Waarom een reformatorisch liedboek? (1)

1994-11-04
  • Jaargang 38
  • nummer 22
Op m'n artikelenreeks 'Meedoen met Liedboek-2000?' ontving ik vele, meest mondelinge, reakties. Ze waren afkomstig uit ned. gereformeerde, chr. gereformeerde en vrijgemaakt-gereformeerde kring. Alle reakties waren positief. Dat is niet zo vreemd, want mondelinge reakties zijn bijna altijd instemmend. Ik heb rustig gewacht op schriftelijke kritische reakties: per post of in Opbouw. Ik ontving enkele instemmende brieven en in dit blad verschenen drie kritische artikelen: van de hand van Bart van Buitenen uit Zwijndrecht 1, Klaas Holwerda en Henk Willigenburg uit Culemborg 2en Jan van der Spek uit Den Haag 3. Ik dacht dat ik meende wat ik schreef toen ik om een 'gedachtenwisseling' vroeg en ik denk dat nog steeds. Ook al proberen kenners uit Culemborg op mijn woorden een modern literair motto toe te passen: 'Kijk, er staat niet wat er staat!' Wat mij betreft blijven m’n woorden gewoon staan. Eénduidig. Uit bewogenheid om de toekomst van onze gemeentezang. Om Sions wil. Nergens anders om. AI was het een hachelijk karwei om een en ander onder woorden te brengen.

Kwaliteitsbewaking
Bart van Buitenen maakt een paar behartenswaardige opmerkingen m.b.t. tot de kwaliteitsbewaking van een te vormen reformatorische gezangenbundel. Hij heeft gelijk als hij stelt dat een dergelijk project niet kan worden toevertrouwd aan een kleine commissie waarin een paar componisten en een paar dichters elkáárs werk controleren.
Ook vraagt het samenstellen van een volwaardige reformatorische gezangenbundel om een heel andere aanpak dan een aanvullend bundeltje op het Liedboek.
Als de L.V. hiertoe besluit, moeten we voor dit project vijftien jaar uittrekken en een groot aantal deskundigen uit alle drie de kerken raadplegen. Ook het Liedboek is niet het werk geweest van één deputaatschap, maar van meerdere commissies en werkgroepen (van o.a. musici).4Wie de ontwikkelingen binnen de drie kerken de laatste jaren een beetje gevolgd heeft, zal gemerkt hebben dat deskundigheid en 'feeling' op het terrein van het kerk lied duidelijk aan het toenemen is.
Bart van Buitenen echter kiest voor een 'bredere' oecumene, die hij niet zozeer aan de Schriften als wel aan een kerndogma (Drieëenheid) wil toetsen. Er zijn er meer geweest die dat wilden: Erasmus bijvoorbeeld en de 'ethischen' in de Ned. Hervormde Kerk, maar de reformatoren in de 16e eeuwen de vaders van de Afscheiding in de 1ge zagen zich geplaatst voor een ándere weg omwille van terugkeer naar de Schriften. En het is voor een niet onbelangrijk deel aan hun keuze te danken dat die Schriften bij ons (nog?) de plaats hebben dié ze hebben: een gezaghebbende. Dát is de weg tot 'behoud van de algemene christelijke Kerk', de gemeenschap der heiligen. Bart schrijft: "Pas wanneer in onze liturgie de kerkmuziek de plaats krijgt die haar toekomt, gelijkwaardig aan en als deel van de woordverkondiging, kan er sprake zijn van een nieuwe gezangenbundel."
In het eerste deel van deze zin zou ik het woord 'kerkmuziek' willen vervangen door 'gemeentezang'. Het zou al enorme winst zijn wanneer de predikant in elke dienst tenminste twee Psalmen in z'n geheel zou laten zingen.
Dan kan de Psalm zijn eigen verhaal vertellen, in plaats van dat een partje ervan mag dienen als pepermuntje bij de preek. Op die manier zouden de Psalmen in onze erediensten eindelijk de plaats krijgen die hen toekomt. Nu blijft het te vaak bij lippendienst aan het Psalter. Bij lange Psalmen kan men beurtzang toepassen, van zeer lange Psalmen kan men een aaneengesloten gedeelte laten zingen.

Geen versnippering
Jan van der Spek, die als derde reageerde, is het met me eens dat "de theologische geesten van deze tijd krachtig door de grotere kerkgenootschappen waaien". Maar hij ziet een reformatorische gezangenbundel niet als het middel om die geesten buiten ons liedboek te houden. Hij kiest voor de vrijheid van plaatselijke kerken en pleit voor een landelijke werkgroep die die kerken desgewenst met raad en daad kan bijstaan. Zijn voorstel lijkt me goed als aanvulling op het mijne, niet als vervanging daarvan. Nadat iedereen een tijdje 'vrij en blij' heeft gezongen, komt er ongetwijfeld weer een tijd waarin men terugverlangt naar 'degelijker' gezangen. Het is dan van het grootste belang dat die gezangen bij de hand zijn, nooit uit de gemeentezang verdwenen zijn. Alleen door middel van een goed opgezet landelijk project kan het goede uit de liederenschat van de Kerk der eeuwen voor volgende generaties behouden blijven. De optie van Van der Spek leidt, hoe goed bedoeld ook, op den duur tot teloorgang van het klassieke kerklied. De kans bestaat dan dat een Liedboek-2000 daar nog méér van in huis heeft dan wij.
Bovendien werkt zijn voorstel rn.i. niet alleen wildgroei, maar ook verdere versnippering in de hand.
Overigens laat mijn voorstel ruimte open voor het zijne. Door een reformatorisch liedboek in ringbandvorm uit te geven, blijft er de mogelijkheid voor plaatselijke gemeenten om er naar eigen smaak en behoefte gezangen aan toe te voegen, die men later rustig weer kan verwijderen en vervangen door andere. Op die manier blijft er altijd ruimte voor het experimentén voor onderlinge verschillen: zo zullen chr. gereformeerden méér piëtistisch gekleurde gezangen willen zingen dan ned. gereformeerden en vrijgemaakten. Maar een gemeenschappelijke 'stambundel' behoedt ons voor totale versnippering.
Zo kan ook (voor een deel althans) de band met de school worden hersteld, nu steeds meer ned. geref. ouders hun kinderen naar vrijgemaakte scholen sturen. Ik hoop dat ik aan de reactie van Jan van der Spek een beetje recht heb gedaan; ik ben er niet helemaal gerust op. Hij pleit voor plaatselijke bundels náást het 'oude' Liedboek. Wanneer dat 'oude' Liedboek in de grotere kerken zou worden vervangen door een Liedboek-2000, kunnen wij een aantal exemplaren uit leeggelopen kerken opkopen, schrijft hij. Daarvan zie ik het nut niet zo erg in. Immers, ook dán wordt de band met de grotere kerken doorgesneden op het gebied van de kerkzang en dan zingen wij als énigen uit een bundel waarvan de L.V. slechts éénderde geschikt achtte voor onze erediensten. Het wordt dan inderdaad 'ons' Liedboek, maar we gebruiken er slechts een deel van, waarom dan niet het goede uit het Liedboek opgenomen in een reformatorische bundel die we in z'n geheel kunnen gebruiken?

Aanleiding en motief
De reaktie van Klaas Holwerda en Henk Willigenburg viel me eerlijk gezegd rauw op het lijf. Hun artikel 'Erfgoed in ringband' zou een waardige en 'besnaarde' bijdrage tot de discussie zijn geweest, wanneer niet de eerste kolommen ervan waren ontsierd door de ene insinuatie na de andere. Merkwaardigerwijs noemen de schrijvers uit Culemborg mij 'een meester van de suggestie', terwijl zij zelf het suggereren bepaald niet schuwen. Was het voor een vruchtbare discussie werkelijk noodzakelijk om mijn motieven voor het waarschuwen tegen een Liedboek-2000 verdacht te maken en mijn visie (ja!) voor een reformatorische gezangenbundel in het belachelijke te trekken? Moet de lezer de indruk krijgen dat ik niet oprecht was in mijn motieven? Dat is iets waartegen je je moeilijk kunt verdedigen, omdat datgene wat in je hart leeft tegenover anderen moeilijk te bewijzen is. Dat suggererende zit meteen al in de tweede zin van hun artikel: "Zijn bijdrage maakt tenminste de indruk meer ingegeven te zijn door de agenda van de Landelijke Vergadering dan door de al weer wat luwende discussies in breder kring over het zo goed als zeker niet in dat jaar verschijnende Liedboek-
2000". Hier wordt de suggestie gewekt een suggestie die verderop in het artikel wordt aangedikt - dat ik alleen maar heb zitten wachten op een goede gelegenheid om met een voorstel voor een reformatorisch liedboek te komen en dat mijn artikelenserie weinig te maken heeft met de discussies die op dit moment over een Liedboek-2000 worden gevoerd; immers, die discussies zijn op dit moment al weer aan het luwen en het jaar 2000 wordt tàch niet gehaald.
Van dat laatste - het luwen van de discussies binnen de grotere kerken - wist en weet ik niets. Toen ik aan mijn artikelenserie begon (februari 1994)gonsden de gesprekken over het Liedboek-2000 nog na in mijn oren. In 1993was er eerst het themanummer van Woordwerk, dat aan de ontwikkeling van het 'nieuwe kerklied' was gewijd.5 Daarop volgde de Weerklank-conferentie van Schrijvenderwijs, waar iedereen zijn zegje over het nieuw te vormen Liedboek kon doen.
Vervolgens was er voor de IKON-radio de serie 'Naar een Liedboek-2000'. Wat me bij al deze evenementen opviel, was dat nog maar heel weinig mensen zich lijken te interesseren voor de geestelijke inhoud van het kerklied of voor de Schriftuurlijke zuiverheid ervan. Ook op de Weerklank-conferentie van Schrijvenderwijs, die toch door veel 'bijbelgetrouwe' christenen werd bezocht, was de teneur vooral: wat zijn de wensen en verlangens van verschillende soorten mensen, groepen, leeftijden, en hoe kunnen we in een nieuw Liedboek aan ieders behoeften zo goed mogelijk recht doen? Zoals steeds vandaag, stond de mens centraal en niet de HERE met zijn woord. Althans in de plenaire bespreking; in de groepsgesprekken is er misschien meer rechtgetrokken dan ik weet. In het plenaire gesprek heb ik geprobeerd het debat in een andere richting te sturen door te wijzen op de invloed die het belijden van de Kerk de eeuwen door heeft gehad op de inhoud van het kerklied. Zo werden in de eerste eeuwen dogma's al snel liederen en leverde de Reformatie een stroom aan gezangen op waarin Gods genade voor zondige mensen werd bezongen. De keerzijde daarvan is dat diepgaand verschil in belijden ook kan inhouden dat de wegen op het terrein van het kerklied uiteen moeten gaan. Ook dwaalleraars hebben namelijk vaak het geestelijk lied benut als 'voertuig' voor hun dwaalleer (Arius, Thomas Münzer). Het werd in de bespreking niet opgepikt (het liep trouwens tegen het einde), maar na afloop kwamen enkele vrijgemaakt-gereformeerde jongeren op me af (één had meegewerkt aan de E & R-bundel), die me enthousiast vertelden dat ik precies datgene onder woorden had gebracht wat zij wel voelden, maar niet onder woorden hadden weten te brengen. Die opmerking had ik vaker gehoord en ze zette me aan het denken.
Toch zette het me niet meteen aan tot het schrijven van artikelen over dit onderwerp, omdat ik vond dat ik de stof nog niet voldoende onder de knie had en zèlf moeite had met het onder woorden brengen van deze zaken. Rondom Kerst 1993vonden er enkele gebeurtenissen plaats die mij tot de overtuiging brachten dat ik niet te lang meer moest zwijgen. Het voorstel van Wezep aan de Landelijke Vergadering van Apeldoorn (in mijn verstrooidheid schreef ik: Dronten) gaf inderdaad de doorslag: ik wist dat als ik nu niet zou schrijven, maar de zaak op z'n beloop zou laten, ik schromelijk mijn plicht zou hebben verzaakt.
Ik weet dat dat grote woorden zijn, maar zo bedoel ik ze ook. Vanaf dat moment stond mijn leven, vier maanden lang, in het teken van 'Liedboek-2000'. De moeite om een en ander onder woorden te brengen blééf, maar ik mocht die niet langer gebruiken als excuus om te zwijgen. Het 'complete scenario' voor een reformatorische gezangenbundel-inringband groeide in de loop van die vier maanden: aanvankelijk had ik aan het slot van het vijfde artikel willen volstaan met een korte aanbeveling voor een reformatorisch alternatief. Later meende ik zo'n alternatief ook praktisch te moeten invullen.

Krokodillentranen om het Liedboek?
lets dergelijks gebeurde mij zes jaar geleden, in 1988.Ooktoén zat ik niet te azen op een mogelijkheid met een voorstel voor een reformatorisch liedboek te komen. Ik had in de gezangencommissie al wel eens gepleit voor zo'n 'eigen' bundel, maar dat was niet meer dan een zwakke poging. De omstandigheden waren er niet naar: pogingen tot contact met vrijgemaakt-gereformèerden en met de Geref. Bond in de Ned. Herv. Kerk waren op niets uitgelopen; aanvankelijke kontakten met de chr. geref. deputaten waren van hun kant afgebroken. Het was pas tijdens de op één na laatste vergadering van de gezangencommissie dat ik besloot een minderheidsrapport in te dienen en met het voorstel voor een eigen liedbundel te komen. Ook toen was er een directe aanleiding die mij verbijsterd deed staan over het gebrek aan geestelijk:onderscheidingsvermogen in onze kringen op het terrein van het kerklied - u moet het me maar niet kwalijk nemen dat ik me zo scherp uitdruk. Ik begreep dat zingen-uit-het-Liedboek met een selectielijstje in de hand al gauw zou leiden tot zingen-uithet-Liedboek zonder selectie, en dat veel dwaalgeesten in 'de vorm van het lied onze kerken zouden binnensluipen.
Ik voel me niet erg triomfantelijk om het feit dat ik daarin gelijl<:heb gekregen. Ook zijn mijn 'tranen' over een vervanging van het Liedboek door Liedboek-2000 geen 'krokodillentranen', zoals de Kuilenburgse schrijvers mij toedichten.
Ook in 1988heb ik gepleit voor behoud van het goede uit de liederenschat van de Kerk der eeuwen en van het goede uit het Liedboek voor de kerken. Die 'goede' liederen zong ik al met vreugde en hartstocht toen in veel van onze kerken het Liedboek nog niet eens was ingevoerd. Is het dan ongeloofwaardig dat ik, ondanks mijn bezwaren tegen invoering van het Liedboek als bundel, blij was een aantal van deze prachtige gezangen nu ook eens in de eredienst te kunnen zingen? En dat ik het als een trauma zou ervaren wanneer een aantal ervan uit de kerkelijke liedbundel zou verdwijnen omdat ze 'niet meer van deze tijd' zouden zijn? En dat ik juist een Reformatorisch Liedboek als het middel zie om deze liederen voor volgende generaties te behouden? In dit blad heb ik, naast enkele kritische series, in losse artikelen met liefde geschreven over mooie gezangen in het Liedboek voor de kerken. Dat waren toch geen krokodille-artikelen?

Geen' eigen' bundel
Er is trouwens een belangrijk verschil tussen mijn minderheidsvoorstel (als lid van de gezangencommissie) aan de L.V. van Dronten in 1988en mijn suggestie (als privé-persoon) aan de L.V. van Apeldoorn nu. Om de suggestie kracht bij te zetten dat ik alleen maar mijn zinnen op een eigen bundel heb gezet, schuiven de Culemborgse schrijvers mijn beide voorstellen ineen. Zij schrijven: "In het laatste artikel immers ontvouwt Klein een compleet scenario voor een eigen bundel - met het oog op deze tijdelijke bedeling in ringband gestoken - waarin wij Nederlands gereformeerden het reformatorische erfgoed van de ondergang redden en waarmee wij christelijk gereformeerden en vrijgemaakt-gereformeerden naar het apostolische woord (Rom. 11,14) nog tot jaloersheid kunnen wekken: zij kunnen dan ieder hun eigen liederen in de met het gemeenschappelijk stamdeel nog niet van kaft tot kaft gevulde ringband invoegen." Ongetwijfeld geestig, maar is het een eerlijke weergave van mijn woorden? Wie mijn laatste artikel op dit punt naleest, ontdekt dat ik het volgende heb geschreven: "In het gemoedelijke leven van de Ned. Geref. gezangencommissie deden zich twee incidenten voor: twee minderheidsvoorstellen aan de LV's van Breukelen 1981resp. Dronten 1988. De eerste, van Melis Lok, drong aan op een Schriftuurlijke 6liedbundel.
i.s.m. andere reformatorische kerken; de tweede, van Johan Klein, op een volwaardige eigen bundel (waarin het goede uit het Liedboek zou worden opgenomen) die andere reformatorische kerken (nu nog niet rijp voor samenwerking) tot jaloersheid zou kunnen wekken." Dat sloeg dus op de situatie van 1988 en niet op die van nu, zoals de schrijvers suggereren. Dat ik toén pleitte voor een eigen bundel en niet - zoals Mei is Lok zeven jaar eerder - voor een reformatorische bundel samen met chr.
gereformeerden en vrijgemaakten, had te maken met het feit dat onze pogingen tot samenwerking op dat moment waren stukgelopen. Maar wat schreef ik, in hetzelfde slotartikel, over de situatie van nu? Het volgende: "Moeten we het alléén doen of samen met andere reformatorische kerken? Is de tijd nu wèl rijp voor samenwerking? Ik denk dat we het werk alvast moeten opstarten. Maar ik zie op vrij korte termijn al mogelijkheden tot samenwerking met de vrijgemaakt-gereformeerden. Hier is dus geen sprake meer van 'tot jaloersheid wekken', maar gewoon van 'samenwerken', al kunnen we vast aan het voorbereidende werk beginnen. Mijn laatste indruk (op korte termijn al mogelijkheden tot samenwerking met de vrijgemaakt-gereformeerden) werd naderhand bevestigd door een vrijgemaakt-gereformeerde predikant die mijn artikelen reeks met instemming had gelezen. Ook met chr. geref. kerken zie ik wel een of andere vorm van samenwerking tot stand komen. Een chr. geref. predikant schreef me: "Ik heb uw artikelen met veel instemming gelezen en zal er melding van maken bij Deputaten."
Ook het Liedboek voor de kerken is niet ontstaan doordat de deelnemende kerken van het begin af aan op hoog niveau samenwerkten - het was een langzaam proces, waarin de samenwerking groeide. Ook zolang er nog geen sprake is van samenwerking op het hoogste niveau, moeten naar mijn inzicht deskundigen uit alle drie de kerken bij de vorming van een reformatorisch liedboek betrokken worden.
Ik hoop dat op de L.V. de uitdrukking 'eigen bundel' niet valt, maar dan zal worden gesproken over de vraag: een reformatorisch liedboek of niet? In mijn visie staat de L.V. voor de keuze tussen een zeer moeizame vorm van samenwerking met hervormden, synodaal-gereformeerden, luthersen, doopsgezinden en remonstranten of (een eveneens moeizame) samenwerking met vrijgemaaktgereformeerden en christelijke gereformeerden. In beide gevallen zijn er gerede twijfels aan de haalbaarheid.
Naar mijn inzicht is de keuze niet in de eerste plaats een praktische, maar een principiële. Laten we alstublieft voor onze Landelijke Vergadering bidden.

Mijn motief
Tenslotte: onder de kop 'Kwade suggestie' schrijven Holwerda en Willigenburg het volgende: "Zozeer heeft Klein zijn zinnen gezet op die eigen bundel- terloops, als over een ander schrijvend, brengt hij in herinnering hoe hij al op een eerdere L.V., toen de kerken kennelijk nog niet tot de jaren des onderscheids gekomen waren, deze optie bepleitte - dat een bundel waarvan nog geen eerste ontwerp gemaakt is (bedoeld wordt: Liedboek-2000, JHK) al volstrekt ondeugdelijk bevonden wordt."
De bedoeling van de schrijvers is duidelijk: ik wil zo graag een reformatorisch liedboek, dat ik elke concurrent, dus ook een Liedboek-2000, bij voorbaat verdacht maak. De schrijvers vragen zich echter niet hardop af waarom ik zo graag een reformatorisch liedboek wil. Kennelijk beschouwen ze dat als een axioma waar geen nadere verklaring voor nodig is - of ze denken er het hunne van. Zal ik het dan zelf maar zeggen? Mijn hart gaat uit naar een reformatorisch liedboek, omdat ik geen vertrouwen heb in wat ons uit de 'grotere' kerken wordt aangeboden. Ik wil de toekomst van onze gemeentezang niet graag verbonden zien met die van de Verenigde Protestantse Kerk. We hebben via het Liedboek al voldoende dwaling zien binnensluipen, dat hoeft via een Liedboek-2000 niet tweeduizend maal erger te worden. Daar wil ik graag een alternatief tegenover stellen. Het gaat om de vraag hoe je de theologische ontwikkelingen in de grotere kerken taxeert en of je al dan niet oog hebt voor allerlei wind van leer die in de vorm van liederen bij ons binnenwaait.
Voor zo'n discussie is het niet nodig dat je elkaars standpunt belachelijk maakt, maar dat je elkaars inzichten beproeft. Dan is er de open en eerlijke discussie waar Holwerda en Willigenburg naar toe willen en waaraan ze in het tweede deel van hun artikel een bijdrage hebben geleverd.
Op dat tweede, inhoudelijke, deel hoop ik de volgende keer in te gaan.

Noten
1 38e jaarg. blz. 324: 'Liedboek-2000? Een reactie om het behoud van de algemene christelijke kerk'.
2 38e jrg. blz. 360: 'Erfgoed in ringband? Over lied en toe-eigening des heils'.
3 38e jrg. blz. 382: 'Liedboek-2000?'.
4 Zie in het Compendium bij het Liedboek het artikel van W.G. Overbosch op blz. 1291: 'Hoe de 491 gezangen bijeengebracht zijn'.
5 Woordwerk, nr. 40, december 1992: 'Weerklank, Dichter en gemeente'.
6 Bij het nakijken van de stukken is me gebleken dat ik de heer Lok hier niet correct heb weergegeven. In zijn minderheidsvoorstel van 2 januari 1981 aan de Landelijke Vergadering van Breukelen gebruikt de heer Lok niet de term 'Schriftuurlijke liedbundel', maar de term 'reformatorische gezangenbundel'! Ik ben dus niet de eerste.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief