Meedoen met Liedboek-2000? (5)
1994-06-17
De oudste doopbelijdenis die we kennen uit de vroeg-christelijke Kerk is: 'JEZUS CHRISTUS IS HEER'. Dat was het 'carmen', de zinspreuk, de belijdenis, het lied, van de christenen in de eerste eeuwen, daarmee vatten zij het evangelie samen.- Jaargang 38
- nummer 12
In een IKON-uitzending over 'Op weg naar Liedboek-2000' hoorde ik een van de panelleden zeggen: "Dat Jezus in je hart geboren moet worden, betekent niet wat de evangelischen er van maken.
Die zeggen: je moet Jezus in je hart toelaten, zodat Hij de touwtjes in handen kan nemen. Nee, het betekent dat je het zwakke, het weerloze in jezelf toelaat."
Een treffender 'profielschets' van het moderne horizontalisme had ze niet kunnen geven. Daar zit het inderdaad op vast. Het horizontalisme ziet Jezus graag als voorbeeld: en dan vooral in zijn zwakheid, in zijn kwetsbaarheid, in zijn overgave. Maar het erkent Hem niet werkelijk als de HEER, als degene die het in ons leven voor het zeggen heeft, omdat Hij ons heeft vrijgekocht door zijn bloed. Het horizontalisme ziet Jezus graag als degene die zich aan ons gééft, niet als de Meester die récht op ons heeft en die we moeten gehoorzamen, ook als dat ingaat tegen de 'eisen van de tijd'.
In horizontalistische liederen kom ik Christus meer tegen als een soort 'principe', een soort 'beginsel', een 'gedachte' volgens welke je moet zien te leven, dan als de levende Heer in hemel en op aarde, voor wie we straks rekenschap moeten afleggen. Dat houdt een zekere vrijblijvendheid in: men wil graag 'als Jezus worden', maar men vult het zelf in. En die invulling is uiterst eenzijdig: het evangelie wordt 'versmald' tot een algemene mensenliefde, hoe 'breed' dat ook klinkt.
'Een man zonder God'
Vandaar dat overmatige accent op Jezus' zwakheid, weerloosheid, zelfvernedering, terwijl zijn heerlijkheid, zijn koningschap, zijn majesteit slechts nu en dan aan de horizon van de horizontalistische gezangen opduiken.
De vorige keer schreef ik al dat ik moeite heb met gezangen die in het lijden en de vernedering van de mens Jezus blijven steken. Nu weet ik wel dat een aantal gezangen uit het verleden (uit de liederenschat der eeuwen) de basis heeft gelegd voor die eenzijdigheid.
Wie zijn Heiland heeft leren toezingen als 'kindje in de kribbe', gaat misschien denken dat dat de gewone toon van het kerklied is. We mogen ons best eens realiseren dat we ons in het verleden al een heel eind verwijderd hebben van de eerbiedige hulde die de christenen in de eerste eeuwen hun Meester toebrachten.
Maar we moeten er vooral erg in hebben dat moderne horizontalistische liederen op dit punt bezig zijn te ontsporen.
Het zou me enorm tegen de borst stuiten als we in een Ned. Geref.
kerkdienst het lied 'Geen plaats voor zijn hoofd' van Hans Bouma zouden zingen. Het komt voor als lied 51 in deeltje 3 van Zingend geloven: het reservoir waaruit bij de samenstelling van Liedboek-2000 zal worden geput.
Geen plaats voor zijn hoofd
geen grond voor zijn voeten
een doorn in het oog
wie wil hem ontmoeten
Geen hol als de vos
geen nest als de vogels
een man zonder God
Hij maakt je wanhopig
Geen deur en geen weg
geen mens onder mensen
geen vrijheid geen recht
wie zou hem zich wensen.
Een vlam in de nacht
een stem door de stilte
een hand op je hart
een storm in ons midden
Ons dagelijks brood
een broeder van verre
een redder in nood
Hij zal voor ons sterven.
Misschien zegt u: "Gaat het Nieuwe Testament ons daar niet in voor, om zó over Christus te zingen?" U denkt misschien aan Filippenzen 2:6-11, waar Paulus een van de oudste christelijke hymnen citeert. Die hymne zingt van Jezus' zelfontlediging voor ons en van zijn dood aan het kruis. Maar het lied eindigt met: "Daarom heeft God Hem ook uitermate verhoogd en Hem de Naam boven alle naam geschonken, opdat in de naam van Jezus zich alle knie zou buigen van hen die in de hemel en die op de aarde en die onder de aarde zijn, en alle tong zou belijden: JEZUS CHRISTUS IS HEER, tot eer van God, de Vader!" Die toon, die belijdenis, mis ik veel te veel in de bundeltjes Zingend geloven.
"Maar", zegt u misschien, "in Openbaring 5 verschijnt Christus in de hemel toch als een 'lam, staande als geslacht'." Ja, maar als een lam met zeven horens: zeven tekens van macht. En in het lied dat een ontelbare hoeveelheid engelen en de vierentwintig oudsten Hem toezingen, lezen we dat het Lam, omdat Hij geslacht is, waardig is te ontvangen de macht en de rijkdom en de wijsheid en de sterkte en de eer en de heerlijkheid en de Lof. De toon van dat lied mis ik in de stroom van moderne liederen die de laatste tien, vijftien jaar over ons heenkomt. In het klassieke kerklied was die toon misschien 'ondervertegenwoordigd', klonk ze misschien niet sterk genoeg door, maar ze wàs er in veel liederen wél. Denk aan Da Costa's kroningslied (nr. 20 in de bundel 'Enige Gezangen'):
De glorie straalt uit dien Behouder, dien 't bloedig zweet werd uitgedrukt.
De heerschappij rust op dien schouder die onder 't kruishout ging gebukt.
Dien de heid'nen hoonden en met doornen kroonden, heerst als aller Heer!
Dien de wereld smaadde, dien de vloek belaadde, leeft, gekroond met eer!
Laten wij, met de christenen uit de eerste eeuwen, op zoek gaan naar liederen waarin Christus wordt bezongen als de Heer van het heelal, als de Heer van zijn kerk, als de Heer van ons leven, omdat Hij zich voor ons overgegeven heeft.
Wat dat betreft kunnen we nog heel wat leren van 'die evangelischen' (zie het begin van dit artikel): in een aantal Opwekkingsliederen is 'Jezus is Heer' de centrale belijdenis, al klinkt het vaak wat 'iel'. Wij mogen het doen met sterkere woorden op duurzamer melodieën, met nieuwe én oude liederen: het Lam loven, dat ons kocht met zijn bloed en ons tot een koninkrijk van priesters maakte, een volk Gode ten eigendom.
Toekomstverwachting
In horizontalistische liederen proef ik telkens weer de verwachting dat de hemel op aarde neerdaalt als wij mensen eindelijk geleerd hebben rechtvaardig met elkaar om te gaan, alles met elkaar te delen.
Zo komt het Messiaanse Vrederijk. Van het verschil tussen gelovigen en ongelovigen, tussen de verzegelden van het Lam en de anderen, is in deze liederen dan ook geen sprake; 'de grote scheiding' is niet relevant. In een lied van Willem Barnard (nr. 22 in deeltje 1 van Zingend geloven) zie je straks alle mensen broederlijk om de avondmaalstafel zitten, als wij maar bereid zijn ons brood te delen: Messias, manna uit Gods hand en hemels koren op ons land, maak Gij de stenen harten mild, zodat de honger wordt gestild en wat elkeen te geven heeft aan allen samen leven geeft!
Dan staat de tafel toebereid voor alle mensen wijd en zijd, op aarde voor ons allemaal een hemels heerlijk avondmaal; dan zal er vreugde en vrede zijn en God alom aanbeden zijn!
Wat stel ik daar nu tegenover? Dit: ik verwacht mijn Heiland terug uit de hemel - eerder komt er geen Messiaans Rijk. Wij kunnen dat rijk niet, samen met goedwillende nietchristenen, opbouwen. Wij richten geen 'tekenen van gerechtigheid op".
Maar omdat Christus heeft overwonnen en Hij het in mijn leven voor het zeggen heeft, kan ik Hem - in een gebroken wereld, in de gebrokenheid van mijn leven - navolgen en gerechtigheid oefenen door mijn brood te delen met zwervers in de hal van C.S.
Dat is 'stukwerk', meer niet - maar ik hoef dan ook geen 'rijk te stichten', ik sta al op de grond boven mijn hoofd.
Redder der armen
Zoëven schreef ik dat 'de grote scheiding' in horizontalistische liederen niet relevant geacht wordt. Dat is niet helemaal waar: er is in deze liederen soms sprake van een grote scheiding, maar dan altijd tussen trotsen en machtigen enerzijds en ellendigen en armen anderzijds. Is Christus dan niet de 'Redder der armen' uit Psalm 72? Ja, van de armen en ellendigen die naar Hem opzien en hun recht van Hem verwachten. Zoals Hanna, de onvruchtbare, die in het heiligdom haar smeekbeden prevelde. Dat zijn àndere armen dan de 'revolutionaire' armen van Karel Deurloo (in gez. 61, deeltje 4 van Zingend geloven):
Het volk der armen staat op.
Geluk voor gebukten gaat dagen zo waar als het fundament der aarde ons blijft dragen.
De trouw wordt onze macht.
De onmens verdwijnt in de nacht.
Jouw muziek wordt ons een teken,
Hanna, van het koninkrijk
dat zal komen en zal breken
met het onheil. Wij ontsteken
licht zodat het duister wijkt.
Ik heb me vaak afgevraagd hoe het komt dat, wanneer het gaat om steun aan verdrukte mede-christenen, om hulp aan de Lijdende Kerk, horizontalisten in geen velden of wegen te bekennen zijn. Hen vind je eerder in het gezelschap van kerkelijke machthebbers, van napraters van regimes waaraan ze zich geconformeerd hebben en door wie ze zich als spreekbuis laten gebruiken. Komt dat niet doordat horizontalistische christenen in wezen aardsgezind zijn, doordat hun toekomstverwachting aards is? Zodat hun 'solidariteit' in wezen niet ligt bij Christus en zijn kleinen? Hebben ze zich zó gefixeerd op de omvorming van politieke en maatschappelijke structuren, dat ze Jezus' minste broeders vergeten zijn? En dáárop zal Christus toch oordelen (zie Mat.
25:40,45): ook ons, die van kaft tot kaft ('t wel) geloven.
Verticale toren?
Maar wat blaas ik hoog van mijn toren tegen 'die horizontalisten'? Bevrijdingstheologie, Doorbraakchristendom, een tot het sociale leven versmald evangelie: is dat niet de rekening die we gepresenteerd krijgen voor een 'verinnerlijkt', verburgerlijkt christendom dat vanuit haar (verticale) toren niet meer omlaag keek en de nood van de wereld niet meer zag? Ja.
Hebben horizontalistische christenen ons niet (mede) de ogen geopend voor de 'derde wereld': voor Braziliaanse koffieplanters, voor sociale wanverhoudingen, voor de verpaupering van onze eigen binnensteden, voor creperende bijstandsmoeders? Ja.
"Het carmen van de eerste christenen was: JEZUS IS HEER", schreef ik hierboven.
Geschoeid met dat 'carmen' liepen ze naar gevangenissen om niet-gelovige misdadigers op te zoeken (iets wat in die samenleving niemand deed). Hetzelfde wordt op 't ogenblik gedaan door christenen achter het voormalige Ijzeren Gordijn (die zelf de boeien van gevangenschap gekend hebben): niet omdat zij menen een nieuwe wereld te kunnen maken, maar omdat ze de Redder uit de hemel verwachten. En omdat ze willen dat Christus tot zijn heerschappij komt in de levens van mislukte misdadigers.
Want Jezus wil tot zijn heerschappij komen: in ons leven in een Siberische gevangenis, in de Saüdische hofhouding (je gelooft je oren niet), in de hal van Den Haag Centraal, ..
Amen, Jezus Christus, amen!
Ja, Gij zult in 't groot heelal 't rijk der duisternis beschamen, tot het niet meer wezen zal.
Woon, 0 Heiland, in ons midden!
Onder uwe heerschappij zijn wij zalig, zijn wij vrij.
Leer ons strijden, leer ons bidden!
Amen, heerlijkheid en macht warde U eeuwig toegebracht!
(slot volgt)