Vrouwen in het diakenambt?
1994-06-03
Binnenkort komt op de Landelijke Vergadering de bespreking aan de orde van het "Eindrapport van de Kommissie 'Openstelling Diakenambt voor de zusters der gemeente'''. Aan opstelling en publikatie van dit rapport voor de LV is een 'Studierapport' voorafgegaan dat enige tijd geleden aan de kerkeraden toegezonden is, met het verzoek daarop te reageren. Van die gelegenheid is toen ruim gebruik gemaakt.- Jaargang 38
- nummer 11
Ook zonder enige reaktie uit de gemeenten echter zou het definitieve rapport er anders hebben uitgezien dan het Studierapport. In het eerste Rapport werd immers bewust nog geen standpunt ingenomen, terwijl dat in het Eindrapport wel degelijk het geval is!
Gezien het belang van een en ander heeft de redaktie van 'Opbouw' al lang geleden besloten om aan dit thema extra aandacht te geven. Daarbij wilden we de publikatie graag kort voor de bespreking op de LV laten plaatsvinden.
Die werkwijze leek ons juist, omdat we geen vroegtijdige diskussie buiten de LV om wilden stimuleren.
Conform afspraken binnen de redaktie heb ik een lang (en, naar bleek, geanimeerd) gesprek gehad met de voorzitter van de kommissie, dr. Ad van der Dussen.
Door een fout mijnerzijds is echter een deel van het gesprek op de band vroegtijdig verloren gegaan, zodat zeker naar het einde toe dit artikel een reconstructie van ons gesprek moet heten. De bedoeling van dit interview is dat het 'toeleidend' mag zijn tot de bespreking van het rapport, volgende week zaterdag.
Ds. Van der Dussen, u bent voorzitter van een studiecommissie geweest. Wat hield uw werk in? Wat hebt u bestudeerd? Ging het voornamelijk om het Grieks, om de grondtalen?
We hebben een studiecommissie gevormd waarin niet uitsluitend theologen zitting hebben gehad. Uiteraard hebben we veel aan theologisch studiemateriaal te danken, maar de grondtalen hebben we zoveel mogelijk buiten beschouwing gelaten om het ook de niet-theologen onder ons mogelijk te maken aan het gesprek deel te nemen. We bespraken het thema vanuit soms heel verschillende invalshoeken en dat kwam de breedte van ons gesprek ten goede! Bij de samenstelling van de commissie bleek in feite een norm te zijn: ben je bij het onderwerp betrokken? Heb je er blijk van gegeven dat je je met goede studiezin in dit onderwerp nader wilt verdiepen? Op die manier werden een tweetal dames, een filosoof en een vijftal predikanten aan elkaar toegevoegd.
Wat was precies de doelstelling van uw kommissie?
We hebben een zeer uitvoerige opdracht van de Landelijke Vergadering gekregen om in verband met dit onderwerp vier vragen te beantwoorden. In die opdracht, uit 1988,stond geformuleerd dat we aandacht moesten schenken aan:
1. de wijze van argumenteren vanuit de Schrift
2. de man-vrouw verhoudingen in het algemeen en binnen de christelijke gemeente
3. het karakter van de ambten en hun onderlinge verhouding
4. de rechtmatigheid van een beroep op de christelijke vrijheid in dezen.
Men heeft daarbij gezegd: kijk ook eens naar alle literatuur die in de loop van de jaren in bevriende kerken hierover verschenen is.
We hebben dus allereerst een grote stapel rapporten van her en der verzameld en bestudeerd. In de tweede plaats (en ook dat behoorde bij de opdracht die ons door de LV verstrekt is) is bij de kerken een tussenstand gemaakt; we hebben ons voorlopig rapport aan alle kerken toegestuurd en toen om hun commentaar gevraagd.
Daarop kregen we weer een heel grote stapel papier, want er zijn veel reakties op binnengekomen.
Daarnaast hebben we ieder voor zich een aantal boeken die we van belang vonden bij onze studie betrokken.(Niet al die door ons bestudeerde boeken hebben overigens hun weg gevonden naar de literatuurlijst achterin ons Rapport.)
Verliep uw discussie nu vaak langs 'man-vrouw lijnen'?
Nee, dat was juist zo leuk! We hadden geen cliché discussies waarbij op voorhand vaststond hoe standpunten zouden liggen. Het was steeds weer verrassend te zien hoe die lijnen liepen.
Het gesprek verliep heel dynamisch en we troffen zeker niet voorspelbare posities bij elkaar aan. Er was bij alle leden grote bereidheid om na te denken en al luisterend naar elkaar en kennis nemend van die immense hoeveelheid literatuur in standpunten en gedachten beweeglijk te zijn. Tot het laatste toe is het heel spannend en verrassend geweest om te zien: hoe komen we er met elkaar uit?
Ds. Compagnie, die tenslotte heeft verklaard het met een groot deel van het rapport niet eens te kunnen zijn, heeft ondanks dat alles geschreven: "Het is dus bewezen dat over deze zaken in christelijke liefde gesproken kan worden. Rancune en spanningen zijn ons vreemd gebleven. Graag wens ik dat ook uw vergadering toe."
Ik meen dat hij daarin groot gelijk heeft. Wij hebben de ervaring - dat gaat niet vanzelf, natuurlijk - dat het mogelijk is om heel open met elkaar over deze dingen te praten. De standpunten lagen niet al op voorhand vast.
Wij hopen van harte dat datzelfde ook op grotere schaal zal gebeuren. Eenparigheid is in zo'n kleine kring als de onze, waarin men elkaar zeer intensief ontmoet, natuurlijk veel sneller gerealiseerd dan op een groter vergadering.
Ik meen echter dat zo'n goede sfeer desondanks ook daar mogelijk moet zijn.
Kunt u zeggen waarover u niet van mening verschilde?
Bij ons allen stond het respekt voor het Bijbelwoord voorop.
We waren het erover eens, dat we geen standpunt mochten innemen waarbij we op gespannen voet kwamen te staan met het apostolische Evangelie.
Ook waren we eenstemmig van mening dat het niet verstandig is om al te boude uitspraken te doen. Dus niet in de trant van: alleen zo staat het in de Bijbel en alleen zo is het dus! Niet alle opvattingen en alle onder gelovigen gegroeide praktijken zijn immers rechtstreeks aan de Bijbel te ontlenen...
Tenslotte bestond unanimiteit in onze visie dat het diakenambt ook met wezenlijk 'leiding geven' te maken moet hebben. De diaken dient dan ook zitting te nemen in de kerkeraad.
Op welk punt raakte u het tenslotte niet eens?
Het punt dat tenslotte heeft verhinderd dat we eensgezind dit rapport kunnen aanbieden betreft de vraag: in hoeverre mogen vrouwen eindverantwoordelijkheid dragen in het leiding geven aan de gemeente? Zoals gezegd, zijn we het er binnen onze kommissie over eens dat een diaken leiding moet geven aan de dienst der barmhartigheid.
Terwijl het overgrote deel van de kommissie echter konkludeert dat het in lijn met de Bijbel is om vrouwen te roepen tot het geven van die leiding, zegt ds. Compagnie, die in dezen dus een minderheidsstandpunt inneemt: Nee, in dat leiding geven moet de man eindverantwoordelijke zijn; het is dus onbijbels om vrouwen tot dit ambt te roepen. Je kunt daarbij nog de vraag betrekken hoe het dan zit met vrouwelijke ouderlingen. Ds. Compagnie meent dat het standpunt van de meerderheid binnen de kommissie impliceert dat het ambt van ouderling eveneens voor zusters opengesteld wordt.
De meerderheid van de kommissie ontkent dat en meent: Het is een apart verhaal of vrouwen ook geroepen worden tot het leiding geven aan de dienst des woords. Een beslissing daarover moet naar hun mening dan ook apart genomen worden.
Overigens, mag ik erop wijzen dat op de LV geen meerderheids- en minderheidsrapport besproken worden? We hebben in grote eensgezindheid vergaderd en gesproken, maar op het eind bleek dat een van ons zich met de konklusies niet kon verenigen. Dat heeft - mede door overwegingen van tijdsdruk - echter niet geleid tot twee rapporten.
Is het nu te verwachten dat we, bijna twee duizend jaar na de Hemelvaart van Christus, nog met wezenlijk nieuwe inzichten kunnen komen met betrekking tot welk gedeelte van de Bijbel dan ook? Zo nee, is de aanleiding tot dit rapport dan niet ons verlangen om ons bij het twintigsteeeuwse levensgevoel aan te sluiten? Bepaalt daarmee de wereld niet de agenda van de Kerk?
Nee, God bepaalt die agenda! Waarbij God gebruik kan maken van ontwikkelingen in de wereld waarin de Kerk leeft.
Dat gezegd hebbend, wil ik toch opmerken dat we in onze tijd simpelweg niet om deze gespreksthema's heen kunnen! Waar men van mening mocht zijn dat we zulke kwesties, die de gemeente immers kunnen verdelen, beter buiten de deur kunnen houden, begrijp ik die opstelling wel. Niettemin acht ik hem volledig onrealistisch! Wij kunnen als kerken en als christenen niet om deze vraag heen blijven lopen.
Toch komen er in onze tijd "inzichten" die men vroeger niet zo had...
In ons rapport verwijzen we naar de opkomst van het Socialisme aan het begin van deze eeuwen de uitdaging die dat gebeuren voor de Kerk vormde, de noodzaak die ontstond om de Schrift op het punt van sociale zorg nader te bestuderen.
Op p. 17 van ons rapport spreken we van de "stimulerende werking die op het lezen en de uitleg van de bijbel kan uitgaan van de maatschappelijke ontwikkelingen." Verwijzend naar dat voorbeeld van de uitdaging van het Socialisme stellen we: "Nu in onze eeuw de emancipatie van de vrouw de kerken voor nieuwe vragen stelt, doet zich eenzelfde verschijnsel voor. De bijbel wordt vanuit een nieuwe blikrichting gelezen, waarbij allerlei details ineens gaan spreken."
Kunt u dan eens een voorbeeld geven van "een nieuw inzicht" dat uit die "nieuwe blikrichting " voortkomt?
Uiteraard verwijs ik ieder met die vraag naar ons rapport! Om een voorbeeld te geven, we spreken dan over Romeinen 16 vers 7, waar de naam van Junias voorkomt; het opmerkelijke gegeven is dat de mannennaam 'Junias' in de Oudheid nergens lijkt voor te komen, maar de vrouwennaam Junia heel gebruikelijk is. Deze 'Junias', die ook al volgens sommige uitleggers uit de Oudheid dus 'Junia' moet zijn, heet "onder de apostelen in aanzien". De oude prediker Johannes Chrysostomus, uit de vierde eeuw, is al tot de konklusie gekomen: "Hoe groot moet wel de wijsheid van deze vrouw geweest zijn, dat zij de titel 'apostel' waardig bevonden werd."
Dan hebben we het dus helemaal niet over "eigentijdse exegese die zo nodig vernieuwingsideeën moet gaan onderbouwen"... Tegelijk is er wel sprake van "een nieuwe blikrichting", waardoor je oog krijgt voor zo'n gegeven.
Dit is zeker niet het enige voorbeeld, zeg ik er, ter voorkoming van misverstanden, maar meteen bij.
Tegelijk staat er echter, op pagina 16 van ons rapport, te lezen: "Ongetwijfeld bestaat het gevaar, dat maatschappelijke ontwikkelingen zo toonaangevend worden, dat de kerk steeds minder geneigd is om de norm voor de inrichting van het christelijk en gemeentelijk leven te zoeken in de Schrift. Als de Bijbel dan ook nog uitspraken doet die haaks lijken te staan op een modern levensgevoel, is het een kleine stap zich te distanciëren van zulke Bijbelgedeeltes. Wanneer bijvoorbeeld Paulus zich uitlaat over de positie van de vrouw op een wijze, die niet spoort met de ideeën die daarover in onze samenleving bestaan, keren steeds meer christenen zich in ergernis van de apostel af, onder het verwijt van vrouw-vijandig denken. Wij willen met nadruk verklaren dat wij van een dergelijke manier van omgaan met de bijbel geen heil verwachten.
Voor ons staat vast dat onze kerken dienen te blijven bij het aloude respekt voor het woord van de apostelen en de profeten, dat het voorgeslacht 'ons heeft voorgehouden en dat korrespondeert met het SOLA SCRIPTURA van de Reformatie. Wanneer de Bijbel daartoe aanleiding geeft, zullen wij tegen de stroom van de maatschappelijke ontwikkelingen moeten oproeien, hoe moeilijk dat ook is."
Wellicht is het goed daaraan nog wat toe te voegen. Als het motief van "maatschappelijk gangbare gedachten" voor ons geen doorslaggevend argument mag zijn om dus maar mee te gaan in allerhande verandering, geldt natuurlijk ook dat wij naar de andere kant in de kerkelijke traditie geen zware aanleiding zien om alles per definitie maar bij het oude te laten!
Deze tijd stelt de gemeente van Christus wel degelijk vragen.
Een andere vraag. Ik merk soms dat tegenstanders van enige verandering van de positie van vrouwen in de gemeente menen dat in elk pleidooi voor verandering onvermijdelijk aan het duidelijke woord van de Schrift afbreuk wordt gedaan. Met andere woorden, zij lijken te menen dat degenen die het op dit punt bij het oude willen houden, meer in gezelschap van de Bijbel zijn dan "de vernieuwers". Wat zegt u daarop?
Op diverse punten is het getuigenis van de Schrift bepaald veel genuanceerder dan je in sommige diskussies te horen krijgt. Dat is een van de redenen waarom ik zoëven al zei: we moeten ons van te boude en stellige uitspraken over de Bijbel zien te onthouden.
We menen zelf dat er in de Bijbel sprake is van 'twee lijnen' (p. 35). Ik citeer: "De eerste is, dat aan de vrouw een hoge mate van zelfstandigheid en van initiatief wordt toegeschreven, ook op het gebied van de barmhartigheid.
De tweede is, dat een duidelijk onderscheid wordt gemaakt tussen de positie van de vrouwen die van de man in zijn bestuurlijk-rechterlijke funktie.
Hierin ligt een waarschuwing besloten tegen een zonder meer doortrekken van de overwegingen ten aanzien van het diakenambt naar het ambt van ouderlingen."
Elders merken we in 't rapport het volgende op: "Hoe verrassend de konklusie ook moge zijn, dat er in het NT naar alle waarschijnlijkheid sprake is van vrouwelijke diakenen, daarmee is nog niet het beslissende gezegd over de mogelijkheid dat in ons kerkelijk leven vrouwelijke diakenen funktioneren.
Immers, over de precieze status van de diaken Febe en over de inhoud van haar werk valt vanuit het NT niets met zekerheid te zeggen ( ) Het staat allerminst vast, dat zij. in overeenstemming met de invulling van het ambt van diaken die wij hierboven voor verantwoord hielden, als kerkeraadslid leiding gegeven heeft aan de dienst der barmhartigheid." Vervolgens gaan we over tot nader preciseren van ons onderwerp.
Wat is tenslotte uw konklusie?
De meerderheid van de kommissie meent: het is niet aangetoond dat de daarvoor aangevoerde Schriftplaatsen de roeping van zusters tot vervulling van het diakenambt verbieden. We komen tot die konklusie, gezien het gehalte van de aangehaalde Schriftplaatsen.
We laten de plaatselijke gemeente echter de vrijheid om zelf tot een positiebepaling te komen. Dit hele vraagstuk is, hoe betrokken we ons daar persoonlijk bij kunnen weten, toch geen kwestie waarmee het christelijk belijden staat of valt. Als het erop aankomt, zijn we allemaal oergereformeerd!
Hoe gaat het verder, als uw rapport op de Landelijke Vergadering wordt besproken en aanvaard?
De verdere vragen, met betrekking tot het ouderlingschap voor zusters, kunnen niet meteen uit ons rapport worden beantwoord, zeggen we ook. Die vraag zal echter ook een keer onze aandacht moeten gaan vragen.