Deze opdracht

1994-10-21
  • Jaargang 38
  • nummer 21
Het boeiende artikel van ds. Ptooy 1 bracht ons op een bijzonder verrassend spoor. Timotheüs weer een serieuze kandidaat voor het auteurschap van Hebreeën? Maar dan zal dat ook nieuw licht werpen op ons verstaan van de verhoudingen binnen het Nieuwe Testament! Als ik hier als jongere op mag voortborduren dan doe ik dat met uitdrukkelijke vermelding van mijn schatplichtigheid en dank aan ds. Plooy en zijn raadgevers.

Het voorstel om Hebr. 13:22/23-25als een geleidebrief je van Paulus te lezen lijkt mij zeer aannemelijk. Hiervan uitgaande kunnen wij ons afvragen of er nog meer aanwijzingen zijn die het auteurschap van Timotheüs bevestigen 2.
Ik ging op zoek in de Timotheüsbrieven en kwam tot de volgende vraag: Heeft de opdracht die Paulus Timotheüs toevertrouwde in I Tim. 1:18 soms iets met het ontstaan van Hebreeën te maken?

Op zoek naar de opdracht
Bij vluchtige lezing denken we bij de woorden deze opdracht van I Tim. 1:18 aan 'de goede strijd' in het algemeen, op het geheel van de instructies die de apostel aan zijn rechterhand Timotheüs gaf, en dan vooral in praktische, pastorale zin. Op het eerste gezicht is dit wel een voor de hand liggende conclusie. Daarbij valt te denken aan1 Tim. 4:11-14; 6:11-14; 11Tim. 1:7-9; 3:14-4:5. Bij nader inzien blijkt m.i. geen van deze gedeelten een specifieker invulling van deze opdracht in de weg te staan. Wat kan Paulus hierbij voor ogen gehad hebben? Het aanwijzend voornaamwoord 'deze' wijst al op iets bepaalds. En het Griekse woord voor opdracht, paranggelia, wordt, samen met het werkwoord paranggelloo 'bevelen', op andere plaatsen steeds voor concrete zaken gebruikt. In Handelingen gaat het om opdrachten van Jezus (1:4, 10:42);van Paulus (16:18); van joodse leiders (4:18); van de stadsoverheid van Filippi (16:23) en van Lysias (23:22). Het is best mogelijk dat het woord in I Tim. 1:18een algemene strekking heeft, maar dan is dat wel in afwijking van het algemene patroon. Zijn er aanwijzingen voor een meer specifieke invulling?

Een taak van gewicht
De hymnische afsluiting van vs. 17 lijkt te fungeren als een trompetstoot, die maakt dat de erop volgende opdracht speciale aandacht krijgt3. Het gewicht van de opdracht wordt nog weer onderstreept door het geladen werkwoord toevertrouwen. Verder voegen de aanspreekvorm, 'mijn kind Timotheüs’ en de verwijzing naar vroeger uitgesproken profetieën toe aan het urgente karakter van de opdracht.

Rehabilitatie van de apostel?
In het voorafgaande (1:12-17)sprak Paulus over zijn eigen bediening, zijn apostelambt, dat hem in ontferming gegeven was, en dat hij juist daarom als voorbeeld zag. Het geheel is ingeklemd door dankzegging en lofprijzing.
Ondanks de ootmoedige woorden over zijn vroegere wandel, lezen we tussen de regels een vrij krachtig pleidooi.
Vgl. het parallelle gedeelte vanII Tim. 1:9b-12. In beide plaatsen bel uisteren we een hint aan het adres van Timotheüs, om, tegenover oppositie, Paulus' apostelschap en leer te verdedigen. In I Tim. 2:7 enII Tim. 1:11wijst de stellige toon op miskenning van Paulus' apostelschap door anderen. En Timotheüs kon daar als Paulus' rechterhand" zeker het nodige aan doen. Hij kon de apostel als geen ander vertegenwoordigen. Deze zorg om rehabilitatie - omwille van het evangelie - droeg waarschijnlijk wel bij aan het urgente van de opdracht. Maar als we Paulus een beetje kennen, dan lijkt een verband met deze zorg toch ondergeschikt.

Voorbede
Komt de vermaning tot het doen van allerlei voorbeden in 2:1-2 in aanmerking? We hebben hier een vriendelijk vermaan, gemotiveerd met de woorden "opdat wij een stil en gerust leven mogen leiden... enz." Het gebed is en blijft een kostbare en onmisbare voorwaarde voor zegen in de gemeente, ook voor het welslagen van de goede strijd die Timotheüs te voeren heeft. Maar moest hij hiervoor nog een speciale opdracht ontvangen? Hij had immers al zo vaak in Paulus' gebedsworstelingen gedeeld? De vermaning van 2:1 heeft mij ns inziens het karakter van een herinnering en kan zo moeilijk de urgente opdracht van 1:18 als antecedent hebben. (Vgl. Efeze 6:18 over voortdurend gebed als noodzakelijke voorwaarde en begeleiding vanalle geestelijke strijd.)

Profetieën
Dichterbij komend zien we dat de opdracht nader bepaald wordt door de woorden 'overeenkomstig de profetieën'.
Sprak Paulus hier nog algemeen, in 4:14 komt hij erop terug als "de gave in u, die u krachtens een profeten woord (of: door profetie) geschonken is onder handoplegging van de gezamenlijke oudsten". Deze gave lijkt vrijwel synoniem met de opdracht van 1:18; zij staat in verband met het "voorlezen, het vermanen en het leren"; en kan veronachtzaamd worden.
Doorslaggevend is dit niet, maar wel opvallend, omdat Hebreeën als geheel 'een woord van vermaning' genoemd wordt (13:22).In 11Tim. 1:6 laat Paulus om zo te zeggen alle terughoudendheid varen door te spreken van de gave Gods die door mijn handoplegging in u is. Het gebeuren in Hand. 13:1-3 komt dan onmiddellijk voor de geest. Ook daar een groep (w.o. profeten), handoplegging en... een vrij specifieke opdracht: "Zondert mij nu Barnabas en Saulus af voor het werk, waartoe Ik hen geroepen heb". Dit patroon lijkt opnieuw te bevestigen dat de opdracht in 1:18 (primair) bedoeld is in specifieke zin.

Strijd
De bedoelde opdracht hing samen met de goede strijd die Timotheüs moest voeren. Gelezen in het licht van I Tim.
6:12: "Strijd de goede strijd des geloofs", waren we tot nog toe geneigd de woorden van 1:18b generaliserend, als een soort belijdenistekst op te vatten. Waarvoor wilde Paulus de vaak als timide(?) afgeschilderde Timotheüs met het beeld van een strijder/soldaat (1:18b, ll Tim. 2:3-4), en van een wedloop (I Tim. 6:12) een hart onder "de riem steken? In isolatie laten de slotwoorden van I Tim. 1:18 strateuei (strijdt) en autais (daarin) tèn kalèn strateian (de goede strijd) zeker wel een interpretatie in algemene zin toe. Maar is dat, in het verband, de meest waarschijnlijke? Zou Paulus in hfdst. 1:18 niet eerder tegelijkertijd, of zelfs primair, gedacht hebben aan een geestelijke strijd van specifieke aard? Als we bedenken dat de nieuwtestamentische profetie meestal specifiek van aard is, wijzen dan de woorden en autais (NBG: 'u daarnaar richtend') niet in deze richting?

Schriftelijke uitwerking?
We krijgen de indruk dat Paulus tussen de regels Timotheüs een duwtje in de rug wilde geven in verband met een concreet project. Aanwijzingen daartoe zie ik in het gecursiveerde van de volgende gedeelten:
* I Tim. 4:13-16- "toeleggen op het voorlezen, vermanen en het leren". "Behartig deze dingen, leef erin, ... dat gij vooruitgaat. Zie toe op uzelf en op de leer, volhard in deze dingen."

* 11Tim. 4:13-16- "weerleg, bestraf en bemoedig met alle lankmoedigheid en onderrichting.'

* 11Tim. 4:5 - "verricht uw dienst ten volle.'
U zegt misschien: moeilijk hard te maken. Toch wordt het wel aannemelijk als we ons afvragen hoe Timotheüs zelf deze woorden gelezen zal hebben. Aangezien de apostel hem al zoveel toevertrouwd had, en hij bij het schrijven van vijf brieven van Paulus betrokken was geweest (en waarschijnlijk als méér dan secretaris), aangezien aan Timotheüs ook de zorg voor de boeken en de perkamenten werd toevertrouwd, wordt het mijns inziens bijzonder aannemelijk dat Timotheüs al heel gauw zou gaan denken aan schriftelijke uitwerking van de dingen waartoe Paulus hem aanspoorde. Temeer daar Paulus zelf ook spreekt over strijd in verband met onmiskenbaar schriftelijke activiteit.Namelijk voor de gemeente te Colosse, te Laodicea "en voor allen die mijn aangezicht niet hebben gezien", en dit in een verband van bemoediging, aansporing tot eenheid en leerstellige correctie (Col. 2:1-3). De nadruk hier wijst op meer dan gebedsstrijd of zorg. En de afstand tussen Paulus en deze gemeenten noodzaakt ons te denken aan een schriftelijk vermaan.

Het redebeleid
Na alles wat we overwogen, blijft tenslotte - gezien vanuit het redebeleidals het meest steekhoudende over: hoofdstuk 1:3,4: "Doe zoals ik u bij mijn reis naar Macedonië aangeraden heb: blijf nog te Efeze om sommigen te bevelen (paranggellein) geen andere leer te brengen ..." Hier is uitdrukkelijk sprake van een opdracht. Vs. 4 eindigt in een onafgemaakte zin. Paulus vond het kennelijk nodig hierna eerst iets ontmaskerends te zeggen - in contrast met de dwaalleer (vs. 5-7) - over het doel van deze paranggelia5; en daarna iets over het juiste gebruik van de wet (vs. 8-10). Hij week daarmee af van de hoofdlijn van zijn betoog. Dat geldt ook voor het persoonlijk getinte 1:12-17. Pas in 1:18 pakt hij deze draad weer op: déze opdracht vertrouwt Paulus aan zijn vertrouweling toe. De in hfdst. 1:4 bedoelde dwaalleer moet dus bestreden worden. Dat is de inhoud van "deze opdracht". De verwijzing naar "fabels en eindeloze geslachtsregisters", naar een verkeerd gebruik van de wet en naar stellig spreken zonder besef duidt op een mengeling van beginnend gnosticisme en judaïserende tendensen, een dwaling die voor het (be)schouwen van engelen, machten en krachten grote aandacht had en die tot een losse levensstijl leidde. Hoogst waarschijnlijk werd aan engelen een middelaarsfunctie toegeschreven, waarmee de positie van Christus als de unieke middelaar tussen God en mensen ondermijnd werd. (In dit licht bezien wordt ook de functie van1 Tim. 1:19b-20 duidelijk: aan de vruchten kent men de boom.)

Welnu, als in de hier bedoelde dwaalleer het middelaarschap van Christus in het geding is, dan is de relatie met Hebreeën 1 en 2 gelegd! In I Timotheüs 2:6 wordt namelijk nadrukkelijk melding gemaakt van Jezus als enige middelaar. Uit het 'daartoe' van 2:7 blijkt dat Paulus dit middelaarschap bedreigd zag. Dit alles - in samenhang gelezen - komt mij voor als een uitnodiging om het unieke middelaarschap van Christus Jezus breder uit te werken, als bestrijding van een acute dwaalleer. En dat is precies wat in de Hebreeënbrief gedaan wordt.

Noten
1. Zie ds. E.P. Plooy, Wie schreef Hebreeën, Opbouw, jrg. 36, nr. 25.

2. De onderschrijven in de Byz. teksttraditie worden meestal niet erg hoog aangeslagen.
Dat de copist,die het onderschrift dia Timotheou introduceerde,Timotheüs' inbreng als een bemiddelende voorstelde, kan veroorzaakt zijn door de druk van de traditie die de hele brief al aan Paulus toeschreef. Niettemin had hij oogvoorde rol van Timotheüs.

3. P. Schubert, Form and Function of the Pauline Thanksgivings (uitgeverenjaar van uitgiftekanik momenteel niet achterhalen), toonde aan dat de 'epistolaire situatie' vaak wordt voorafgegaan door een hymnisch dankzeggend gedeelte. Vgl. ook Titus 2:11-13 als inleiding op vs. 14.

4. Zie I Kor. 4:17; Fil. 2:20-23;11 Tim. 3:10-11

5. NBG'51 vertaalt vs.5 mijns inziens dus ten onrechte generaliserend door (alle) toe te voegen. Ook vraag ik me af of 'vermaning' hier het gebruik van paranggelia juist weergeeft.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief