Braamstruik

1994-05-20
  • Jaargang 38
  • nummer 10
We zullen wat bramen geplukt hebben!
In Friesland, in Brabant, in het Rijndal!
Gewapend tegen dorens en muggen.
En dit alles om ons gezin van jam en sap te voorzien, de winter door. De lucht van het bramen-koken alleen al is een feest, en de smaak van het bramen-eten daarna...
Eén van mijn gemeenteleden gaf mij een braamstruik cadeau. Dat wil zeggen: een braamstek. Of het nu laat in het najaar was of vroeg in het voorjaar, weet ik niet meer. In elk geval was het maar een nietig dingetje.
"Voorlopig een beetje nat houden", zei de goede gever, "en in november de dooie takken wegsnoeien".
Ik pootte het stekje tegen de coniferenheg, veilig afgeschermd tegen wind uit het westen en kou uit het noorden.
Jaren geleden zei een boer van wie ik aardbeiplanten kreeg: "Je gooit er in augustus een beetje koeiestront bij, dominee, en dan zul je volgend jaar eens zien!" Wat goed was voor de 'aardebeien' zal ook wel goed zijn voor de bramen, dacht ik, en dus pootte ik ze behalve in de luwte ook in de koe iestront.
Bamboestokken had ik ook al laten aanrukken, want zo'n braamstruik moet toch ergens steun aan hebben, nietwaar? Eén stok erbij - dat zou voorlopig wel voldoende zijn. En dat was het ook. Het stekje werd een stek. Er kwamen een paar bloemetjes aan.
Daar kwamen een paar miezerige braampjes van. Intussen was er een nieuw scheutje uitgegroeid: "Eerst aan de toekomst denken, dan aan het heden", schijnt zo'n plant te denken.
Herfst kwam, het werd november, en ik snoeide het dode takje weg. En dat was dan dat. In het nieuwe seizoen zorgde ik voor de braamstruik z'n natje en z'n droogje. En er bloeiden trosjes bloemen en er groeiden trosjes bramen aan het nieuwe scheutje. Niet veel, maar meer dan vorig jaar. En zuur dat ze waren! "Ja", zei mijn goede gever desgevraagd, "wilde bramen zijn wel zoet maar ook klein; déze braam is wel zuur maar ook heel groot". Nou, in zijn tuin was dit ook wel zo, werkelijk ongelofelijk wat daar aan trossen grote zwarte bramen hangt te hangen! Maar bij mij leek het er nog niet op. Maar ook dit tweede jaar had de plant vóór het heden éérst aan de toekomst gedacht.
Weer was er inmiddels een nieuwe scheut uitgegroeid - steviger, groter en vooral langer dan zijn voorganger. De andere bamboestokken in de schuur werden onder de wapenen geroepenrechtop, over dwars en schuin, ik maakte er een stevig hekwerk van.
Want de scheut groeide en groeide meters heen en meters terug, en een zijscheut groeide en groeide meters heen en meters terug. Niet te kort! Ik moest er zelfs een eind aan maken omdat mijn hekwerk niet toereikend was. Herfst kwam, het werd november, en ik snoeide de dode tak weg. Het tweede jaar. Weer een nieuw voorjaar: dat had je moeten zien! De scheut (meters heen en meters terug) en de zijscheut (meters heen en meters terug) begonnen uit de lopen: trossen en trossen lila-witte bloemetjes! Ik probeerde ze te tellen, en daar was wel een beginnen maar geen eindigen aan. En toen we eind augustus van vakantie terugkwamen, trossen en trossen dieprode bramen! Onderaan elke tros een rijpe zwarte braam. En toen mijn handen er langsgegaan waren, had ik al een schaaltje vol grote glanzende bramen, het begin van een rijke oogst. Komende winter jam op de plank - voor het eerst van bramen uit eigen tuin. De braamstruik is inmiddels ook al weer aan het werk geweest voor de toekomst. Twee sterke lange scheuten die zo langzamerhand de hele tuin nodig hebben.
Dat belooft wat voor volgend jaar. Het hek van bamboestokken heb ik groter en steviger gemaakt. En ik ga door met pappen en nathouden. Met snoeien en plukken. Wat voor pastoraals er aan deze notitie is? Toen ik terugkwam van vakantie en toen ik die tientallen trossen zag en die grote rijpe bramen onderaan, was ik verwonderd en bemoedigd.
Verwonderd, dat de braamstruik zó zijn best had gedaan om te groeien, te bloeien en vrucht te dragen. Bemoedigd, omdat mijn kleine werk niet voor niets was geweest: "Zie je wel", dacht ik, "het is niet tevergeefs"...

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief