Verootmoediging (3) (Slot)

1994-10-21
  • Jaargang 38
  • nummer 21
We geven hierbij eerst het woord aan prof.dr. J. Douma. Hij schreef in het nummer van 'Bij de tijd' (juni/juli 1994), dat geheel gewijd was aan Vijftig jaar Vrijmaking over de scheuring van 1967 o.a. het volgende: "Ik constateer dat velen onder ons grote moeite hebben met wat er destijds gebeurd is. Omdat ik er zelf sterk bij betrokken ben geweest, lijkt het mij beter dat anderen over de zaak oordelen en daarbij ook kritisch mijn aandeel bekijken. Ik heb reeds aangestipt wat de Open Brief over de noodzaak en mogelijkheid van vereniging met de synodale kerken schreef. Slechts een deel van de ondertekenaars, onder wie de opsteller ds. B.J.F. Schoep, trok daaruit de voor de hand liggende consequentie, nl. zich met de synodalen te verenigen. Anderen deden dat niet en verklaarden destijds reeds dat zij dit niet van plan waren. Zij verklaarden ook van andere passages in de Open Brief dat zij die niet gelezen wilden hebben zoals anderen en ook ik die meenden te moeten lezen. Of wij aan hun intenties voldoende recht gedaan hebben, vraag ik mij thans af. Zo zijn er meer dingen waarin ik er thans minder dan toen van overtuigd ben, of wij rond 1967 en op de synode van Hoogeveen altijd de juiste beslissing hebben genomen." Wij zijn blij met deze woorden van Douma en hopen, dat ook bij hem een kritisch bekijken van eigen aandeel in de intens verdrietige kerkstrijd van de zestiger jaren het gewenste effekt mag hebben van interkerkelijke toenadering binnen de gereformeerde oecumene. Van een duidelijke erkenning, dat je in het verleden in een bepaald opzicht verkeerd gehandeld hebt in een concrete kerkelijke situatie wordt geen kind van God ooit minder!

Helaas kan ik bij Douma's collega prof. J. Kamphuis tot nu toe niets merken van een kritische terugblik. Hoewel ik dat ook van hem mag verwachten getuige de opmerking, die hij lanceerde in zijn toespraak in Apeldoorn ter gelegenheid van de Vrijmakingsherdenking, nl. dat de HERE de vrijgemaakte kerken kastijdt vanwege de gebeurtenissen van de zestiger jaren. Dat moet toch leiden tot een vorm van verootmoediging, die ook door anderen kan worden geconstateerd. Daarom stemt het mij zo verdrietig als Kamphuis in een interview in het programmablad van de EO: 'Visie' verklaart: "Een samengaan met de Nederlands Gereformeerde Kerken zal helaas niet gaan. Daar heeft men de Gereformeerde kerkorde over boord gezet. Een kernpunt in 1967, bij het ontstaan van de Nederlands Gereformeerde Kerken uit de Gereformeerde Kerken vrijgemaakt, was dat nee gezegd werd tegen Zondag 22. Daarin wordt gezegd, dat gelovigen na het sterven van stonde aan naar de hemel gaan. Zolang de Nederlands Gereformeerden de opvatting tolereren, dat de mensen, ook de gelovigen, er niet meer zijn (anders dan in Gods gedachten) tussen het moment van overlijden en de wederkomst, is er geen samengaan mogelijk, omdat de Bijbel anders leert." Ik verbaas mij in dit verband over twee dingen. In de eerste plaats: Hoe kan Kamphuis nu ons verwijten, dat wij de DKO over boord hebben gezet terwijl hijzelf in het verleden tegen alle kerkordelijke rechtsregels in de gelovigen wegriep achter de wettige ambtsdragers van Christus in de plaatselijke kerken in Noord-
Holland? In de tweede plaats: Een afwijkend gevoelen ten aanzien van het 'van stonde aan' van Zondag 22 H.C. kan toch nooit een kerkscheidende factor zijn. Het treft nl. het hart van het evangelie niet dodelijk. Zo'n kwestie is in goed overleg met elkaar te regelen waarbij men elkaar niet moet overvragen. Als men maar wil! Dit moest mij van het hart. God geve, dat het iets mag betekenen in het kader van een noodzakelijke bezinning ten aanzien van de kerkbreuk, die zich pl.m. vijfentwintig jaar geleden voltrok.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief