De 'juffrouw' was nogal scheurderig

1994-10-07
  • Jaargang 38
  • nummer 20
Vorige keer schreef ik in verband met het overlijden van de 'juffrouw'. Er valt over haar veel meer te vertellen. Ze was een bijzondere vrouw, maar had ook haar eigenaardigheden. Een jaar of tien geleden is ze begonnen met scheuren. Geen oude kranten, maar oude stukken, familiepapieren, brieven.
Het moest allemaal weg. Niemand had er iets mee te maken. En niemand hoefde het ook te vinden na haar overlijden.

Toch zijn er wat papieren blijven liggen.
Die vond ze blijkbaar belangrijk genoeg om niet weg te doen.
Zo vond ik na haar sterven een knipsel met een gedicht 'De oude boer'. Het lijkt of het voor haar overleden man was gemaakt en daarom zal ze het wel hebben bewaard. Hier volgt het:

'De oude boer loopt door zijn land.
Dat doet hij alle dagen.
Zijn tocht
is zichtbaar moeizaam, maar
Nooit zal hij zich beklagen.


Hij kent de weiden als zijn hand
En het verhaal der sloten.
Hij ziet elk ding in zijn verband
En in zichzelf besloten.

Als hij 't vermoeide, oude lijf
Tegen het hek laat hangen.
Een klein eind heeft hij nog te gaan.
Verteerd
is het verlangen.

Hier ligt zijn leven, stap voor stap,
En niet bij de bejaarden.
En, leunend op het oude hek,
Roept hij zijn beide paarden.


Zij draven naar hem toe, wrijven
Hun troost tegen hem aan.
Wie op het land zijn dagen sleet,
Kan dit geluk verstaan.'

Geheel anders is het gedicht van Nicolaas Beets 'De moerbeitoppen ruischten'.


"De moerbijtoppen ruischten';
God ging voorbij;
Neen, niet voorbij; Hij toefde;
Hij wist wat ik behoefde,
En sprak tot mij.


Sprak met mij in den stillen,
Den stillen nacht;
Gedachten, die mij kwelden,
Vervolgden en ontstelden,
Verdreef Hij zacht.

Den morgen, die mij wekte,
Begroeit' ik blij;
Ik had
zo zacht geslapen,
En Gij, mijn Schild en Wapen,
Waart nog nabij.'

Ik schreef de vorige keer, dat de 'juffrouw' zoveel moeite had met het geloof, met de zekerheid ervan. Vroeger was dat wat anders. Aan een neef in het buitenland schreef ze in 1977:
"Hebben jullie nog wat beleefd met de Kerstdagen? Och, Schriftgeleerden en andere belangrijke personen ging 't Eerste Wondere voorbij. De eenvoudige herders waren de eersten, die de Boodschap hoorden. Overal is een 'klein mensje' en een Grote 'Wonderlijk - Raad - vredevorst'. Mogen jullie daar iets van voelen."

Ze bewaarde dus soms afschriften van brieven, die ze schreef. Ze lagen in een laatje van de keukentafel. Misschien heeft ze ze meerdere malen nagelezen en zich 'opgetrokken' aan haar eigen woorden, die ze voor een ander schreef, maar zelf ook zo nodig had. Naar haar handschrift te oordelen schreef ze jaren geleden eens het volgende op:


'Leer mij dagen te verdragen
Die als nachten donker zijn;
Niet aan anderen leed te klagen,
Leed van kommer, angst en pijn.


Alle stormen kunt Gij stillen,
Ook de stormen van 't gemoed;
Niets dan Uwen wil te willen,
Dat maakt stil en alles goed.

Zote lijden,zote zwijgen,
Zo met Uwen wil vereend;
Zo in zwakheid kracht te krijgen,
Vader, leer dat aan Uw kind.'

Ik schreef de vorige keer over de geloofsmoeiten van de 'juffrouw'. Misschien viel het allemaal wat mee. Ze is er al worstelend én biddend mee klaar gekomen. Misschien praten we over die geloofsaanvaarding wel eens te gemakkelijk. En kan ik van de 'juffrouw' wat leren. En, om nog eens op dat scheuren van haar terug te komen, ze wist heel bewust enkele dingen te bewaren.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief