Gevolmachtigd rechter

1994-06-03
  • Jaargang 38
  • nummer 11
In een van mijn vroegere artikelen(1) heb ik er al eens de aandacht op gevestigd, hoe de dubbele betekenis van het griekse voegwoord 'hoti', 'dat' en 'omdat', ons voor problemen kan plaatsen bij het verstaan van de tekst. Met name bij Johannes doet zich dat nogal eens voor. Ditmaal wilde ik het hebben over Joh. 5, 28, waar de gangbare opvatting van zo'n 'hoti' het redebeleid m.i. de mist heeft laten ingaan.

De gangbare weergave
Van de door mij gecontroleerde nederlandse vertalingen hebben de meeste het 'hoti' hier als redengevend opgevat, en het met 'want' vertaald. Een aantal laat het onvertaald, maar zal door het plaatsen van een dubbele punt na "verwondert u hierover niet" wellicht hebben willen suggereren, dat nu de verklaring volgt. De vertaling 'dat' ben ik nergens tegengekomen.

Een verhelderende parallel
Toch lijkt mij die veel aannemelijker. Bij de vertaling met 'want' wordt namelijk niet aanstonds duidelijk, waarover Jezus' gesprekspartners zich niet moeten verwonderen. Dat is wèl het geval, wanneer men vertaalt: "verwondert u niet hierover, dat de ure komt dat allen die in de graven zijn, zijn stem zullen horen".
Dán is nl. de zin die met 'dat' begint de nadere bepaling van de inhoud van het voorafgaande 'hierover'.
Een sterk formeel argument voor deze opvatting is m.i. te ontlenen aan hoofdstuk drie van ditzelfde evangelie(2).
Jezus heeft daar Nicodemus meteen na diens welwillende inleiding van het gesprek te verstaan gegeven: "Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, tenzij iemand wederom geboren wordt, kan hij het Koninkrijk Gods niet zien" (v. 3). Dié woorden klonken Nicodemus vreemd in de oren, zo merken we uit zijn reactie in v. 4. Nadat Jezus heeft uitgelegd (in de verzen 5 en 6), dat er behalve een natuurlijke geboorte ook een geboorte uit den Geest is, vervolgt Hij in v. 7: "Verwonder u niet, dat Ik u gezegd heb: Gijlieden moet wederom geboren worden".
Jezus gebruikt hier in 3, 7 dezelfde uitdrukking als in 5, 28: "verwonder u niet, dat...". En dan volgt in 3, 7 de herhaling van een uitspraak die Hij even daarvóór (in v. 3) gedaan had. Wel, datzelfde doet zich ook voor in 5, 28. Ook daar zijn de woorden die volgen ("de ure komt waarop allen die in de graven zijn, zijn stem zullen horen en eruit zullen gaan...") een herhaling van wat Jezus eerder in de discussie, nl. in v. 25, had verklaard(3). Die parallel nu met hfdst. 3 pleit er m.i. voor ook hier in 5, 28 te vertalen: "verwondert u
daar niet over, dat het uur komt waarop allen die in de graven zijn, zijn stem zullen horen en eruit zullen komen"(4).

De motivering
Nu zal men zeggen: maar volgt er dan geen motivering van Jezus' afwijzing van de verwondering der Joden? Zegt Hij niet, waarom ze van die eerdere uitspraak van Hem niet zo op moeten kijken? Jawel, maar die motivering volgt pas in v. 30. En men doet er daarom goed aan de tekst bij v. 30 niet te laten inspringen, zoals in enkele vertalingen is gebeurd(5); laat staan daar een nieuw kopje te plaatsen, zoals enkele weergaven doen(6).
Het is goed hier opnieuw een vergelijking te maken met hfdst. 3. Ook daar geeft Jezus aan (in v. 8), waarom Nicodemus niet zo moet opkijken van zijn uitspraak "Jullie moeten opnieuw geboren worden". Maar Hij doet dit zonder deze nieuwe uitspraak uitdrukkelijk als motivering te kenmerken door een inleiding met 'want'. Hij zegt nl.: "De Geest zendt zijn adem uit waar Hij maar wil.
En u, Nicodemus, hoort (nl. in mijn spreken) zijn stem; maar toch kunt u die niet thuis brengen; en dat is wèl het geval met ieder die uit den Geest geboren is"(7). Jezus zegt m.a.w. dit: het feit dat u in mijn spreken niet de stem van den Geest onderkent, bewijst dat u nog niet uit den Geest geboren bent. En dáárom moet het u niet verbazen, dat Ik zeg: u moet opnieuw geboren worden.
Nu, evenzo heeft in Joh. 5 Jezus gezegd (vv. 28,29): Laat het u niet bevreemden, dat Ik zei: de tijd breekt aan, dat alle doden op het horen van mijn stem, de stem van den Zoon van God, zullen opstaan en geoordeeld worden. En nu komt in v. 30 de motivering: met die uitspraak immers proclameer niet Ikzelf Mij tot rechter van het heelal; Ik matig Mij deze bevoegdheid niet aan; nee, "naardat Ik hoor" oordeel Ik; d.w.z. krachtens een Mij (door den Vader) verstrekte opdracht(8).

Herhaling en voortgang
Misschien zal men zich afvragen: is met deze onthulling van Jezus, dat Hij in opdracht rechtspreekt, een nieuwe informatie gewonnen? Wisten we dat al niet sinds v. 22: "ook rechtspreken doet de Vader over niemand, maar Hij heeft de rechtspraak in z'n geheel aan zijn Zoon gegeven"? Dat is inderdaad zo: tot op zekere hoogte hebben we hier te doen met een herhaling. En men kan in het algemeen zeggen, dat het vooral in het Johannes-evangelie wemelt van de herhalingen. Alleen: het gaat dan doorgaans niet om een blote herhaling. Zo ook hier niet. Als Jezus in v. 30 dit gegeven van zijn rechtspraak-in-opdracht nog eens onderstreept, dan wordt dit gegeven nader toegespitst.
Wij moeten de gang van Jezus' onderwijs in dit hoofdstuk blijven volgen. Hij was begonnen met in v. 19 te stellen evenals Hij nu in v. 30 herhaalt! - dat Hij als Zoon op eigen gezag niets kan doen, maar dat zijn optreden ten nauwste gerelateerd is aan dat van zijn Vader.
Die uitspraak vond zijn aanleiding in de door Hem verrichte genezing van den verlamde in Bethesda. Jezus herleidde in v. 19 zijn optreden dáár tot een machtiging daartoe door zijn Vader. Hij vervolgt dan met te zeggen, dat die machtiging nog vérder reikt; dat men opzienbarender wonderen van Hem verwachten mag (v. 20) dan de genezing van een zieke, nl. de opwekking van doden (v. 21). En in één adem voegt Hij eraan toe, dat de Vader de berechting van levenden èn doden (dat ligt uitgedrukt in het "de rechtspraak in z'n geheel") aan Hem heeft overgelaten, v. 22.
In v. 24 wijst Jezus dan aan, wat deze aanstelling van Hem als beschikker over leven en dood, en als rechter, positief inhoudt voor wie nu in Hem geloven: zij zijn door hun geloof in Hem in principe al aan dood en gericht ontheven. (Vgl. 11, 26.) In vv . 25-27 trekt Hij vervolgens de overledenen in de gezichtskring: ook die zijn allemaal voor hun opstanding afhankelijk van zijn stem. En Jezus motiveert deze uitspraak met een herhaling van wat Hij in v. 21 had gezegd: v. 26! En wat Hij dáár in v. 22 had laten volgen (zijn aanstelling tot rechter), dat voegt Hij ook hier weer toe: v. 27.

De spits
Als dan Jezus déze uitspraak van v. 25 in vv, 28.29 herhaalt in zijn afwijzing van de verbazing der Joden daarover, dan treft het ons, dat Hij in die herhaling zijn oorspronkelijke uitspraak enigszins wijzigt. In v. 25 heette het: "De ure komt en is nu, dat de doden de stem van den Zoon van God zullen horen, en wie die gehoord hebben zullen (her)leven".
Maar in vv. 28,29 horen we: "De ure komt dat allen die in de graven zijn, de stem van den Zoon zullen horen en naar buiten zullen komen: wie het goede gedaan hebben om op te staan ten leven, wie het kwade gedaan hebben om op te staan ten oordeel". Hier is voor het eerst duidelijk sprake van schiftend gericht. Er zijn doden wie het bij de opstanding zal vergaan als de levende gelovigen van nu (vgl. v. 24): ze gaan het leven in. (Vgl. 11, 25)(9) Maar de boosdoeners, de onçetovlçen, staan op om veroordeeld te worden.
Hier komt nu de negatieve kant van Jezus' rechtspraak aan het licht. Voor wie het kwade deden, voor wie in Hem niet geloofden, krijgt zijn oordeel het karakter van veroordeling. En hiermee wordt nu Jezus' gesprekspartners het vuur na aan de schenen gelegd. Zij verwonderen zich over zijn uitspraak, dat Hij doden doet opstaan en gericht houdt. En 'zich verwonderen' betekent in dit verband zoveel als: het vreemd, ja ongeloofwaardig vinden; er niet aan willen(10). Maar Hij doordringt hen ervan, dat ook zij, die nu Hem verwerpen, eens tegenover Hem als rechter zullen staan krachtens de beschikking van den Vader.
En dat hun dan een veroordeling wacht(11).
Vandaar dat Jezus dit gesprek besluit met te zeggen, dat zij in het komende, door Hem te leiden proces Mozes niet zoals ze verwachten - als getuige à décharge op hun zijde zullen hebben, maar als aanklager tegenover zich zullen vinden (v. 45).

Noten
1 Opbouw, jrg. 34, blz. 70vlg.
2 Het gesprek in hfdst. 5 vertoont op nog een punt overeenkomst met dat in 3: beide gaan over in een monoloog van Jezus.
3 Men lette erop, dat de uitspraak in 5, 25, evenals die in 3, 3, wordt voorafgegaan door het nadrukkelijke "voorwaar, voorwaar".
4 Er is één verschil: in 3, 7 geeft Jezus uitdrukkelijk aan, dat het om een eerder woord van Hemzelf gaat: "verwonder u niet, dat Ik tegen u zei, dat....
5 Zo NBG en Het Boek. Eveneens de tekstuitgave Nestle-Aland(26).
6 Zo Groot Nieuws en de Friese Vertaling.
Eveneens de tekstuitgave van de United Bible Societies(3).
7 Deze opvatting van Joh. 3, 7.8 verdedigde ik in Opbouw, jrg. 6, blz. 156vlg. De argumenten zijn deze: 1) 'Pneuma' komt in de betekenis 'wind' in het NT alleen voor in een Septuagintcitaat, Hebr. 1,7. Op de overige plaatsen is de betekenis altijd 'geest'. 2) In de context van 3, 7.8 betekent 'pneuma' 'Geest'. 3) 'Phooné' betekent bij Johannes altijd 'stem', niét 'geluid'; op één uitzondering na zelfs steeds 'goddelijke stem'. 4) "(Niet) weten, waar hij vandaan komt en waar hij heen gaat" slaat in het Johannesevangelie op Jezus Christus als uit de hemel gezondene; vgl. 8,14; 13,3 en 9, 29. Zakelijke parallellen van deze uitspraak in 3, 8 vinden we in 8, 47 "Wie uit God is hoort de woorden Gods; daarom hoort gij niet, omdat gij uit God niet zijt"
en in 1 Joh. 4, 6 "wij zijn uit God; wie God kent hoort naar ons; wie uit God niet is hoort naar ons niet".
8 'Horen' in de betekenis 'opdrachten in ontvangst nemen' b.v. ook in 3, 29 (het daar voorafgaande 'die staat' betekent: die hem als dienaar terzijde staat) en 8,26. Zo ook 1 Sam. 3, 9.10 (horen als knecht). Zie verder Jes. 50, 4.
Zoals de Zoon zich tegenover den Vader opstelt, nl. horend, d.i. Diens bevelen afwachtend, zo stelt straks de Geest zich op tegenover den Zoon: 16, 13 "wat Hij hoort (nl. van Mij, Christus, vgl. v. 14), zal Hij spreken".
9 Deze tweedeling van Christus' kudde in levenden en doden is karakteristiek voor Johannes.
Men vindt die zowel in zijn evangelie als in het door hem geschreven boek Openbaring. Zie mijn artikel 'Schapen uit een andere stal' in Opbouw, jrg. 36, blz. 312vlg.
10 Vgl. b.v. Marc. 15,44.
11 In zijn laatste opmerking aan het adres van den verlamde (v. 14) loopt Jezus op déze waarschuwing wel reeds vooruit.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief