Nostalgie

1994-11-04
  • Jaargang 38
  • nummer 22
Mijn nichtje, die al jaren met haar zendeling in Zuid-Afrika woont, schreef mij vorig jaar april: 'Ik kom een paar weken naar Nederland. Als ik er ben bel ik je.
Kom jij dan een dag naar Zwolle, dan gaan we samen een nostalgische tocht door onze geboorteplaats maken.' Ik had daar wel oren naar. Op een bepaalde leeftijd krijgt geloof ik ieder mens dat gevoel van nog even terug te willen naar de jeugd. De oude straten door lopen. Voor een huis staan waar je gewoond hebt.
In Zwolle ben ik geboren en getogen. Toen ik twaalf was verhuisden we naar een andere plaats. Het vertrek uit de vertrouwde omgeving heb ik toen heel erg gevonden en het heeft ook lang geduurd voor ik mijn draai weer had.
Ik kwam voor 't eerst weer in Zwolle terug met een vrouwencontactdag.
Toen heb ik in de pauze wat door de oude binnenstad gelopen. Maar zoals in veel andere steden was ook hier gerenoveerd en sommige plaatsen waren onherkenbaar veranderd.
Een paar jaar later namen mijn ouders het besluit om er weer te gaan wonen. En sedert die tijd kom ik er regelmatig. Ik heb het gevoel dat ik hier thuishoor.
Met mijn kinderen heb ik door de Korte Kamperstraat gelopen waar mijn vader voor de oorlog zijn kleermakerij had. Mijn oudste broer en ik zijn er later geboren. 'Wat een buurt en wat een straat' was het commentaar van mijn kroost. Ach laat maar, denk ik. Zij lopen over twintig, dertig jaar door Krommenie, zoals ik nu door Zwolle loop.
Op de dag die ik met mijn nichtje had afgesproken nam ik de trein naar Zwolle, en ontmoette haar daar op. het perron. Om bij te praten dronken we eerst koffie en na een uurtje doken we de binnenstad in. Nou, ik heb het geweten dat zij erbij was! Want ik durf niet zomaar aan te bellen en te vragen: 'Mevrouw, ik heb hier vroeger gewoond, zou ik nog 'es even mogen kijken?' Maar zij wel! En in haar kielzog ben ik dus in mijn geboortehuis geweest. Dit huis, waar zij en haar ouders gingen wonen toen wij naar de Melkmarkt verhuisden. Dus ze wilde hier ook nog wel eens even naar binnen. De eigenaar van het pand - nu een stomerij - onthaalde ons op koffie, koek en verhalen. Het huis stond op de lijst van monumentenzorg en mocht niet worden afgebroken.
Hij had ook een papier van het stadsarchief, waarop stond wie er in de loop der jaren allemaal hadden gewoond. Daar kwamen uiteraard de namen van onze vaders op voor.
'Ik zou die griezelige kelder nog wel eens willen zien als die er nog is,' zei mijn nichtje. 'Wilt u dat echt mevrouw?
Nou dat kan hoor, komt u maar .mee'. En zo stonden we even later in die werkelijk griezelige kelder. En daar schoot me het verhaal te binnen dat ik ooit eens aan mijn kinderen, en later op de Vacantiebijbelschool heb verteld.
Het verhaal van Reinier van Swol die zijn kostbare schat (een bijbel natuurlijk) verborg in een van de onderaardse gangen van de Zwolse binnenstad. Die onderaardse gang kwam dan uit in de kelder van ons huis. En wij als kinderen hadden een belangrijk aandeel in de opsporing van die schat.
Onze Statenbijbel had ik voor de gelegenheid meegenomen, met een heel 'oud' vergeeld perkament erin (zelfgemaakt) waarop enkele brokstukken van Reiniers boodschap aan de eerlijke vinders.
De kinderen waren diep onder de indruk en vonden dat ik maar spannende dingen had beleefd, vroeger. Het verhaal was natuurlijk grotendeels fantasie.
Bovendien las ik in die tijd onze kinderen achter elkaar 'Snuf de hond' boeken voor. Heel erg origineel was het dus niet. Maar die kelder! Brr ... We nemen afscheid van de eigenaar van het huis en gaan verder de straat uit, terwijl mijn nichtje links en rechts foto's neemt. 'Meid wij hebben gewoon niet beseft dat wij in zo'n historische omgeving zijn opgegroeid', zegt ze.'Ga hier even staan, dan neem ik jou met de Peperbus op de achtergrond.' De Peperbus. 's Avonds kon ik vanuit mijn bed de verlichte wijzerplaat van die toren zien. Dat gaf je altijd zo'n vertrouwd gevoel.
Op de Grote Markt klampt mijn nichtje een wildvreemde mevrouw aan met de vraag of ze ons samen even wil fotograferen. Natuurlijk wil ze dat. We lopen verder naar de Schoutenstraat. Hier staat wat nog overgebleven is van onze oude lagere school. En weer gebeurt wat ik niet durf, maar al jaren graag wil: naar binnen. Twee schoollokalen, de vierde en de vijfde klas zijn nog redelijk in de oude staat. Ze worden als kinderdagverblijf gebruikt, en zijn voor dat doel aangepast. Maar de ramen zijn niet veranderd en met een beetje fantasie kan ik de schoolbanken en het bord erin denken. En hier staan wij, Ytje en Ytje, ooit door de meester ver uit elkaar gezet vanwege onafgebroken geklets. Alleen, waar zijn al die andere leerlingen gebleven? We lopen terug langs de Sassenstraat en het Grote Kerkplein naar de Luttekestraat.
Hier is de winkel van Jülf Albers, die ooit bij ons in de klas zat.
Zou Jülf achter de toonbank staan? Ik loop achter mijn ondernemende nicht aan naar binnen. Helaas, hij is geen eigenaar meer van deze zaak. We lopen nog even het nauwe steegje door naar de Ossenmarkt. Alleen·maar om nog eens in de katholieke kerk te kijken. Hoe vaak zijn we hier niet stiekem naar binnen gelopen, vooral in de kersttijd, om naar het stalletje te kijken. Totdat de pastoor ons ontdekte en wegjoeg. Op de trap bij de zijdeur van de kerk peuzelen we ons brood op. De zon schijnt, mijn nichtje neemt nog een paar foto's. Dan lopen we in de richting van het station.
Als ik in de trein zit bedenk ik hoe goed het is om met iemand die zo verweven is met je vroegste herinneringen langs oude, nooit vergeten straten te gaan. Je hebt een tijd met elkaar opgetrokken. Dan gaan je wegen uitéén. Na jaren pak je de draad weer op. En dan ontdek je dat je beiden, na zoveel uiteenlopende ervaringen en leefsituaties, eigenlijk helemaal niet veranderd bent. Het vertrouwde en herkenbare is er nog steeds. Er ging niets verloren, er werd alleen maar toegevoegd.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief