Over een breuk en een vuur

1994-11-18
  • Jaargang 38
  • nummer 23
Recent zijn twee boekjes verschenen waarin onder meer het kerkelijk conflict van de jaren zestig aan de orde komt. Het eerste is "Een breuk te ver" van A. Kamsteeg, verschenen bij Van den Berg te Kampen voor f 17,50. Het tweede is "Vuur en vlam ". onder redactie van R. Kuiper en W. Bouwman, verschenen bij Buijten & Schipperheijn voor f 39,90. De twee boeken zijn heel verschillend, maar liggen ook in elkaars verlengde.

"Vuur en vlam", met als ondertitel "Aspecten van het vrijgemaakt-gereformeerde leven 1944-1969" is een bijzonder boeiend boek, onder meer door de opzet ervan. De zeven auteurs zijn allen historici en bovendien behoren ze tot de generatie die ruim na de Vrijmaking geboren werd, en die de breuk van de jaren zestig geërfd heeft zonder er persoonlijk aan meegewerkt te hebben. De beste recensie ervan staat in het boek zelf, in de vorm van een "Terugblik" door prof. dr A.Th. van Deursen.
Ik neem er de volgende passage uit over: "Het is een eigenaardigheid van kerkelijke conflicten, dat na verloop van tijd het kleine beter zichtbaar blijft dan het grote. Het kleine wekt nog altijd ergernis, en de grote woorden klinken nu hol en leeg. Zo is het mij bij het lezen van dit boek meer dan eens vergaan. Tot op zekere hoogte moet dat ook zo zijn. Dat is de zuiverende invloed van de tijd, die de dubbelzinnige beweegredenen ontmaskert. Maar juist in de kerk is de kwaliteit van onze motieven dikwijls van hoger gehalte dan die van onze verrichtingen. Of om het simpeler te zeggen, we maken onze eigen mooie woorden zo moeilijk waar. En toch zijn ze er, die nobele bedoelingen, niet door geldingsdrang of regelzucht ingegeven, maar door de liefde voor de gemeente Gods" (pag. 255v).

Grote woorden en kleine kwesties
Deze woorden lijken me onmisbaar om het boek met vrucht te lezen. Verschillende kwesties, die sinds de Vrijmaking geleidelijk aan naar de breuk toegewerkt hebben, komen minutieus aan de orde. Ik denk aan de redactiewisseling binnen De Reformatie en het ontstaan van Opbouw, aan het conflict rond ds. A. van der Ziel en aan de studie over kerk, kerkverband en de Open Brief. Ik denk dat niet alleen Ned. Gereformeerden, maar ook Vrijgemaakten niet blij worden van de beschreven discussies. Je ziet daarin heel duidelijk wat Van Deursen noemde "het kleine". Bijvoorbeeld in de chicanes tussen de uitgever van De Reformatie en de redactie van het blad. De zaak zou uiterst simpel liggen, wanneer je alleen een oordeel hoefde te hebben over de vreselijke manier waarop het eigen gelijk in die dagen werd behaald. Toch is er meer. Wie goed leest, proeft wel degelijk ook wat Van Deursen "het grote" noemde. De grote woorden, zeker, maar ook de nobele bedoelingen. Je proeft de paniek die er heerste na het overlijden van Schilder en Holwerda, en de oprechte vrees dat al het goede dat opgebouwd was, weer verloren zou gaan. Daarom hunkerde men naar duidelijke leiding, naar een krachtdadige opbouw van het gereformeerde leven, waarbij een blad als De Reformatie voorop moest gaan. Als wij erop terug kijken, dan vinden we dat deze drang tot leiding wel erg ver ging. Daar zullen we niet naar terug verlangen. Maar om het verleden fair te beoordelen, moeten we ook beseffen dat het wel om echte vragen ging: om de vraag hoe je (in de woelige jaren zestig!) bij Gods woord bewaard bleef.
Intussen is het beangstigend om te zien, dat het in elk besproken aspect van het vrijgemaakte leven regelrecht op de breuk aan ging. Eigenlijk verwacht je op grond van de ondertitel dat het boek gaat over een periode van opbouw tussen twee breuken (1944 en 1969) in, maar ik lees niks anders dan dreiging en geweld, alsof het de nadagen van het tienstammen-rijk zijn. Zou dat nou een vertekening achteraf zijn, of wàs de kerkelijke wereld echt zo? Te vrezen valt dat er mensen zijn die zich alleen maar een prachtige tijd van opbouw herinneren, waarbij in de marge wat vuiltjes vielen weg te werken. Terwijl anderen (die vuiltjes zelf) zich inderdaad vanaf het begin een situatie van vuur en vlam herinneren.

Psychologisch begrijpelijk
Verhelderend vond ik het eerste artikel, "Vrijmaking of wederkeer", van de hand van dr. R. Kuiper. Het is een overzicht van de beschreven periode en gaat dus onder meer over de tijd van opbouw van vlak na de Vrijmaking. Hoe in het allereerste begin er echt geen vreugde geweest is over de noodzaak van de Vrijmaking, maar hoe de bittere ervaringen van schorsingen diepe wonden sloegen, zodat er op een gegeven moment geen denken meer was aan gesprekken met "de synodalen". Ik deed er trouwens een paar vreemde ontdekkingen over de manier waarop synodalen enerzijds en Vrijgemaakten anderzijds tegen de breuk aankeken. Waar ging het eigenlijk om? Kuiper schrijft: "Terwijl de synodaal-gereformeerden het leergeschil centraal stelden, benadrukte Schilder de zaak van de schorsingen en het kerkrecht" (pag. 16). En hoe beleefde men die schorsingen? "Dooyeweerd (die "synodaal" bleef, W.S.) meende dat de Vrijgemaakten het te sterk stelden, wanneer ze meenden uit het Koninkrijk Gods gestoten te zijn. De schorsingen en afzettingen waren een ordemaatregel die zo gauw mogelijk ongedaan gemaakt moest worden" (pag. 20). En tenslotte lees je over de pogingen die de synodalen deden om de breuk met de Vrijgemaakten te helen, door de vervangingsformule en later door de terzijdestelling daarvan. De Vrijgemaakten waren hier totaal niet over te spreken en vonden zo'n halve bekering minstens even erg als volharding in het kwaad. Vandaar dat samenspreken met de synodalen in een kwaad daglicht kwam te staan. Psychologisch begrijpelijk, maar was het de hoogste wijsheid?

Rolverdeling gewijzigd
En wat ik nou zo merkwaardig vond aan deze beschrijving, dat is dat ik er precies de situatie van nu, na de scheuring, in herken. Lees voor de synodalen van toen de Vrijgemaakten van nu. En lees voor de Vrijgemaakten van toen de Nederlands Gereformeerden van nu. Als je vraagt wat het eigenlijke punt was bij de scheuring, dan vinden Vrijgemaakten dat het om de leer ging. Die van Telder, die van Oosterhoff, en van anderen waar wij zelf geen flauw idee meer van hebben.
Terwijl je van onze kant hoort dat het punt in geding de schorsingen waren en de aantasting van het kerkrecht.
Over die schorsingen zelf spreken sommigen van ons nog altijd alsof ze toen buiten het Koninkrijk der hemelen gesteld zijn, terwijl vooraanstaande Vrijgemaakten zeggen dat het om ordemaatregelen ging en dat het nooit de bedoeling geweest is om hen buiten het Koninkrijk te stoten. En dan tenslotte: we beleven op dit moment tijden van bezinning aan de kant van de Vrijgemaakten, waarbij 'meerderen van de oudere generatie zich kwetsbaar opstellen en zelfs openlijk over schuldbelijdenis op bepaalde punten spreken. Maar welke reacties lees ik daarop? Vaak toch, dat deze erkenningen van schuld nog onder de maat zijn en vooral dat andere Vrijgemaakten nog geen tekenen van inkeer vertonen. En ik weet in onze tijd van een jeugdvereniging die op z'n kop kreeg omdat ze samensprekingen hielden met de vrijgemaakte jeugdvereniging ter plaatse. Opnieuw: psychologisch begrijpelijk, maar is het de hoogste wijsheid? We zijn toch niet veroordeeld om te blijven reageren volgens de patronen van het verleden?

Een breuk te ver
Het boekje van NO-redacteur A. Kamsteeg met bovenstaande titel is beperkter van opzet, maar het is naar zijn inhoud bepaald aangrijpend. De schrijver bespreekt de rol van "De Open Brief tussen Vrijgemaakten en Nederlands Gereformeerden". Het boekje is een hartstochtelijk pleidooi om de Vrijgemaakten op te roepen, concreet schuld te belijden over de manier waarop die Open Brief gebruikt is als middel om predikanten te schorsen en kerken buiten verband te zetten. Kamsteeg wil niet beweren, dat in de jaren zestig geen strijd tegen confessioneel relativisme moest worden gevoerd, noch dat er hier en daar geen hang bestond naar kerkelijk relativisme (pag. 11). Maar hij stelt wel, dat het een verkeerde zaak is geweest, dat de Synode van Amersfoort-West slechts één uitleg van de Open Brief wettig verklaarde. En dat er schorsingen en afzettingen plaatsvonden om het enkele feit dat iemand de Open Brief ondertekend had of zelfs maar er geen afstand van wilde nemen. Op een betrokken manier beschrijft Kamsteeg de verziekte sfeer van die dagen, gestaafd met omvangrijke noten. Hij vindt dat de meeste bestrijders van de Open Brief te weinig moeite hebben gedaan om zich in te leven in de gedachtenwereld van de auteurs en merkt daarbij op: "dat die auteurs - omgekeerd - hetzelfde hadden moeten doen ten aanzien van hen die grote zorg hadden over confessioneel relativisme, doet daaraan niets af" (pag. 63).

Wie staat er op?
Bij die laatste zin wil ik aanknopen en deze gedachte in breder perspectief plaatse!").Het boekje van Kamsteeg is één uit een hele reeks pogingen van vrijgemaakte zijde om met het verleden voor God en mensen in het reine te komen. Ik zou zo ontzettend graag zien, dat daar van onze kant nu eens royaal en zonder reserves op werd gereageerd.
Toen een paar jaar geleden de Synode van de Gereformeerde Kerken een brief met schuldbelijdenis over de Vrijmaking deed uitgaan, toen vonden we de vrijgemaakte reactie maar erg mager. Maar wat doen wij nu zelf? Ja, ik weet het wel: bij de Vrijgemaakten is nog lang niet iedereen aan herbezinning toe en er is dan ook bepaald geen synodale uitspraak in die richting. Maar moeten we daar dan echt op wachten? In het licht van de verschillende vormen van spijt- en schuldbetuiging die we gehoord hebben vind ik het moeilijk te verteren wanneer van onze kant alleen geteld wordt wie er hun mond nog houden.
Velen van ons zijn in de jaren zestig slachtoffer geworden van ellendige procedures. Is dat het enige wat er te zeggen valt? Ik maakte het een paar jaar geleden op een regiovergadering mee dat een kerk berichtte over contacten met de Vrijgemaakten en dat een collega onmiddellijk reageerde: "je mag wel uitkijken, want als je ze de hand geeft moet je je vingers natellen".
Zou die houding (die ik weinig christelijk vind) er destijds aan onze kant helemaal niet geweest zijn? En is er bij ons bezinning geweest over de vraag of er aan onze kant ook onnodige provocatie geweest is?
Deze dingen vraag ik niet omdat ik een program van hereniging duidelijk voor ogen zou zien. Kerkpolitiek heb ik er niet mee voor, alleen al omdat ik denk dat je daar nog minder mee bereikt dan met gewone politiek. Maar er ligt wel een dringend advies van onze Heiland om je met elkaar te verzoenen vóórdat je bij de rechtbank komt. Het lijkt me wijs om daar niet veel langer mee te wachten.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief