De overheid en haar taak

1994-09-09
  • Jaargang 38
  • nummer 18
Waar wringt nu eigenlijk de schoen in de discussie tussen ds. H. de Jong en de heer Rietkerk en mij? Die vraag laat mij niet los na lezing en herlezing van het antwoord van ds. De Jong op onze brieven in Opbouw van 17 juni jl.

Ds. De Jong doet een aantal waardevolle uitspraken, b.v. over het noemen van Gods Naam in de openbare samenleving.
Maar tegelijk neemt hij soms standpunten in die mijns inziens moeilijk passen in een politiek die zich laat inspireren door de Heilige Schrift. Het is hier niet de plaats om over allerlei politieke zaken door te spreken.
De geboden gastvrijheid wil ik daarom benutten om nog kort in te gaan op een vraag die elke christen aangaat, n.1.hoe zien we de overheid en wat mogen wij van haar verwachten? Ik geloof dat ten diepste hier de schoen tussen ons wringt.
Het is duidelijk geworden, dat ds. De Jong en ik van mening verschillen iover de vraag of art. 36 NGB nog in deze tijd past. Dat meningsverschil kan ik nu even laten voor wat het is. In Opbouw van 29 juli j.1. maakt ds. De Jong n.1.een vergelijking met Romeinen 13. Dat bijbelgedeelte is heel wat soberder uitgevallen dan art. 36. Het springende punt van verschil zou zijn dat Paulus als hij de taak van de overheid formuleert daar niets specifiek christelijks in verwerkt.
Als dit al waar zou zijn, zou daarmee dan gezegd zijn dat art. 36 meer zegt dan Schriftuurlijk verantwoord is? Voor zo'n verstrekkende conclusie zou het geheel van de Schrift geraadpleegd moeten worden. Het Schriftbewijs bij art. 36 verwijst onder meer naar Psalm 2, waar de (oudtestamentische!) koningen worden opgeroepen de HEREte dienen en de zoon te kussen. Maar afgezien daarvan doet ds. De Jong m.i. Romeinen 13 tekort als hij stelt dat Paulus daar iets zegt over bevordering van de evangelieprediking en alleen van de keizer verlangt wat ieder weldenkend burger in die plurale kultuur van hem verwachtte.
Ik realisèer mij dat over de betekenis van dit bijbelhoofdstuk boekenplanken vol geschreven zijn en dat ik als niettheoloog voorzichtig moet zijn met een keuze. Laat ik daarom een bron mogen gebruiken die ons beiden zal aanspreken.
In 1957schreef ds. C.P. Plooy een artikelenreeks in De Reformatie over God, overheid en onderdanen in het Oude en Nieuwe Testament. Naar aanleiding van Romeinen 13:4a stelde ds. Plooy "de overheid in dienstbetrekking tot God de hemelse Rechter. Die gedachte make haar nederig en haar onderdanen gehoorzaam. Want dáárom is het nodig zich te onderwerpen: om der wille van haar ambtsrelatie tot God."

Vervolgens sloot ds. Plooy zich aan bij prof. B. Holwerda: "de overheid staat met haar zwaard macht in dienst van God, Die in Christus de wereld komt verlossen. Haar dienst, hoezeer ook van de Woorddienst onderscheiden, is toch ook Rijksdienst van één en dezelfde God, en om der wille der zaligheid."
Hier raken we dunkt mij de kern van onze discussie. Het ambt van de overheid plaatst haar in dienst van God, die in Jezus Christus alle dingen regeert. Daaraan 'mag en moet de christelijke politiek de overheid houden.
Dat doen we niet als we in een plurale kultuur zouden volstaan met een pleidooi voor een meer algemene godserkenning, waarin ook mensen van nietchristelijke religies zich kunnen herkennen. Wat zou de waarde zijn van de dienst van God als de overheid bewust in het midden zou laten of zij opkomt voor de eer van de ene God of van een afgod? Ik begrijp wel dat ds. De Jong wil waarschuwen tegen zich ook onder christen-politici voordoende misstanden. Met een beroep op art. 36 of op de idee van de theocratie wordt maar al te vaak het onderscheid tussen kerk en staat veronachtzaamd. De geestelijke vrijheid komt dan direct in gevaar. Maar vrees voor een verkeerde inhoud van het overheidsambt mag er niet toe lelden dit ambt feitelijk los te koppelen van de God van de bijbel. Mèt ds. De Jong zeg ik, dat we de overheid niet mogen laten afzakken tot godsdienstige neutraliteit b.v. als het gaat om de zondagsrust. Maar als hij daaraan toevoegt dat het daarbij niet uitsluitend mag gaan om de christelijke zondag vind ik dat te neutraal. Van Gods dienaresse mag worden verwacht dat zij weet te onderscheiden tussen de christelijke rustdag en rustdagen die in andere godsdiensten gangbaar zijn. Praktisch-politiek kan dat betekenen dat de zondag de publieke rustdag is en dat de aanhangers van andere godsdiensten de vrijheid hebben hun rustdag in eigen kring te vieren, inclusief de faciliteiten die daarvoor b.v. in verlofregelingen nodig zijn. Ds. De Jong heeft nog een waarschuwing in de richting van christenpolitici. We moeten Gods gebod alleen maar ter sprake brengen als het om voor ieder duidelijk herkenbare gevallen gaat. Ook hier geldt dat een waarschuwing nuttig is. Gods geboden gelden volgens Prediker voor alle mensen, maar wat mensen daaruit afleiden blijft mensenwerk. Als echter Gods gebod duidelijk in het geding is en het gaat om een zaak van publieke betekenis (zoals de bescherming van ongeboren leven tegen toepassing van abortus provocatus), dan behoort het tot het ambt van de overheid de ongebondenheid van de mensen te helpen bedwingen door Gods geboden tot gelding te brengen. Niet omdat en voor zover een meerderheid dat wil, maar omdat deze gebOden gegeven zijn door de Koning der koningen ennaar de woorden van prof. K. Schilder - het enige kleed vormen dat de wereld werkelijk past.
Veel van de critische vragen van ds. De Jong hangen samen met het feit dat we leven in een samenleving waarin zeer velen God niet meer kennen en erkennen. Een zeer relevant feit voor de christelijke politiek zo kort na het aantreden van een paars kabinet. Maar is het een goed antwoord om - zoals ds. De Jong doet - een pleidooi te houden voor een noodzakelijk functieverlies van de bijbel wat het normatieve betreft? Ik vrees dat we dan het paard achter de wagen zouden spannen. Wel zullen we met beide benen op de grond moeten blijven staan en b.v. in onze woordkeus en argumentatie rekening moeten houden met geadresseerden die vreemd zijn aan de dienst des Heren. Ook daarin zal de geheel eigen functie van de christelijke politiek tot uiting moeten komen: geen verkondiging van het evangelie maar politiek analyseren, discussiëren en initiëren. Proberen steun te werven voor maatregelen die de samenleving kunnen beschermen tegen doorwerking van de zonde en die iets zichtbaar kunnen maken van de heerlijkheid van Gods wet en evangelie.

De discussie over dit onderwerp begon in Opbouw van 6 mei jl. naar aanleiding van het stemgedrag van één van de redacteuren. Ik hoop dat duidelijk zal zijn geworden dat belangrijker dan een bepaald stemgedrag is hoe we in een ontkerstende samenleving ook politiek 'zout der aarde' kunnen zijn. Voor die opdracht staan we allemaal.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief