Dichter niet, berijmelaar
1994-09-23
(Reactie op een detail van het Ingezonden van Bart van Buitenen, 9-9-94) - Jaargang 38
- nummer 19
'De doornstruik die prikt' (gezang 508) is duidelijk een geval van 'een dominee die hikt'. Ik denk dat-ie het als kinderversje heeft geschreven, en dan kunnen ook 'de vogels die pikten het weg' er nog wel mee door. Maar het versje zal wel niet aangeslagen zijn en dat moet het gezang ook maar niet. Gewoon overslaan en niet zingen, is mijn advies. De vleugels van de tijd pikten het weg...
Hoe je in gezang 510 'Laten wij elkaar behagen zoals Christus naar 'ons vroeg' - vragenderwijs, maar toch"verholen seksueel beeldgebruik" kunt horen, is mij volstrekt een raadsel. In de achterliggende bijbeltekst (Rom. 15:1-3) komt drie keer het woord 'behagen' voor. En 'naar een meisje vragen' is wel iets anders dan 'een meisje vragen'. Ja toch?
Of de berijmelaar met gezang 508 welbewust gezang 54 leerstellig wilde verbeteren, waag ik te betwijfelen. Ik vermoed zelfs dat hij dit gezang toen nog nooit serieus bekeken had. Nu heeft/houdt hij er wel grote bezwaren tegen. Over 'seksueel beeldgebruik' gesproken: wat dunkt u van 'maak ons tot moedergrond'? Wat van 'niemand weet van tevoren de weg van het zaad in de schoot'. Bedoeld is: de schoot der áárde. Maar absoluut gebruikt wordt het beeld bedenkelijk. Wat is het poëtisch gehalte van: het zaad 'sterft aan de doornen beneden, de vogels van boven af? En wat moet ik mij voorstellen bij 'wij moeten de aarde vergeven dat zij ons sterven laat'?
Als men gewoon uit het aanvullende bundeltje gaat zingen, wie weet blijkt dan 2 Kronieken 12:12 erop van toepassing ('Ook was er in Juda nog wel iets goeds').