Abraham, Bera en Melchizedek (Gen. 14)
1994-09-09
Abraham en Lot zijn uiteengegaan (Gen. 13). Lot vestigt zich metterwoon in Sodom. Abraham heeft Gods hernieuwde belofte gehoord (nadat Lot zich van hem gescheiden had): "...het gehele land, dat gij ziet, zal Ik u en uw nageslacht voor altoos geven". Maar Abraham leeft in Kanaän niet op een eiland. Kanaän is merendeels onderworpen aan Kedorlaomer c.s. Komen de vazallen in opstand, dan zijn de gevolgen ruïneus: een gruwelijke vergeldingsoorlog maakt een einde aan de rebellie.- Jaargang 38
- nummer 18
Doordat "de rechtvaardige Lot" (2 Pt, 2:7, 8) in Sodom woonde, wordt ook hij daarin betrokken. Wanneer dat Abraham ter orekomt, via een vluchteling, weet hij zich daar ook bij betrokken. Lot is immers "de zoon van Abrahams broeder", kortweg "zijn broeder" (14:12, 14), dat is zijn verwant. Dat houdt dan meteen een appèl in op Abraham. Zowel Abraham als Lot verkeren als vreemdeling in Kanaän: niemand komt voor hen tussen beide. De enige die Lot helpen kan is Abraham "de Hebreeër" (14:13), die niet-Kanaäniet. Dus mobiliseert Abraham zijn legertje, komt Lot te hulp en brengt hem en al het zijne (en de zijnen) veilig terug. En daarna?
Vorstelijke ontvangst
't Gegeven is in wezen heel simpel. Als Abraham van zijn veldtocht tegen Kedorlaomer c.s. terugkeert, wordt hij royaal, koninklijk ontvanqen, Letterlijk: twee koningen maken hun opwachting.
De koning van Sodom (Bera) en de koning van Salem (Melchizedek). De een buigt voor Abraham, voor de ander moet Abraham zich buigen, notabene de man aan wie heel Kanaän en een ontelbaar groot nageslacht was beloofd. De "zegen der volken" (12:2) zegent niet zelf, 'maar wordt gezegend en erkent zo in de ander, Melchizedek, zijn meerdere. Door te spreken over Gods beloften, is de toon gezet. Gen. 14 is niet bedoeld als détailkaart voor het zoeken van olie (14:10), evenmin om Abraham de (geloofs-)maat te nemen. "We hebben hier niet te doen met geloofshistorie maar met openbaringsgeschiedenis."
Hondsbrutaal
Maar dat wil nog niet zeggen, dat Abrahams geloof er niet toe doet: Integendeel. Let maar op: de Koning van Sodom komt Abraham tegemoet. Kennelijk heeft hij als 'pekgraaf' (vs. 10!) het vege lijf gered en blijkbaar is hij inmiddels op de hoogte van Abrahams overwinning. Het doel van zijn komst verklaart hij onomwonden: geef mij de mensen - en u mag de spullen houden. Zo brutaal als de beul: hoe zal een overwonnene aan een overwinnaar voorschrijven waar hij recht op heeft? Aan de overwinnaar valt automatisch àlles toe, alles en iedereen.
Of mlsschlen wilde hij dezelfde rechten als Lot - inwoner van Sodom? Het antwoord van Abraham is veelzeggend.
Het zweert, met opgeheven hand: ... niéts wil ik hebben, houden, àlles krijg je terug. Behalve "wat de knechten verteerd hebben en het aandeel van de mannen die met mij gegaan zijn, Aner, Eskol en Mamre (vgl. vs. 13). Abraham kan noch wil royaal zijn ten koste van zijn bondgenoten. Maar voor de rest wil hij niets houden, nog geen klos garen of een schoenveter! En zijn motief: opdat je niet kunt zeggen: ik heb Abraham rijk gemaakt. Geenszins ... Uiteraard had Abraham de situatie kunnen uitbuiten en zich allerwegen als heer en meester aandienen en laten gelden. Hij doet 't tegenovergestelde en wijst voor zichzelf elke claim af. Naar voorbeeld van Melchizedek zweert hij bij de HERE, bij God, de Allerhoogste, de Schepper van hemel en aarde. Een hele mond vol, maar tegelijk heel typerend, want wie zulke dingen zeggen, geven aan dat zij hun eigen plaats kennen. Want let wel: Abraham mag door God verkoren zijn (om tot een zegen te zijn), ook Kanaän was uitverkoren (als werkplaats van Gods heil). Heel nadrukkelijk heeft God hem herhaaldelijk verzekerd: ik zal je dit land geven (13:15 o.a.). Die belofte staat voor Abraham muurvast, en daarom heeft hij geen enkele behoefte aan een 'geschenk' (nou ja ...) van de koning van Sodom; nog afgezien van het feit, dat het Abraham aan niets ontbrak: hij kon 318 man/ingeborenen op de been brengen. In vol geloof en met geen vierkante meter grond in eigendom, vertrouwt hij dat God zijn belofte zal nakomen.
Op Gods belofte legt Abraham zich vast - de vader der gelovigen.
Het feest der herkenning
Openbaringsgeschiedenis - ja, want wie anders dan de HERE zelf regisseert de ontmoeting tussen Abraham en Melchizedek, koning van Salem, een priester van de Allerhoogste, God? Ze kwamen elkaar toch niet zomaar toevallig ergens tegen? Dat bewijst niet alleen de historie zelf, maar bovenal de 'exegese' zoals die in Hebr. 7 wordt gegeven.
Melchizedek - naar zijn naam: koning der gerechtigheid, naar zijn woonplaats: vrede-vorst. Daarbij nog: priester van God, de Allerhoogste. Op zichzelf al een verrassing. Eindelijk iemand met wie Abraham kan praten, een geestverwant; toch nog iemand die de Allerhoogste dient, en dat in Kanaän en dan nog wel een priester. Kan Abraham daarom de mogelijkheid opperen dat er, buiten Lot, rechtvaardigen waren in Sodom (18:16 v.v.)? Een priester heeft toch een bemiddelende functie, nietwaar?
Melchizedek, de koning van Salem, heeft geen gemene zaak gemaakt met de koningen van Sodom enz. - hij hield zich buiten dat bondgenootschap. De strijd is dan ook langs hem . heen gegaan: blijkt Salem - sjalóm, vrede veelzeggend? Wel heeft hij de afloop vernomen: royaal brengt hij Abraham eten en drinken, brood en wijn, als passend blijk van erkentelijkheid. Die simpele ingrediënten, alledaags eten en drinken, brood en wijn heeft Christus later ook verordineerdalsof het je dagelijks brood is.
Priester-koning
Melchizedek - een priester-koning. Geen ongebruikelijke combinatie van ambten in die toenmalige wereld, maar onder Israël uitdrukkelijk verboden. De koningen stammen uit Juda, de (hoge)priesters uit Levi/Aäron; en wee de koning die zich vergrijpt aan de priesterdienst. Koning Uzzia doet een greep naar de priesterlijke macht/ bevoegdheden: het komt hem duur tè staan: melaats wordt hij weggedreven uit het heiligdom, melaats sterft hij (2 Kron. 26:16 vv.). Onder Israël zijn recht en gerechtigheid bestellen (koning) en vrede met God stichten, verzoening doen (priester) niet in één hand. Eerst in Christus is die ambts-eenheid hersteld (Hebr. 5:1-10, 7:1 v.v.). Hoewel uit de stam van Juda (Hebr. 7:14), is Hij priester, maar "naar de ordening van Melchizedek" (Hebr. 7:7, 10; met verwijzing naar Ps. 110:4). Enkele kenmerken: zonder vader, zonder moeder, zonder genealogie, d.w.z. zonder ambtelijke erfopvolging.
En zonder begin van dagen of einde des levens. Zoals F.W. Grosheide het mooi omschrijft: "er was geen kiem, die tot ontwikkeling kwam; er was geen doel, dat moest worden bereikt" (C.N.T.a.I.). Dat doet precies denken aan het hebreeuwse woord thóledóth, dat trefwoord waaraan het boek Genesis zijn naam te danken heeft. Van Melchizedek dus geen 'genesis' en ook geen genealogie. Los van afkomst en toekomst is hij als priester-koning geroepen en daarin ligt de overeenkomst (gelijkgesteld) met Christus (Hebr. 7:3). Tot dit (priester-)ambt wordt men door God geroepen: niemand matigt zichzelf die waardigheid aan (Hebr. 5:4 v.v.).
Gezagserkenning
Vanzelfsprekend behoort 'zegenen' tot het priesterambt. Dus lezen we: "en hij (Melchizedek) zegende hem en zei: Gezegend (gebenedijd) zij Abram door God, de Allerhoogste, de Schepper van hemel en aarde." Met een publieke geloofsbelijdenis presenteert hij zich en vervolgt: gezegend, geprezen, gebenedijd (als in Ps. 134:2,3) zij God, de Allerhoogste, die uw vijanden in uw macht heeft overgeleverd. M.a.w.: ere wie ere toekomt! Daarover zijn die beiden het eens - zou ooit iemand iets dergelijks tegen Abraham gezegd hebben in Kanaän? Abraham herkent en erkent in deze priester des Allerhoogsten zijn meerdere: "en hij gaf hem (ongevraagd) van alles de tienden". Het geven van de tienden is dus al vroeg begonnen!
Je zou zeggen: Melchizedek heeft daar niets voor hoeven te doen ... Maar de onderliggende gedaChte is natuurlijk: Abraham erkent dat het de Allerhoogste is die hem de overwinning schonk, en zo 'verwoordt' Abraham zijn dankbaarheid. In de brief aan de Hebreeën worden nog verder gaande verbanden gelegd. Aari 'Levi' placht men de tienden te geven. Maar Abraham, de 'vader' van Levi neemt geen tienden, maar gééft die! Zo groot is Melchizedek. "Nu is het onwedersprekei ijk, dat het mindere door het meerdere wordt gezegend" (Hebr. 7:7). Over 'meer' en 'minder' gesproken!
Zelfs 'de zegen der volkeren' (h)erkent in Melchizedek zijn meerdere. De man van Gods keuze kan zich dat permitteren: hij leeft bij de gratie van en in vol vertrouwen op God de Allerhoogste, deze vader aller gelovigen!