Vreemdelingen op doorreis
1994-05-20
Tijdens de laatste boekenweek stond de poëzie centraal. Dat blijkt schrijvers en uitgevers van dichtbundels geen windeieren te hebben gelegd. Eén van de twee dichtbundels die ik me voorgenomen had ter bespreking aan te schaffen, was in Groningen binnen vijf dagen uitverkocht. Gelukkig bleek een mijgoed gezinde Wageningse bereid in de boekhandel van haar, kennelijk minder erudiete, woonplaats het begeerde werkje te kopen.- Jaargang 38
- nummer 10
Twee dichtbundels dus, van Kees Stip en van Gerrit Komrij én twee boekenweekgeschenken, want naast de Stichting Collectieve Propaganda van het Nederlandse boek (CPNB) gaf ook het Christelijk Literuurkontakt (CLK) een speciaal voor de boekenweek geschreven boekje uit.
Eén adem
Laat ik maar met de deur in huis vallen: de CPNB heeft het beter gedaan dan het CLK. Het CLK is een vereniging van een aantal christelijke uitgevers die ieder jaar een alternatief boekenweekgeschenk aanbieden. Dit jaar is de keus gevallen op een vertelling van Ewoud Gosker, De Koninklijke Weg. In tegenstelling tot wat de uitgever op de achterflap van De Koninklijke Weg voorspelt, heb ik het boekje niet in één adem uitgelezen en had ik ook niet de neiging het nogmaals te lezen toen ik het dan eindelijk uit had.
De vertelling gaat over een man die samen met zijn vaderen zoon gevolg geeft aan de oproep van 'de' koning om naar het hof te komen. Snel wordt duidelijk dat we te maken hebben met een sterk allegorisch verhaal: de personen en ook de gebeurtenissen staan niet op zichzelf, maar verbeelden iets anders, een boodschap of een idee.
Het boek van Gosker is zo sterk allegorisch dat de lezer met het verhaat geen andere kant op kan dan waar Gosker hem wil hebben.
Niet geslaagd
De tocht van het gezelschap gaat niet over reizen. Allerlei verleidingen doemen op en dikwijls lijkt het erop dat ze het hof van de koning niet zullen halen.
Gosker heeft met dit verhaal de tocht van de mens naar het Koninkrijk Gods willen verbeelden. Eén van de middelen die hij aanwendt is de naamgeving van zijn personages. De hoofdfiguur heeft Gelovin, zijn knorrige vader Auwerd en zijn zoon Vivian. Deze personen staan voor de gelovige, de 'oude mens' en de nieuwe, levende mens.
Knaap
Het boek van Gosker kan niet wedijveren met het boekenweekgeschenk van de CPNB. Daarvoor is het te eendimensionaai en biedt het te weinig literair genoegen. Het verhaal is slechts op één manier te duiden; bovendien bevat het enkele storende inconsequenties en fouten, zoals de leeftijd van zoontje Vivian: in het begin van het boek lijkt het een knaap van ongeveer tien, twaalf jaar, later ontpopt hij zich als iemand die twintig is en meer verantwoordelijkheidsgevoel heeft dan zijn wankelmoedige vader.
In andere publikaties werd reeds gewezen op de vreemde wapenspreuk Ego vincit omnie, waar Gosker mee schijnt te bedoelen: Het ik overwint alles. De personages zijn zeer stereotiep en ook het impliciete beeld dat Gosker van God en de Koninklijke Weg schetst, lijdt aan dat euvel. Ook met de stijl van het boek is iets aan de hand.
Die houdt het midden tussen die van een historische roman en die van een avonturenboek voor jongeren van twaalf jaar. Deze vlees-noch-vis-stijl komt de leesbaarheld van het boek ook al niet ten goede. Kortom: het boek van Gosker is een goed bedoelde, maar mislukte poging het algemeen menselijk zoeken naar het Koninkrijk Gods literair te verbeelden.
Hella Haasse
Het boekje Transit van Hella Haasse is van een ander kaliber. Ook hier treffen we vreemdelingen aan die op doorreis zijn, maar in tegenstelling tot het boek van Gosker gaat het hier om mensen van vlees en bloed die voor onze ogen tot leven komen. Het verhaal draait om Xenia (een naam die 'vreemdelinge' betekent), een meisje dat, met twee vrienden, in de laatste klassen van de havo besloot niet het slachtoffer te worden van de burgerlijke cultuur. Ze verlieten de middelbare school en maakten plannen om de wereld te gaan zien, zonder afhankelijkheid van wie of watdan ook. Toen haar twee vrienden, Alma en Daan, een verhouding begonnen en niet meer op reis wilden, besloot Xenia, of kortweg Iks, dat ze dan maar alleen moest gaan. Ze leidt een zwerversachtig bestaan: af en toe wat geld bij elkaar werken en dan weer verder trekken. Als ze een tijd later, het trekken en zwerven moe, weer terug is in Amsterdam, raakt ze bij geval verzeild in een oud grachtenhuis, bewoond door een oude zonderling, Cluysman. (Ook indit boek treffen we betekenisvolle namen aan, maar ze zijn niet irritant, zoals in De Koninklijke Weg).
Bij deze kluizenaar, die al jaren zijn huis niet uit geweest is, krijgt ze gratis kost en inwoning tegen het verzorgen van de huishouding. Ze gaat, tussen de bedrijven door, op zoek naar haar oude vrienden, die op een akelige manier aan lager wal lijken te zijn geraakt.
Gelijkenis
Hoe langer hoe meer blijken er treffende overeenkomsten te zijn tussen Iks (Xenia) en Cluysman. Beiden hebben ze zich afgekeerd van het reguliere burgermansbestaan. Cluysman door zich terug te trekken in zijn culturele ivoren toren, met Bach en Breitner, Xenia door met een zelfgekozen zwerversleven zich afte keren van het 'gewone leven'.
Xenia helpt de oude man met hetop orde brengen van zijn papieren: in de 'woelige jaren zestig'schreef Cluysman aantekeningen verspreid over losse' bladen en papiertjes.
Xenia leest hem fragmenten uit zijn eigen werk voor. Cluysman bleek in de jaren zestig een gematigd idealist te zijn geweest, die thans zijn idealen kwijtgeraakt is, teleurgesteld als hij is in de radicalisering in de jaren zestig.
Ook hier blijken Xenia en Cluysman op elkaar te lijken: ze zijn allebei teleurgesteld in hun aanvankelijke idealisme.
Op doorreis
Na verloop van tijd brandt Xenia van verlangen om haar vroegere lotgenoten te vinden. Daan heeft ze al eerder een keer ontmoet, bij haar terugkeer in Amsterdam. Hij was totaal vervallen tot een langbaardige clochard. Door een onduidelijke oorzaak sterft hij en Xenia gaat opzoek naar Alma, die, naar verluidt, via baantjes als fotomodel in de prostitutie terecht gekomen is. Ze volgt haar spoor naar Antwerpen. De automobilist vraagt haar of ze soms op doorreis is. "In een flits zag ze zichzelf weer als een figuurtje in een stripverhaal of een tekenfilm: een klein zwart wezen, een mier, dun dapper insekt, op weg naar de confrontatie met een vormeloos glibberig monster dat zijn tentakels uitstrekt over de aardbol. De ware dimensies van de werkelijkheid bevonden zich achter de lijn van de horizon, onbekend, vreemd, dreigend - misschien levensgevaarlijk. Maar ze had, naar eigen oordeel, geen keus. Ze keerde zich naar de man aan het stuur. Ja, zo kun je het noemen. In transit."
Het is een aardig boekje, Transit. Wel is het zo dat Hella Haasse naar mijn mening wat te veel in nog geen honderd pagina's heeft willen stoppen. Er zijn een paar verhaallijnen die niet zo goed uit de verf komen, zoals een aantal gebeurtenissen uit Cluysmans verleden en de relatie tussen Xenia en haar vrienden. Dat geeft het boekje iets vluchtigs en oppervlakkigs, terwijl je bij lezing het gevoel hebt dat er meer in gezeten had. Maar als we een vergelijking maken met het boekje van Gosker, dan treedt Hella Haasse met Transit zegevierend uit het perk.
Fop met Stip
Tijdens de laatste boekenweek stond dit jaar de poëzie centraal. Twee verzamelbundels sprongen er echt uit; ik stel ze even kort aan u voor. Van de bekende plezierdichter (het woord zegt het al) Kees Stip - alias Trijntje Fop - verscheen Lachen in een leeuw, een zeer uitgebreide keuze uit ruim zestig jaar dichterschap. Lachen in een leeuw staat vol verzen waartegen geen slecht humeur bestand is. Hoofd moot van de bundel vormen de diergedichten die Stip onder de naam Trijntje Fop publiceerde. Ze staan in de afdeling 'Het grote beestenfeest'. Zoals:
Op een aalscholver
Aalscholvers denken allemaal: 'Kun je nog scholven, scholf dan aal.' Doch door de golven diep bedolven wil weinig aal zich laten scholven.
Zo scholft zo'n beest zich uit de naad terwijl het woord niet eens bestaat.
Stip kent ook zijn klassieken en zijn talen, zoals blijkt uit het befaamde 'Op een sidderaal':
Een oude sidderaal is zeker al vijf of zes jaar cocktailshaker.
'To shake or not to', sprak het beest, 'is altijd mijn probleem geweest.
Een shaker shaket alleen maar goed zolang zijn shakespier het nog doet'.
Komrij tot gisteren
Van Gerrit Komrij verscheen ter gelegenheid van de boekenweek de verzameling Alle gedichten tot gisteren. Een bundel die voor een deel bekostigd is uit het geld dat Komrij kreeg bij de toekenning van de P.C. Hooftprijs.
Vandaar dat dit mooie, gebondenboek van bijna vijfhonderd pagina's slechts vijfendertig gulden kost. Komrij schrijft veel vormvaste gedichten, sonnetten met name. Zijn poëzie viel bij zijn debuut in de jaren zestig op doordat ze afweek van de bekende cryptische gedichten van de vijftigers en hun navolgers. Zijn poëzie is begrijpelijk en ontmoette daardoor aanvankelijk veel achterdocht: veel lezers, en vooral critici, denken dat een gedicht dat leesbaar en begrijpelijk is, een slecht gedicht is en dat cryptogrammen op rijm goede gedichten zijn. Met deze mythe rekende Komrij af, met zijn eigen gedichten en met zijn beroemde bloemlezing. De Nederlandse poëzie van de 19e en 20e eeuw in 1000 en enige gedichten, waarin de vijftigers weggevaagd werden. In Alle gedichten tot gisteren staat nu alles wat Komrij aan gedichten tot dusverre gepubliceerd heeft. Leuk is deze actuele aanpassing van Marsman:
Denkend aan Holland
zie ik waardepapieren
snel door begerige
vingers gaan
en wat er verder volgt in 'De binnenring van Holland'.
Alle gedichten tot gisteren is een mooi boek voor weinig geld. De vraag is alleen of het niet reeds uitverkocht is.
N.a.v. Ewoud Gosker, De Koninklijke Weg, Uitg. De Vuurbaak, Barneveld, 89 blz., CLK-aktieboek 1994, f 9,95; Hella Haasse, Transit, Uitg. CPNB, Den Haag, 92 blz., Boekenweekgeschenk 1994; Kees Stip, Lachen in een leeuw, Uitg. Bert Bakker, Amsterdam, 445 blz., f 45,00; Gerrit Komrij, Alle gedichten tot gisteren, Uitg. De Arbeiderspers, Amsterdam, 495 blz., f 35,00