Christelijke politiek na (niet naar) artikel 36 NGB
1994-05-20
Over 'goed' en 'god'- Jaargang 38
- nummer 10
Er is heel wat te doen geweest over de opmerking van de minister Hirsch Ballin dat het er met een regering zonder het CDA voor bijvoorbeeld mongoloïde kinderen minder goed uit gaat zien. Daar is geweldig fel op gereageerd door de andere partijen, die zich afvroegen of soms het CDA het monopolie op de moraal had. Inderdaad had de minister zich wel wat voorzichtiger kunnen uitdrukken. Het zijn niet alleen de christenen die de moraal in pacht hebben. Zonder moeite zou erkend kunnen worden dat alle partijen in Nederland, met uitzondering van die van de heer Janmaat, moreel hoogstaand zijn en het met de moraal serieus bedoelen. Maar waarom hoor je van CDA kant nu niet een verhaal als dit: 'Mensen, wij allen delen dezelfde of nagenoeg dezelfde opvattingen over normen en waarden.
Maar gevraagd naar het eigene van ons CDA brengen wij dit in het midden: Wie A zegt, moet ook B zeggen; wie 'goed' zegt, moet ook 'God' zeggen.
Wij vinden dat wij voor het goede God nodig hebben, zijn kracht, zijn Geest.
Wij zeggen daarbij niet: Kijk daarvoor maar naar ons gedrag, in onderscheiding van dat van anderen, nee, wij zijn met dezelfde zwaktes behept als ieder ander, maar wij belijden en voelen het zo, dat wij voor het goede God niet kunnen missen. Jullie mogen dat ons testimonium paupertatis, onze verklaring van onvermogen noemen, maar zo is het nu eenmaal. Hoe jullie anderen dat hebben, die zeggen deze verworteling van het goede in God te kunnen missen, dat is jullie zaak. Wij belijden dat het zonder Hem niet kan.
En dat zeggen we in de politiek ook hardop en we spreken inderdaad onze zorg uit als wij zien dat dit gezichtspunt uit de landspolitiek bezig is te verdwijnen. Onze Meester heeft het ergens over een rechter die God niet vreesde en geen mens ontzag. Daarmee leert Hij ons dat er tussen die twee een niet direkt zichtbare en toch zeer reële verbintenis bestaat. Dat waar het met de Godsvrees niet goed gaat, het ontzien van mensen op de duur ook niet zal floreren. En daarom stáán wij voor publieke Godsvrees in de samenleving'. Dit of een soortgelijk verhaal, waarom hoor je dat van de kant van het CDA niet? Ik heb twee publieke gesprekken gevolgd, waarin noch de heer Brinkman noch mevrouw Van Rooy deze belijdenis (want dat is het) uit de keel te trekken was, ook niet toen hun wat dit betreft het vuur na aan de schenen werd gelegd. Elke verwijzing naar God ontbrak, alsof 'God' een vies woord was. Door zo, bij het opkomen voor normen en waarden, de terugkoppeling van 'goed' naar 'God' als het specifiek eigene van de christelijke politiek achterwege te laten wek je metterdaad de indruk de alleenbezitter van de moraal te zijn.
Dat men daar fel op reageert, is niet alleen begrijpelijk maar zelfs terecht.
Het gemeenschappelijke van de religies
Wel geloof ik dan verder dat je er in de politiek voorzichtig mee moet zijn van het woord 'God' een specifiek christelijke invulling te geven. Je zult op dat gebied toch vooral voor een meer algemene Godserkenriing moeten werven. Dus zo dat ook mensen van niet-christelijke religies daarin mee kunnen komen. De verschillende religies, hoe verschillend ze ook zijn, hebben namelijk dingen gemeenschappelijk. De eerbied voor God is zo'n gemeenschappelijke trek.
