit dit vriendenkringetje is later de Vrijgemaakte Kerk van Oegstgeest ontstaan, als een afsplitsing van de kerk van Leiden, waar inmiddels tot onze diepe afkeer een strijd was losgebarsten rondom ds. Keizer. Een zelfstandige kerk in Oegstgeest, waarvan wij de instituering hebben meegemaakt, was het resultaat en dat is ons tot grote zegen geweest.
EDDU?
De vraag of ik na zoveel jaren in de Nederlands Gereformeerde Kerk terug kan vinden wat ik gedurende mijn jonge jaren zo intens in mijn opgenomen heb, is moeilijk. Ik kan beginnen met die vraag positief te beantwoorden.
Twee dingen herken ik:een diepe eerbied voor de Bijbel als het Woord Gods dat betrouwbaar is, de vastheid van de beloften Gods die mij zeggen dat ik er bij hoor, net als toen. Dat herken ik.
Maar er is ook teleurstelling. Ik kan mij vinden in de wijze waarop H. de Jong de aard van de Bijbel omschreef in de inleiding van zijn bundel "Bron en norm'. De bron waaruit wij leven en de norm die ons leven richting geeft en stuur en dat up to date. Die erkenning van de Schriften als bron voor ons leven herken ik, zij het dat dit op een mij minder aansprekende toon wordt gezegd. Het is vaak eentonig, herhalend, alleen maar bevestigend. Wat dat tweede betreft: de Bijbel als norm, moet ik zeggen dat de prediking vaak arm is. Van Veen hof heb ik geleerd dat er een niemandsland ligt tussen exegese en preek. Het woord niemandsland is van mij, maar ik bedoel er mee: De Bijbel moet niet gebruikt worden om te zeggen wat de prediker moet zeggen. Hij moet door een niemandsland heen, waar hij ernstig en langdurig bezig moet zijn met de vraag wat je met de tekst zoal kunt doen, want je kunt er wat mee en je moet er wat mee. Dat niemandsland slaan, die indruk heb ik tenminste, veel jonge predikers over of ze gaan er met zevenmijlslaarzen doorheen.
Gevolg is een eindeloze herhaling van dingen die al gezegd zijn, geen verbinding met het hier en nu. De prediker heeft zonder enige innerlijke strijd aangenomen wat hij in de Bijbel vond. Hij heeft daar ook geen enkel probleem mee, heeft er niet merkbaar mee geworsteld. Het wordt mij van grote hoogte gezegd. Ik word 'bepreekt' en heb nooit het gevoel dat de prediker, die op de preekstoel staat, met het hart ook naast mij in de bank zit en mijn vragen en twijfels kent. Hij troost voordat de hoorders daaraan toe zijn en vermaant over zonden waarvan de mensen al lang wisten dat het niet deugde. Dankbaar dus voor wat er bleef, maar onvoldaan over de geringe voortgang. Met deze kritiek op met name de prediking voel ik mij in de Nederlands Gereformeerde kerken soms eenzaam.