Erfgoed in ringband?
1994-10-07
In een gedegen reeks van zes artikelen heeft Johan Klein de trouwe lezers van ons bladen niet in het laatst de afgevaardigden naar de zittende Landelijke Vergadering - de weg naar het behoud van het klassieke kerklied gewezen. 1 Zijn bijdrage maakt tenminste de indruk meer ingegeven te zijn door de agenda van de genoemde vergadering dan door de al weer wat luwende discussies in breder kring over het zo goed als zeker niet in dat jaar verschijnende Liedboek-2000.- Jaargang 38
- nummer 20
Klein ziet onze kerken - door het voorstel van de kerk van Wezep toe te treden tot de Interkerkelijke Stichting voor het Kerklied - 'staan voor een van de belangrijkste beslissingen in haar overigens nog korte geschiedenis.2 Aangekomen op de tweesprong tussen afwachten en meedoen als het gaat om dat komende liedboek, schrijft hij. nog aan het begin van zijn betoog: 'Misschien is er een derde keuzemogelijkheid - maar die zal het meest van onszelf vergen. Met deze artikelen hoop ik een gedachtenwisseling op gang te brengen.3Aan dat woord willen wij de schrijver toch maar houden. Want wat er verder volgt in het zestal artikelen roept de vraag op of dat 'misschien' van die derde mogelijkheid niet een geweldig understatement is - en de bescheidenheid bijgevolg wat vals.
In het laatste artikel immers ontvouwt Klein een compleet scenario voor een eigen bundel - met het oog op deze tijdelijke bedeling in ringband gestoken - waarin wij nederlands gereformeerden het reformatorische erfgoed van de ondergang redden en waarmee wij christelijk gereformeerden en vrijgemaakt gereformeerden naar het apostolisch woord (Rom.11,14) nog tot jaloersheid kunnen wekken: zij kunnen dan ieder hun eigen liederen in de met het gemeenschappelijk stamdeel nog niet van kaft tot kaft gevulde ringband toevoegen. 4
Kwade suggestie
Het is ons te grotesk allemaal. Die laatste aflevering verklaart ook het grossieren in overdrijving, dat de gehele reeks kenmerkt. Zozeer heeft Klein zijn zinnen gezet op die eigen bundel - terloops, als over een ander schrijvend, brengt hij in herinnering, hoe hij al op een eerdere Landelijke Vergadering, toen de kerken kennelijk nog niet tot de jaren des onderscheids gekomen waren, deze optie bepleitte"':' dat een bundel waarvan nog geen eerste ontwerp gemaakt is, al volstrekt ondeugdelijk bevonden wordt.
Niet dat alles wat Klein te berde brengt, uit de lucht gegrepen is. Maar wat ons hindert in zijn betoog, is de overtrokkenheid en voorbarigheid, de afstandelijkheid en onwelwillendheid ook. Als er dan al wegen moeten scheiden - en dat is wat ons betreft nog de vraag - waar zijn de pijn en het verdriet daarover? De schrijver is een meester in de suggestie - maar onder die suggestie is er ons te veel kwade. Dat willen we graag verduidelijken.
Liedboek-2000 ter perse?
De keuze voor een meedenken in en meewerken aan de opzet van een nieuw liedboek voor de kerken acht Klein 'een heroïsche poging om met de wijsvinger een waterval tegen te houden. 5Als wij het goed zien, wil hij deze stelling kracht bijzetten door te wijzen op de poëterigheid van de bundels Zingend Geloven 6en het horizontalisme in met name het oeuvre van Huub Oosterhuis (recent verzameld in de bundel Zolang er mensen zijn).7Nog afgezien van de vraag of en in hoeverre deze beide gebreken terecht gesignaleerd worden, veronderstelt de schrijver te gemakkelijk dat het profiel van Liedboek-2000 zich aan de genoemde bundels laat aflezen. Alsof het Liedboek-2000 eerdaags ter perse gaat.
Zo is de stand van zaken allerminst. De bundels Zingend Geloven staan onmiskenbaar in het teken van een mogelijk nieuw liedboek, maar de opzet is bescheiden: materiaal om te beproeven en geen blauwdruk; naast het Liedboek en niet als vervanging ervan. Bovendien: het Liedboek zowel als de bundels Zingend Geloven blijken onderhevig aan kritiek van zeer uiteenlopende aard, waarvan die van Klein er slechts een is. Gesteld al dat de Interkerkelijke Stichting voor het Kerklied zich doof zou houden voor alles wat er gezegd en geschreven is en wordt, dan staat nog te bezien of zij in staat zal zijn een bundel met het profiel van Zingend Geloven ongehavend door alle betrokken synodes te loodsen.
Een kerkelijke opdracht tot het samenstellen van een nieuw liedboek is overigens tot op heden niet verstrekt. En dan zwijgen we nog over de vraag of zo een liedboek - zo het al lukt het vervaardigd en in brede kring aanvaard te krijgen - nog weer een 'liedboek' zal zijn en niet een bundel 'gezangen voor liturgie'. Met andere woorden: of het strofische lied het alleenrecht behoudt of dat de liturgische ontwikkeling op het protestantse erf inmiddels niet een te sterke behoefte geschapen heeft aan het zingen van onberijmde (bijbelse) teksten - in de onder het gezag van Rome staande kerken altijd in ere gehouden - daarnaast.
Kortom: het Liedboek-2000 dat bij Klein de toets van de kritiek niet doorstaat is de bundel die hij eerst de door hem (on)gewenste inhoud toebedacht heeft. Op dezelfde wijze zou - om maar eens iets te noemen - alarm geslagen kunnen worden om een Liedboek-2000 door de bundel Opwekkingsliederen te licht te bevinden. Dat betoog zou gelardeerd kunnen worden met uitspraken, opgetekend uit de mond van mensen die het Liedboek maar elitair vinden en een enkele hymnoloog die tot ontzetting van zijn vakbroeders een opening in de richting van het evangelische lied maakt.
Zoals Klein een illuster gezelschap vrijzinnigen en een rechtzinnig predikant die zijns ondanks ontvankelijk blijkt voor de bevindelijkheid van Oosterhuis, aan het woord laat. 8Het zijn citaten die veel suggereren, maar zolang de discussie niet beslecht is weinig zeggen.
Alleen daarom al zien wij geen reden het voorstel van Wezep te ontraden en koers te zetten naar een eigen bundel.
Die keuze behelst ook - wat het lied betreft - een op voorhand doorsnijden van de verbinding tussen kerk en school; of de jaloersheid waartoe die eigen bundel wekt, moet wel erg grote vormen aannemen.
Ontvreemd liedboek
Bevreemdend is overigens meteen al de ontvreemdende wijze waarop Klein schrijft over het Liedboek voor de kerken; de moeite die hij zich getroost om het voor te stellen als niet 'ons' liedboek, maar dat van anderen. 9Hoewel onze kerken geen aandeel gehad hebben in het tot stand komen van de bundel, doet het zo beklemtonen van dit gegeven geen recht aan de mate waarin die in onze kerken ingang gevonden heeft.
Wat betreft de vervolgens gehuilde krokodilletranen om de gevreesde teloorgang van het Liedboek - de grote kerken die het afschaffen, zullen het niet voor ons laten herdrukken 10 rest de troost dat er bij die kerken ruim voldoende gebruikte exemplaren tegen zachte prijzen beschikbaar zuIlen komen.
Maar dit terzijde.
Dichterlijkheid
Het is niet onze bedoeling ons met het voorgaande af te maken van de door Klein tegen Zingend Geloven en Zolang er mensen zijn aangevoerde bezwaren van (pseudo)dichterlijkheid respectievelijk horizontalisme.
De verschijning van het Liedboek heeft een enorme impuls gegeven, niet alleen aan het zingen, maar ook aan het maken van kerkliederen. Het kan dan ook geen verbazing wekken dat een groot deel van die liederenstroom het in zeggingskracht moet afleggen tegen wat in het Liedboek aan nieuwe liederen beschikbaar kwam. Dat is ook slechts een deel - en veelal het betere deel - van wat toen voorhanden was. Niet geheel ten onrechte signaleert Klein in Zingend Geloven een tendens naar gekunstelder taalgebruik. Daar mag best de vinger bij gelegd. Toch is het overtrokken te stellen 'dat het dichterlijk spel met woorden en begrippen.dat in het Liedboek nog een randverschijnsel vormde. in Zingend Geloven de norm is.'11 Dan toch had aan te veel opgenomen liedteksten - waaronder bijvoorbeeld uit onze eigen kring Toen onze moeder Sara was gestorven van Henk de Jong (deel 3, nummer 55) en Hij die de hoge bomen van Johan Klein (deel 4, nummer 69) - een plaats ontzegd moeten worden. Wat aan dichterlijkheid wel en niet kan in het kerklied. valt nauwelijks eenduidig te omschrijven. Waarom zou dat ook moeten? Wat we bij Klein evenwel te zeer missen. is het besef dat het poëtische met de Schriften zelf gegeven is - en waarachtig niet alleen in het boek van de Psalmen. Aan dat gegeven kunnen wij toch niet dan tot onze schade voorbijgaan?
Wij stemmen Klein graag toe dat dichterlijkheid geen doel in zichzelf behoort te zijn. Maar laat het geheim dat wij bezingen en waarnaar wij zingend tasten. wel die eenduidigheid toe die hij als eis aan het kerklied lijkt te willen stellen?
De Schriften beluisterd
Rest het verwijt van horizontalisme dat Klein veel hedendaagse liederen en met name die van Huub Oosterhuis maakt. De vraag naar het gebruik van de Schriften in die liederen is daarmee annex. Een aangelegen punt wat ons betreft. waarover echter een gedachtewisseling bemoeilijkt wordt door de toonzetting die Klein kiest. zowel wanneer hij zich naar binnen - 'in een kerk in het zuiden des lands wil men mij soms de afgrijslijkste liederen op de lippen leggen·12 - als wanneer hij zich naar buiten richt: .... ook al weet hij in zijn hart dat Oosterhuis geen 'bijbelgetrouwe' christen is'.13
In de kolommen van dit blad werd op geheel eigen wijze teruggezien op de Vrijmaking! 14De hernieuwde belangstelling voor en intense omgang met de Schriften werd daarbij steeds als kenmerkend aangemerkt. Eenzelfde aandachtige houding in het bevragen en beluisteren van de Schriften is te vinden bij de zeven dichters - bij de een nog meer en weer anders dan bij de ander - die mee hun stempel op het Liedboek gedrukt hebben: Willem Barnard, Ad den Besten. Muus Jacobse, J.W. Schulte Nordholt. Jan Wit. Tom Naastepad en Huub Oosterhuis. In oude jaargangen van Opbouw zijn regelmatig liedteksten van deze dichters of gedeelten daaruit te vinden in Schriftstudies van de fijnzinnigsten onder onze Schriftverklaarders. Dat is een blijk van herkenning en het verbaast soms dat deze verwantschap in onze kring niet wat breder onderkend is en wordt.
Over met name de bijdragen van Huub Oosterhuis aan het Liedboek schrijft Klein bijvoorbeeld: 'En daarmee zijn we terechtgekomen bij een categorie liederen waarin dichterlijke taal zó met woorden en begrippen op de loop gaat. dat je er al/erlei mogelijke betekenissen aan kunt verlenen. Hier belijdt de gemeente niet meer haar geloof.
maar hier bedient de dichter zich van bijbelse woorden en begrippen om er zijn eigen onnavolgbare gang mee te gaan. De gemeente hoort hier en daar oude. vertrouwde bijbelwoorden en meent (of hoopt) dat de bedoeling van de dichter dan wel bijbels zal zijn. Ze heeft vaak geen erg in de onschriftuurlijke denkwereld die zich van bijbelse termen meester heeft gemaakt." 15Dit lijkt ons te klein gedacht van zowel de zingende gemeente als de op haar betrokken dichter. Dit doet geen recht aan de grote vertrouwdheid niet alleen met bijbelwoorden. maar ook met bijbelse lijnen. die tastbaar is in veel werk van Huub Oosterhuis.
Niet als een storm
'Een behoorlijk gesprek over deze liederen is al niet meer mogelijk: ieder leest er het zijne in. al wordt ook dat steeds vager.' 16 Geen aanmoediging het gesprek te zoeken. maar we zouden ons toch graag nader verduidelijken aan de hand van een van de door Klein gewraakte liederen van Oosterhuis.
in het Liedboek te vinden onder nummer 325:
Niet als een storm. als een vloed.
niet als een bijl aan de wortel
komen de woorden van God.
niet als een schot in het hart.