Zo horen we Mozes in het boek Deuteronomium van het volk Amalek zeggen dat het God niet vreesde (25:18). Dat zei deze godsman bepaald niet van alle volken zonder onderscheid. Het feit dat hij het met redenen omkleed van één met name genoemd volk vaststelt, wijst eerder op het tegendeel. De Godsvrees (moeten wij zien) deelde Israël steeds met meerderen. Abraham zag daaraan voorbij toen hij tegenover Abimelech loog, denkend: Wellicht is er geen vreze Gods in deze plaats (Gen. 20:11). Die was er wèl, zoals uit het hele verhaal blijkt. Dat nu deze Godsvrees speciaal aan Amalek ontzegd wordt, heeft zijn reden. Met afschuw beschrijft Mozes Amaleks inhumane gedrag gedurende Israëls tocht door de woestijn, 'hoe hij u onderweg tegenkwam en al de zwakken in uw achterhoede afsneed, terwijl gij vermoeid en uitgeput waart, en hoe hij God niet vreesde'. Let wel, het wordt Amalek niet kwalijk genomen dat het de God van Israël niet vreesde (hoe zou dat ook gekund hebben in dit vroege stadium van Israëls geschiedenis?), nee, het gaat hier over het rekening houden met God in het algemeen en dat dat een zekere garantie van humaniteit inhoudt. Zoals ook Jozef, 'vermomd' als Egyptische onderkoning, geruststellend tegen de zoons van Jakob kan zeggen: 'Ik vrees God' (Gen. 42:18). Welnu, dit gegeven van een algemene Godsvrees zou ik in de maatschappelijke situatie van vandaag, met een godsdienstige pluraliteit in ons land, politiek vruchtbaar willen maken.
Ondanks de grote verschillen
Met godsdienstige onverschilligheid heeft dat niets te maken. Tenminste, dat hoeft niet. Ook van onze Here Jezus is een gesprek bekend met een Joodse wetgeleerde waarin zij beiden tot een prachtige overeenstemming komen inzake het grote gebod van de wet (Markus 12:28ev). Je mag dat rustig uitbreiden en zeggen dat het hier over een eenstemmigheid gaat tussen christendom en jodendom.
Beide godsdiensten zijn het in hun beste vertegenwoordigers immers wel eens over de vraag wat de Here God van ons wil. Toch zijn deze twee religies tegelijk zeer verschillend. De aanhangers van de ene kun je 'zonen van het gebod' noemen (denk aan het Bar Mitswah, 'Zoon van het Gebod', de rite waarbij de Joodse jongen religieus mondig wordt) en die van de andere 'kinderen der belofte' (Gal. 4:28). Dat maakt nogal wat uit. Christus gaat in dat gesprek om dit grote verschil dan ook niet heen. Want nadat Hij met de wetgeleerde over het grote gebod tot eenstemmigheid gekomen is, zet hij het gesprek voort ('Hij antwoordde...', heet dat in de taal van het evangelie) met de vraag: Wat dunkt u van de Christus? Wiens zoon is hij?
Het pikante van wat Jezus hier te berde brengt is dat de messias degene zou zijn die de wet vervulde. Ik leg zijn vraag zo uit: Voor het verstaan van Gods wil zijn wij het wel eens, beste kollega rabbi, maar wat de vervul-ling en het nakomen ervan betreft, volstaat daarvoor nu echt alleen het menselijk potentiëel, dat in de glorienaam 'Davids zoon' hoog ligt opgetast óf is er iemand nodig die behalve 'spruite Davids' ook nog 'wortel Davids' is? Iemand die natuurlijkerwijs op David volgt maar geestelijkerwijs aan hem voorafgaat en boven hem staat? Iemand die Davids Zoon en tegelijk Davids Heer is? Iemand die met recht en reden kan zeggen: Eer David was, ben Ik? En is derhalve de gehoorzaamheid aan het gèbod niet meer een geschenk van boven dan een prestatie van beneden? En heeft daarom een oriëtatie op de belofte geen voorrang op die op het gebod?
Het valt niet te ontkennen: jodendom en christendom gaan opdit punt beslissend uiteen. En in de kerkelijke prediking en katechese moet dat er dan ook zeer duidelijk uitkomen. Maar in de politiek mag op die eenstemmigheid ter zake van het gebod (de norm) wel terdege een beroep worden gedaan.
En zo ligt het, met verandering van wat veranderd moet worden, ook met de andere godsdiensten onder ons, zoals de islam, het hindoeïsme en het nieuwe tijdsdenken.
Geen neutrale overheid
Het gaat er bij dit alles om dat wij de overheid, die godsdienstig zeer terughoudend moet zijn, niet tot godsdienstige neutraliteit mogen laten afzakken.
Godsdienst is een veel te belangrijk levensingrediënt dan dat een overheid op dit gebied de geheelonthoudster zou kunnen spelen. Op de hoogtepunten van ons volksleven mag het noemen van de naam van God niet ontbreken. Houdt bijvoorbeeld de minister-president op de dag van de bevrijding een toespraak, dan moet de dank aan God voor de vrijheid die wij als volk mogen genieten, gehoord worden. De heer Lubbers heeft daarvoor heel wat gelegenheden laten voorbijgaan. Ik begrijp het wel, hij was natuur-lijk bang dat hij er te christelijk mee zou overkomen en was zich bewust dat hij als christen niet het gehele volk vertegenwoordigde. (Eigenaardig trouwens dat hij met zijn stemadvies ten aanzien van de heer Hirsch Ballin en zijn scherp verwijt aan de heer Van Tijn plotseling zijn voorzichtigheid aflegde en met een bruuske inhaalmanoeuvre bezig leek. Plaagde hem zijn geweten misschien? Je ziet het wel vaker dat mensen op het scheiden van de markt een overmaat van beslistheid bereiken.) Ik denk dat hierover in onze plurale tijd meer duidelijkheid moet komen. Christenen moeten in de politiek hun religieuze schroom afleggen. Ze kunnen daarbij een voorbeeld nemen aan onze koningin die zeker niet van een overdaad op dit gebied te verdenken valt, maar die toch op goed uitgekiende momenten (zoals we dat van de Oranjes gewend zijn) een verwijzing naar God afgeeft en wel zodanig dat ook andersgelovigen zich daarin kunnen vinden en zich daaraan kunnen optrekken. Christelijke politiek kan niet hierin opgaan dat we ons druk maken voor dingen die alleen maar samenhangen met het geloof, zoals 'normen en waarden', publieke gerechtigheid, zorg voor het milieu, enzovoorts. Doen ook de nietgelovigen niet alzo?, zou daarvan gevraagd kunnen worden. Je beledigt die niet-belijders onnodig door dit van ze af te pakken. Maar dat kwetsende is er niet als je voor het strikt religieuze opkomt. Voor godsdienstige politiek is het noemen van God bij gepaste gelegenheden onopgeefbaar. Zoals bij de eed. Van een christelijk partijprogram mag verwacht worden dat het het eedzweren bevordert en dat het de vervanging van de eed door een belofte expliciet bestrijdt. Zweren is een van de weinige gelegenheden waarbij Gods naam in een piuraai godsdienstige samenleving zinvol ter sprake kan worden gebracht. Let wel, het gaat daarbij om het noemen van enkel God; nadere invullingen van dit woord, vanuit deze of gene godsdienst, moeten daarbij noodzakelijk achterwege blijven, hoe graag je dat vanuit je eigen geloof ook zou willen. Het gaat om het levend houden van een algemeen Godsbesef. Reeds Abraham Kuyper zocht naar een politiek (raads)gebed dat ook door Joden kon worden meegebeden.
Hij wist dan ook religie en politiek goed te onderscheiden, zonder ze geheel te scheiden. In dat spoor moeten we verder. Kuyper gaf met de door hem geïnspireerde ingreep in artikel 36 NGB de juiste richting aan, al bleef hij als kind van zijn tijd nog halverwege in de formuleringen daarvan steken. Ik schreef vorige keer op het laatst van mijn artikel dat in een tijd waarin ons volk religieus piuraai is geworden, de taak van de overheid er, ook vanuit christelijk oogpunt, heel anders uit moet gaan zien dan het besproken artikel 36 van de NGB aangeeft.
Ik voelde mij nu verplicht aan dat 'heel anders' een begin van invulling te geven.
Vandaar dit vervolgstuk, waaruit overigens het CDA kan opmaken dat ik een even lastige klant van hen zal zijn als ik tot dusver van het GPV ben geweest.