Apostolische wijsheid
1994-11-04
In het Nederlands Dagblad van begin september kwam ds. E.A. de Boer met een milde bespreking van het inmiddels op de landelijke vergadering behandelde rapport over 'de vrouw in het diakenambt'. In die recensie kwam ds. De Boer niet onverwacht tot de verzuchting, dat de kwestie van de vrouw in het ambt nog veel verdere studie en doordenking vergen zal.- Jaargang 38
- nummer 22
Nóg meer studie, denk je dan? Ik heb nog maar eens 'ons' tweedelige studierapport ter hand genomen. Als je dat rapport overziet, met alle literatuur, die er achter zit, is het dan reëel om te verwachten dat na nog verdere studie het mistig zonnetje in alle klaarheid zal doorbreken? Nóg meer studie, terwijl de zaak al decennia lang is uitgebeend, hier in Europa en ook aan de andere kant van de plas. Grondig, zonder dat daarmee alles exegetisch helder is komen te liggen. Met als vrucht subtiele onderscheidingen zoals 'tijdgebonden', 'tijdbetrokken ' en 'tijdbediend'. Wel is het duidelijk, dat het in veel opzichten gissen blijft naar de achtergronden van 'die tijd', die we tussen de regels van het door de apostel geschrevene mogen vermoeden. Of reconstrueren, met wat steun uit buiten-bijbelse bronnen. Nóg meer studie? Het zal ook de vrijgemaakten en christelijk gereformeerden niet echt verder helpen, zo schat ik in.
Gelegenheidsgeschriften
Maar de twijfels, die ik bij de aanbeveling van ds. De Boer heb, zijn er ook bij de aanpak, die gevolgd is door onze commissie. Petje af voor het gedegen werk en de helderheid van het betoog, dat wel. Maar toch ook twijfels. Gaan we de geschriften van het Nieuwe Testament niet te massief te lijf op dit soort punten? Met de zware tred, die gepast is bij passages, waar het hart van het evangelie in geding is. Maar die een beetje 'te' aandoet, als je aankomt bij de praktische aanwijzingen in de gelegenheidsgeschriften, die de brieven van het Nieuwe Testament toch zijn, gelet op hun ontstaan.
Dat is iets wat ik me in toenemende mate realiseer bij de lezing van het overgrote deel van de apostolische geschriften: het zijn brieven, geschreven door de apostelen aan prille christelijke gemeentes rond de Middellandse zee. Gelegenheidsgeschriften, die de kerk heeft ontvangen en niet lang daarna aanvaardde als getuigenissen van het ene evangelie van Jezus Christus.
Van Hem getuigden de vier evangeliën al op hun wijze door uitvoerig de woorden en daden van Jezus te verhalen.
Hierin zijn de evangeliën breed, zonder hun doelgerichtheid te verliezen. Ze schreven immers over Hem "opdat gij gelooft, dat Jezus is de Christus, de Zoon van God en opdat gij, gelovende, het leven heeft in zijn Naam" (Joh 21:30,31). De bundel brieven, van de hand van meer dan één apostel, is te zien als een welkome toespitsing op de evangeliën, omdat die brieven ons in de eerste plaats brengen bij het hart van het christelijk getuigenis, n.1.kruis en opstanding van onze Heer - "Ik had niet besloten iets te weten onder u, dan Jezus Christus en die gekruisigd" (1 Cor 2:2). Dat is herkend en erkend als een boodschap voor alle tijden en gelegenheden. Maar daarmee verliezen de brieven nog niet het karakter van gelegenheidsgeschrift.
Dat merk je vooral, wanneer de boodschap van het evangelie ook in andere zin wordt toegespitst en wel op de concrete praktijk van het christelijke leven. Op de momenten, dat in de brieven de aanwijzingen volgen voor de inrichting van de gemeente, het persoonlijk handelen, de relaties binnen de gemeente en naar buiten toe.
Geen krentenwegerij
Niet dat het hart van het evangelie en die concrete aanwijzingen onverbonden naast elkaar staan. Nee, het is bijzonder zoals de apostelen ons er in voorgaan om dat concrete in het licht te zetten van het evangelie van Jezus Christus. Zo plaatst Paulus zijn vermaning tot een nieuw leven in het spoor van kruis en opstanding van Jezus Christus (Col 2:20, 3:1, 3:5 en 3:12). En op een andere plaats (Fil 2) lees je zijn aanmoediging, dat onze onderlinge omgang werkelijk christelijk moet zijn - dat wil zeggen gestempeld door Christus' weg van vernedering en verhoging. Trouwens niet alleen Paulus maakt dat soort verbindingen. Je vindt ze even goed bij Petrus, wanneer hij komt met aanwijzingen voor christenen, die onverdiend tegen een klap opliepen. Petrus fundeert zijn bemoediging in het voorbeeld (en meer dan dat!) dat Christus. ons heeft nagelaten (1 Petr 2:20-24).
Bijzonder, zoals de apostelen ons daarin voorbeelden hebben nagelaten van een aanpak, waarbij het concrete steeds weer naar het centrum wordt toegeleid. In dat spoor verder, zou ik willen zeggen, zodat we in de wereld van 1994op een slagvaardige wijze christen kunnen zijn in het persoonlijke en gemeentelijke leven!
Dat betekent wel, dat ik weinig heil zie in nog een halve eeuw krentenwegerij op het punt van de vrouw in het ambt (en andere kwesties), met alle overvragen van tal van praktische schriftgedeelten uit de brieven van dien.
Ik zie meer in een laconiekere omgang met die hoofdstukken uit de brieven van het Nieuwe Testament, waarin vanuit het hart van het evangelie (Jezus Christus en die gekruisigd) een weg wordt gezocht naar de persoonlijke en gemeentelijke praktijk van het christelijke leven van die dagen. Ter navolging, zou ik zeggen. Waarbij die hoofdstukken vol van concrete aanwijzingen heel goed bruikbaar zijn, maar meer als wijsheid dan als profetische norm, omdat ze meer van Spreuken 31 dan van Jesaja 53 weg hebben. Dat vraagt een andere benadering, dan die ds. De Boer in een zoveelste verlenging van het onderzoek voorstaat.
Maar het zal ook lichtvoetiger moeten dan in het besproken rapport zélf. Ook dat gaat me te zwaarwichtig wikkend en wegend van de ene naar de andere exegetische moeilijkheid in de praktische bloemlezingen van de apostel. Alsof je voor het knippen van een grasrandje een heggeschaar nodig hebt. Wat mij betreft wordt het dus meer putten uit de wijsheid, waarmee de apostel is gekomen; bedoeld voor toen en daar en misschien bruikbaar voor hier en nu. Maar dat laatste alleen als het ons helpt om in het hier en nu slagvaardig christen en christelijke gemeente te zijn. Niet op een manier, dat we ons in onze christelijke (bewegings)vrijheid gehinderd voelen - als David in het harnas van Saul.
Het studierapport zegt ergens dat het van belang is om onderscheid te maken tussen normen, die voor alle tijden gelden en voorschriften, die op specifieke situaties zijn afgestemd (p.11). Ik zou willen beginnen met dat laatste te zeggen van de praktische aanwijzingen, waarmee de apostelen in hun brieven komen. Waarbij het voor ons christelijk doen en laten wel eens verlammend zou kunnen werken, wanneer we teveel norm-voor-alle-tijden in die aanwijzingen veronderstellen.
Maar vol van wijsheid zijn ze wel, afgestemd op de situatie van toen, zoals je van een gelegenheidsgeschrift mag verwachten. Dat die wijsheid van de apostelen ook nu niet te versmaden is, is een ander ding. Maar dan als apostolische wijsheid, niet meer en niet minder.