Pas door de dood heen rechter

1994-11-04
  • Jaargang 38
  • nummer 22
De problemen
De tekst die ik hierboven liet afdrukken, is wel een van de meest duistere plaatsen uit het Nieuwe Testament. In zijn voortreffelijk commentaar op het Johannes-evangelie, met grote kennis van zaken, met alle zorgvuldigheid endat vooral ook - met gepaste eerbied geschreven, geeft prof. Ridderbos duidelijk blijk zich de moeilijkheden van deze passage bewust te zijn: "... hoe moeilijk deze (verzen) ten dele (vs. 25b) ook te vertalen en in hun strekking in dit tekstverband te verstaan zijn (vss. 26-27)".1 Hij vermeldt daarbij, dat Bultmann "na een uitvoerige analyse van een non liquef spreekt 2.
Zelf oordeelt Ridderbos: "Jezus' wederwoord in vs. 25b kan waarschijnlijk het best als rhetorische vraag worden vertaald: "wat spreek Ik eigenlijk nog tot u?", waarin Hij de uitzichtloosheid om nog langer met hen in gesprek te blijven, tot uitdrukking brengt". Maar dan vervolgt hij: "De eerste woorden van vs. 26 ("veel heb Ik over u te zeggen en te oordelen") zijn, als voorzin van het daarop volgende: "maar die Mij gezonden heeft" etc., moeilijk uit te leggen". En daarmee zijn de voornaamste twee problemen blootgelegd waarvoor deze tekst ons stelt.

Uitroep
Nu meen ik enkele aanwijzingen te zien voor de richting waarin we de oplossing ervan moeten zoeken.
Om te beginnen doen we m.i. de griekse tekst iets meer recht, als we v. 25b als volgt vertalen: "Dat Ik überhaupt nog met u praat!" Zakelijk ligt dat niet zo ver af van de weergave van Ridderbos. Alleen gaat het hier dan niet zozeer om een rhetorische vraag als wel om een zeer geëmotioneerde uitroep. Een uitroep waarin Jezus aan zijn bevreemding over eigen optreden lucht geeft: ,,'t Is toch te gek, dat Ik nog doorga met tegen u te praten! Ik zou eigenlijk met discussiëren nu wel eens mogen kappen!"

Een tweede tegenstelling
Behalve de door 'maar' uitgedrukte tegenstelling tussen v. 26a en v. 26b, waarop Ridderbos de aandacht vestigt, is er dunkt mij ook een tegenstelling tussen v. 25b en v. 26a: in v. 25b is sprake van een 'praten met', in v. 26a van een 'praten over'. En dat 'praten over' krijgt een heel bepaalde kleur tegen het licht van het daarmee gecombineerde ('en') '(ver)oordelen,'. 'Praten over' is hier dus m.i. zoveel als: over iemand een boekje opendoen; vertellen, wat hij op zijn kerfstok heeft; hem aanklagen, om zijn veroordeling te bewerkstelligen. Als ik de tekst goed begrijp, komt hier bij Jezus een hevig verlangen boven, nu eens te stoppen met de discussie met de joodse leidslieden, en in plaats daarvan het proces tegen hen te beginnen. Hij heeft immers al veel belastend materiaal over hen verzameld.

Wat Jezus weerhoudt
Echter: van het uitvoering geven aan dat verlangen weerhoudt Hem de weerteentig) heid van zijn Zender: "maar die Mij gezonden heeft, is waar(achtig), en wat Ik van Hem gehoord heb, dat spreek Ik tot de wereld" (vs. 26b).
Jezus weet zich dus, als ik Hem goed versta, tot verder praten met de wereld (d.i. het jodendom) gehouden door de waar(achtig)heid van zijn Zender, d.i. van zijn Vader (vgl. vs. 27). Wat dat betekenen moet, wordt wellicht duidelijker, als wij Paulus in Rom. 15 een oproep "de gevoeligheden der zwakken te verdragen en niet onze eigen zin te doen" (v. 1) zien motiveren met de woorden (v. 3): "want ook Christus heeft niet zfjn eigen zin gedaan, maar van Hem gold het Schriftwoord 'De smaadwoorden van hen die U smaden kwamen op Mij neer' (Ps. 69,10)". Even verderop verduidelijkt de apostel zijn woorden als volgt: "Ik bedoel namelijk, dat Christus terwille van de waar(achtig)heid Gods zich als dienaar van de besnijdenis heeft gedragen, om de beloften, aan de vaderen gedaan, te bevestigen" (v.8). Hier tekent Paulus ons Christus als een die zijn eigen zin opzij zette, om zich ten dienste te stellen van mensen aan wie God zich, door zijn belofte aan hun vaderen, verbonden had. Hij liet zich door zijn Vader zenden naar een al van ouds ongehoorzaam en tegensprekend volk (vgl. Ez. 2). Niet omdat Hij het daar zo naar zijn zin zou krijgen - integendeel! - maar omdat dit volk door God bemind was om der vaderen wil (Rom. 11,28). Om God zijn woord, tegenover Israëls vaderen gedaan, te laten houden - dat betekent hier in Rom. 15,8 'ter.wille van de waar(achtig)heid Gods' - dáárom heeft Jezus zo'n tegenspraak van zondaren tegen zich verdragen' (Hebr. 12,3).

Tot het bittere einde
En hoe lang moet Hij dat volhouden? "Hoe lang moet Hij nog bij hen zijn; hoe lang hen nog verdragen?" (Mt. 17, 17).
Ook op die vraag geeft onze tekst antwoord, als we even verder lezen. De woorden van Jezus in vv . 25.26 krijgen nl. na een uitleggende inlas van den evangelist ("Ze hadden niet begrepen, dat Hij met 'die Mij gezonden heeft' zijn Vader bedoelde", v. 27) nog een vervolg in vv, 28.29: "Wanneer gij den Zoon des mensen verhoogd hebt, zult gij inzien, dat Ik ben en niets uit Mijzelf doe, doch dat Ik dit spreek, gelijk de Vader Mij geleerd heeft". "Wanneer gij den Zoon des mensen verhoogd hebt": Jezus zal zijn opdracht van den Vader aan hen vervuIlen, tot ze Hem ter dood brengen aan het kruis. Dan pas zullen hun ogen ervoor opengaan, dat Hij één is met Jahwe ("zult gij inzien, dat Ik ben"). Zijn dood pas geeft Hem de volle kans te laten zien, dat Hij het Leven is, doordat Hij namelijk opstaat. Dan demonstreert Hij onweerlegbaar, dat "zoals de Vader leven in Zichzelf heeft, ook de Zoon leven in zichzelf heeft" (Jh. 5, 26). En eerst dan komt ook de weg vrij voor het gericht van den Zoon des mensen (Jh. 5, 27).

Een parallel bij Lucas
Dit woord, dat Johannes ons van Jezus vastlegt, lijkt mij een opvallende parallel te hebben bij Lucas, en wel in 12,49.50: "Vuur ben Ik op de aarde komen werpen. En als het nu maar eens ontvlamde!
Wat zou Ik dat graag willen! Maar Ik heb nog een doop te ondergaan.
En hoe beklemt Me dat, zolang Ik die nog niet heb doorgemaakt. "
We zien daar, evenals hier, dat Jezus het programma van zijn Vader niet 'gladjes' heeft afgewerkt. Het heeft Hem innerlijke strijd gekost. Hij heeft gehoorzaamheid geleerd uit wat Hij te lijden kreeg (Hebr. 5, 8). En zo hebben wij een hogepriester, die in alles net als wij verzocht is geweest, maar zonder te zondigen (Hebr. 4, 15).
Eens wilden Jacobus en Johannes, dat vuur van de hemel op de hen onheus bejegenende Samaritanen zou neerdalen, om die te verteren (Lc. 9, 54). Jezus zal dat hebben kunnen verstaan. Zelf popelt Hij af en toe kennelijk ook, om de oordeelsfakkel erin te gooien. Toch bestraft Hij zijn beide leerlingen (v. 55). Zij roepen. te vroeg om een strafgericht. Tegenover de Samaritanen zelfs véél te vroeg. Maar ook zijn eigen neiging bedwingt Hij hier. Ook tegen zijn eigen volk mag Hij dit wapen nu nog niet hanteren. Hij zal de beker die de Vader Hem reikt, tot de bittere droesem van de dood moeten leegdrinken, wil Hij de wereld rechtvaardig kunnen oordelen.

Noten
1. Dr. Herman Ridderbos, Het evangelie naar Johannes, deel 1, Kampen 1987.
2. D.w.z.: het is niet duidelijk.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief