Belofte en teken
1994-09-23
Een zeer groot loon- Jaargang 38
- nummer 19
Na al wat er gebeurd en gezegd is (Gen. 14) komt het woord des HEREN tot Abram in een gezicht. Woord en visioen gaan samen, in de verhouding belofte en teken (opschrift Nieuwe Vertaling). Het eerste woord is: vrees niet, Abram. Een niet ongebruikelijk, maar hier toch merkwaardig begin. Waarvoor en voor wie zou hij bang moeten zijn? Ja, maar Abraham heeft zich moedwillig en uitdagend uiterst kwetsbaar opgesteld tegenover Bera, de koning van Sodom. Wat moet Bera, wat moeten die andere koningen wel niet van hem denken? Na het hondsbrutale voorstel van Bera (houd jij de spullen, geef mij de mensen) was Abrahams reactie geweest: nog geen klos garen of schoenveter wil ik van je aanpakken. Wekt dat niet de indruk van 'een zacht eitje'? Geef hem een grote mond, en hij is meteen geïntimideerd!
Je kunt over hem heen lopen ... Niets wil Abraham hebben van Beradie moet nooit kunnen zeggen: Ik heb Abraham rijk gemaakt! Maar geen nood, Abraham, vrees niet - Ik zal je een zeer groot loon geven. Loon voor verrichte arbeid - en is een veldtocht geen zwaar werk?
Een erfgenaam
't Lijkt alsof God expres een reactie uitlokt. Die komt ook meteen: U sprak van schenken? Wat zult u mij gevenik ga immers kinderloos heen en de Damasceen Eliëzer zal de bezitter van mijn huis worden.
Zo al geen verwijt dan toch een duidelijke hint. Maar 't is alsof God na deze exclamatie zwijgt, afwacht - en dus zegt Abraham nog maar een keer: zie (vraagt aandacht!), mij hebt U geen nakroost gegeven, en nu moet een onderhorige mijn erfgenaam zijn. Bijna ongemerkt brengt Abraham een nieuw element in geding. Hij mag rijk zijn (13:2), een zeer groot loon krijgen (15:1), royale beloften hebben (12:1-3; 13:14-17), maar wat doe je daarmee als er geen erfgenaam is? Dat begrip figureert vijf maal in de verzen 3-8. God weet zich aangesproken (en zover mag een mens dus gaan!). Zijn antwoord speelt daarop in en laat aan duidelijkheid niets te wensen over: deze (Eliëzer) zal uw erfgenaam niet zijn. Naar het recht van die tijd zou het wel gekund hebben. In geval van kinderloosheid kon men een knecht tot adoptiefzoon, erfgenaam verheffen.
Maar na Lot wordt nu ook Eliëzer geëlimineerd. En God voegt een nieuw element aan zijn openbaring toe: uw lijfelijke zoon zal uw erfgenaam zijn! Stukje bij beetje vult God zijn belofte nader in. De algemene belofte van 12:2 wordt geconcretiseerd. Abraham zal vader worden van een lijfelijke, een bloedeigen zoon. Dat Sara de moeder zal worden, dat wordt Abraham pas veel later geopenbaard (17:19). Dan is inmiddels ook Abrahams lijfelijke zoon Ismaël als erfgenaam der belofte door God terzijde geschoven ondanks Abrahams nadrukkelijke voordracht (17:18) van Ismaël.
En hij geloofde...
Blijkbaar was God bij Abraham op bezoek gekomen en was ’t avond/nacht geworden, want Hij leidde Abraham naar buiten en zei: zie toch op naar de hemel en tel de sterren, indien gij ze tellen kunt, en Hij zei tot hem: zó zal uw nageslacht zijn! Even simpel als verbazingwekkend heet het dan: en hij geloofde in de HERE. Abraham beaamde het, zei er amen op, vertrouwde God als vanzelfsprekend, en dat voor een man die met lege handen staat: geen kind, geen land. Een daadwerkelijk geloofniet voor niets heet hij Gods vriend (Jac. 2:22, 23). Even indrukwekkend is het vervolg: en Hij rekende het hem toe als gerechtigheid - zó is 't goed, jongen! Diepe indruk hebben die woorden gemaakt. Je zou kunnen zeggen: Paulus heeft er zijn brief aan de Romeinen mede aan ontleend (Rom. 4:3; ook Gal. 3:6). Uit geloof tot geloof: 't is alles geloof wat de klok slaat. En dat alle eeuwen door, want "niet om zijnentwil alleen werd geschreven: het werd hem toegerekend, maar ook om onzentwil, wien het zal worden toegerekend, ons, die ons geloof vestigen op Hem, die Jezus, onze Heer, uit de doden heeft opgewekt, die is overgeleverd om onze overtredingen en opgewekt om onze rechtvaardiging (Rom. 4:23-25). Zoals W. Barnard het dicht: "en allen die geloven zijn Abrahams geslacht" (Liedboek Gez. 3). Wat een nakomelingen heeft Abraham gekregen! Hij geloofde in de HERE...zó was 't goed.
Garantie gevraagd
Een nieuwe fase in het gesprek, met een blik op het verleden: Ik ben de HERE, die u uit Ur der Chaldeeën heb geleid om u dit land in erfbezit te geven. Maar Abraham zei: Here HERE (met diepe eerbied voor Gods hoogheid), waaraan zal ik weten, dat ik het in erfbezit zal hebben? Abraham vraagt een garantie. Zedenmeesters zouden hier graag aanmerkingen maken: je hebt toch genoeg aan het Woord, de belofte? God maakt geen aanmerkingen, geeft een garantie bij zijn eigen Woord. Net als nu trouwens: sacramenten (teken én zegel) bij zijn Woord. Maar die garantie aan Abraham heeft een merkwaardige vorm: een verbond, of beter nog: een verbondssluiting! Je zou het omgekeerde verwachten, nl. een verbond met teken en zegel, zoals vandaag bij de doop en destijds bij de besnijdenis (Gen. 17).
Hier echter gaat 't om iets anders, om de vorm, de manier waarop naar toenmalig gebruik een verbond tussen mensen werd gesloten. Jeremia kent dat gebruik nog: diegenen (zegt God) die zich niet aan de voorwaarden van ons verbond hebben gehouden, zal Ik in stukken snijden, zoals u het kalf in stukken sneed tussen de helften waarvan u doorliep om uw verbondseed te bevestigen" (Jer. 34:18,19; vert. Het Boek). Op soortgelijke wijze moet Abraham een aantal dieren doormidden delen en de helften tegenover elkaar leggen. Niet alle details (het gevogelte deelde hij niet) zijn ons vandaag nog bekend. Maar Abraham moet van de ceremonie op de hoogte zijn geweest. God 'verlaagt' zich a.h.W. tot het niveau van onbetrouwbare mensen: het moge Mij vergaan als die doormidden gedeelde dieren wanneer Ik mijn belofte-eed niet nakom...
Garantie gegeven
Abraham was erbij zonder erbij te zijn. Want toen de zon (weer) op het punt stond onder te gaan, viel een diepe slaap op Abraham (als bij de schepping van Eva, 2:21). En zie, hem overviel een angstwekkende diepe duisternis.
Niet door uitputting (vs. 11) wordt Abrahams waarneming uitgeschakeld: God beschikt dat zelf zo. Maar Abraham blijft wel aanspreekbaar. De God van het verleden (Ur der Chaldeeën) geeft Abraham een projectie in het voren van de toekomst en onthult voor zijn vriend zijn voornemen. Belofte van erfbezit? Weet voorzeker, dat uw nakomelingen vreemdelingen zullen zijn in een land, dat het hunne niet is, en dat zij hen dienen zullen, en dat die hen zullen verdrukken, vierhonderd jaar. Maar er zijn dus nakomelingen ... En de afloop? Doch ook het volk, dat zij zullen dienen, zal Ik richten, en daarna zullen zij met grote have uittrekken (exodus, uittocht in aantocht!).
Terug naar Abraham: gij zult in vrede tot uw vaderen gaan (in zijn dagen dus vrede); gij zult in hoge ouderdom begraven worden (een lang leven is vooreerst het summum in het O.T.). En wat die nakomelingen betreft: het vierde geslacht echter zal hierheen wederkeren, want (Gods motief) eerder is de maat van de ongerechtigheid (vgl. 1 Thess. 2:16) niet vol. Sodom c.a. maakt het straks zo bont, dat God zegt: nu is de maat vol, nog bij het leven van Abraham (Gen. 18:16 V.V.; 19) en Lot (2 Petr. 2:6 v.v.). God onthult voor zijn vriend zijn plan in voorlopige, grote lijnen. Ook dát moet Abraham zich eigen maken en geloven, vertrouwen.
De ceremonie voltrokken
Na deze toekomstvoorspelling die tegelijk toekomstverklaring is, voltrekt God de ceremonie. Zijn onthulling paart zich aan zijn verhulling. Toen de zon was ondergegaan, en er dikke duisternis was, zie, een rokende oven met een vurige fakkel, welke tussen die stukken doorging. Rook en vuur: tekenen van Gods majesteit, zoals later bij zijn verschijning op de Sinai (Ex. 19:18; 20:18; vgl. 2 Sam. 22:9, Ps. 18:9; Jes. 6:4). Abraham had om een garantie gevraagd. Hij krijgt die in de vorm van een crue, rauwe beeld-spreek, die de land-belofte moet onderstrepen. Te dien dage sloot de HERE een verbond met Abraham ... Als het erop aankomt, staat Abraham buitenspel: al zijn activiteit is 'gestold'. De actie is van de HERE zelf. Hij legt zich vast: aan uw nageslacht zal Ik dit land geven. Met een 'groothoeklens': van de rivier van Egypte tot de grote rivier, de rivier de Eufraat, héél die strategische corridor. En met een close-up: de Keniet, de Keniziet... tot tien volksgroepen toe.
Kortom: de Kanaänieten (Gen. 12:6). God buigt zich neer tot mensen, handelt menselijk-begrijpelijk en tegelijk onbegrijpelijk overweldigend. Hij legt zich vast voor de toekomst - zo legt Hij ook de toekomst, de heilsgeschiedenis vast. God gaat zijn ongekende gang vol donkere majesteit. Tot Hij tenslotte zich onthult in Christus: God zelf vertaalt de duisternis in eindelijk eeuwig licht (Gez. 447:1,6)!