Maar als een glimp van de zon
een groene twijg in de winter.
dorstig en hard deze grond -
zo is het koninkrijk Gods.
Stem die de stilte niet breekt
woord als een knecht in de wereld
naam zonder klank zonder macht
vreemdeling zonder geslacht.
Kinderen armen van geest
mensen gelouterd tot vrede
horen de naam in hun hart
dragen het woord in hun vlees.
Blinden herkennen de hand
dovemansoren verstaan hem
zalig de man die gelooft
zalig de boom aan de bron.
Niet in het graf van voorbij
niet in een tempel van dromen
hier in ons midden is Hij
hier in de schaduw der hoop.
Hier in dit stervend bestaan
wordt Hij voor ons geloofwaardig
worden wij mensen van God.
liefde op leven en dood.
Klein schrijft naar aanleiding van de derde strofe: 'Vooral in de liederen van Huub Oosterhuis treffen we het moderne Jezusbeeld aan. Jezus is de menselijke God. die er voor kiest om zwak te zijn. omdat Hij solidair met ons wil zijn. Maar Hij wordt geen sterke Heer. die heerschappij voert over ons en over de hele schepping .' 17 En meer algemeen laakt hij - onder verwijzing naar de hymne uit de brief aan de gemeente te Filippi (2.6-11)- de eenzijdige aandacht voor de vernedering ten koste van de daarop volgende verhoging van de Christus!" Nog afgezien van de vraag of deze mogelijke eenzijdigheid geen reactie is op een andere uit vroeger tijd - hoe eenzijdig is dit welbeschouwd? Zijn niet verhoging en vernedering - niet enkel in de bekende hymne. maar in heel het getuigenis van de Schriftenten nauwste op elkaar betrokken? Het 'daarom' - 'daarom heeft God Hem ook uitermate verhoogd' (FiI.2.9) laat zich toch niet straffeloos versmallen tot 'daarna'? Wij proeven bij Oosterhuis steeds opnieuw de verwondering over het getuigenis van de Schriften hoe God de vernedering van Jezus bestempelt, honoreert als verhoging. Dit geheim bepaalt toch het leven van wie naar Christus heten (Hand.11 ,26) - hopend en metterdaad: 'Laat die gezindheid bij u zijn. die ook in Christus Jezus was' (FiI.2,5).
Die verwondering over de verhoging als keerzijde van de vernedering van de Christus - ook als belofte voor de mensheid - vinden wij in het onderhavige lied terug in het 'niet-maar' (strofen 1-2 en 6). Het lied, met de laatste strofe als apotheose, doet niet anders dan dat goddelijk beleid van verhoging te beamen. Over de fijnzinnigheid van een regel als 'wordt Hij voor ons geloofwaardig' kan desnoods getwist worden. Maar het valt toch niet te ontkennen dat Oosterhuis - ook waar zijn taal ons (nog) niet geheel eigen is - de Gezalfde in zijn diepste eigenheid zoekt te eren?
Kijken we nader - of beter nog: zingen we het lied vaker - dan komen we meer en meer onder de indruk van de intense omgang met de Schriften, die achter de bewoordingen schuil gaat; ook al zou dat voor een deel ondanks de dichter zijn.
De derde strofe tekent regel voor regel de persoon van Jezus - al of niet eenzijdig - in direct aan de Schriften ontleende bewoordingen: 'stem die de stilte niet breekt' (zie Jes.42.2 en Mat.12,19); 'woord als een knecht in de wereld' zie (Jes.42,1 en Mat.12,18); 'vreemdeling zonder geslacht' (zie Hebr.7,3). Een strofe eerder vinden we een zinspeling op een andere profetie over de figuur van de knecht uit de bundel van Jesaja: een groene twijg in de winter, dorstig en hard deze grond (zie Jes.53,2).
De eerste strofe lijkt niets minder dan een regelrechte omkering van een Schriftwoord, opgetekend uit de mond van de Doper (Mat.3,10). Toch is deze omkering minder schuldig dan ze lijkt. Want neemt Jezus de woorden 'bekeert u, want nabijgekomen is het rijk van de hemelen' van Johannes over (Mat.3,2; 4,17), met die over de bijl aan de wortel van de bomen (Mat.3,10) is dat niet het geval. En juist dat uitblijvende gericht dringt de Doper tot de vraag, vanuit het gevang aan Jezus overgebracht: 'bent u die komen zou, of wachten wij een ander?' (Mat.
11,2-3).De correctie van Johannes door Jezus, zoals die al besloten lag in het niet overnemen van de woorden over de bijl aan de wortel, vindt nu bevestiging: niet in het gericht - 'niet als een bijl aan de wortel' - maar in wat rondom aan onvolmaakte mensen geschiedt, wordt het Rijk opgericht (Mat.11,4-5). De blinden en de doven uit het evangelie maken dan ook hun opwachting in strofe vijf, terwijl strofe vier - terloops twee zaligsprekingen in herinnering roepend (Mat.5,3.9) - als geheel een omschrijving vormt van de regel: 'armen ontvangen het evangelie' (Mat.11,5).
Het korte evangelieverhaal loopt uit op een waarschuwing in de vorm van een zaligspreking: 'zalig is wie aan mij geen aanstoot neemt' (Mat.11,6). In het lied komt die zaligspreking in tweevoud voor (strofe 5), waarbij de dichter leentjebuur speelt bij de eerste psalm: 'zalig de boom aan de bron' (zie Ps.1,1.3). De zesde strofe valt ook zo te lezen dat de blinden en doven bij wijze van meerwaarde (zie Marc.7,31-37 en 8,22- 26) vertegenwoordigen wie wel aanstoot nemen aan Jezus. Zoals ook de armen in het lied armen van geest zijn (strofe 4; zie Mat.5,3) en in het evangelie de goede boodschap ontvangen (Mat.11,5).
We blikken nog even verdèr terug en wel naar het begin van het lied. Nog voor de woorden 'niet als een bijl aan de wortel komen de woorden van God' staat daar: 'niet als een storm, als een vloed'. Dat valt te verstaan als een verwijzing naar in ieder geval Elia (zie 1 Kon.19,11) en mogelijk ook Noach. De zinspeling op Elia is daarom zo treffend, dat Jezus in het directe vervolg op de vraag van de Doper uit het gevang over Johannes zegt: 'hij is Elia die komen zou' (Mat.11,14).
De correctie van de Doper - 'niet ...maar ... zo is het koninkrijk Gods' (strofen 1-2) - keert terug in strofe zes en krijgt daar nog wijder afmetingen.Deze strofe lijkt geënt op het besef dat God niet maar woont in een tempel van hout en steen, maar in de mens Jezus als in een tempel (lees vanuit die optiek eens het evangelie naar Johannes!). De omgang met de opgestane Heer is hier een levende werkelijkheid: 'niet in het graf van voorbij'.
Zo blijkt maar: liederen die wij bij een eerste, oppervlakkige kennisname wellicht geneigd zijn terzijde te leggen - om het bescheiden te houden - kunnen van niet geringe waarde blijken als het gaat om het ons eigen maken van de Schriften en het daarin vervatte heil.
Noten
1 Johan Klein, Meedoen met Liedboek-2000?, Opbouw 38 (1994) 114-116, 163-164, 183-184,206-207,222-223,242-244.
2 Opbouw 38 (1994) 114.
3 Opbouw 38 (1994) 114.
4 Opbouw 38 (1994) 242-244.
5 Opbouw 38 (1994) 114,243.
6 Opbouw 38 (1994) 163-164, 183-184.
7 Opbouw 38 (1994) 206-207, 222-223.
8 Opbouw 38 (1994) 163,206,222.
9 Opbouw 38 (1994) 114, 163, 242.
10 Opbouw 38 (1994) 114,242.
11 Opbouw 38 (1994) 116,164.
12 Opbouw 38 (1994) 242.
13 Opbouw 38 (1994) 206.
14 Opbouw 38 (1994) 284-290.
15 Opbouw 38 (1994) 115.
16 Opbouw 38 (1994) 115.
17 Opbouw 38 (1994) 115.
18 Opbouw 38 (1994) 222.