1946·1993: Een burger doet mee in de politiek
1994-06-17
Niet lang na de bevrijding werd ik lid van de AR-kiesvereniging in Wassenaar. Na jarenlange dictatuur zag ik de terugkeer van vrijheid en democratie als een geschenk, maar tevens als een opdracht om mee te doen met het politieke gebeuren. Ook voor de huidige jonge generatie is meeleven met de politiek nog onverminderd nodig. Het geschenk dat democratie heet, kan gemakkelijk verloren gaan door lauwheid en onverschilligheid: "Ze doen maar, laat mij nou maar lekker TV kijken. "- Jaargang 38
- nummer 12
De discussies in die oude tijd waren principieel, maar weinig praktisch.
Meningen van andere partijen kwamen zelden aan bod, en dan meestal nog in afkeurende zin. In 1948 werd ik penningmeester. Dat was in die tijd een heel werk, want de contributie moest bij de leden thuis worden opgehaald.
Een voordeel daarvan was echter wel het persoonlijk contact van alle leden via mij met het bestuur. Aan diverse huisdeuren heb ik in die tijd heel wat politieke discussies gevoerd.
In 1966 verhuisde mijn gezin naar Delft. Daar mocht ik aan de wieg van CDA-Delft staan. In 1970 werd er een commissie van drie KVP'ers, drie CHU-mensen en drie antirevolutionairen ingesteld om voor het eerst een gezamenlijk verkiezingsprogramma op te stellen. De onwennige start duurde maar kort en we produceerden samen een redelijk programma, dat misschien nog wat te weinig inging op de praktische problemen in onze stad.
Bij de gemeenteraadsverkiezingen van 1974 was het zover: er kwam voor het eerst één CDA-lijst. Afgesproken was, dat ik in 1976 de ex-AR-man Wim v.d. Sterren zou opvolgen. Daarom stond mijn naam op nr. 11 van de kandidatenlijst, want op meer dan tien zetels durfden wij niet te hopen. Tot grote vreugde van iedereen, maar tot mijn schrik, haalden we elf zetels! Ik had de zomer hard nodig om me een beetje in te werken.
In september begon het gemeenteraadswerk.
Ik sprong in het diepe en merkte dat het zwemmen lelijk tegenviel.
Allerlei diepzinnige principiële overwegingen bleken onbruikbaar.
Wat wel werkte was de Bijbel. Met name de Spreuken van Salomo heb ik in die tijd bestudeerd.
Ook stapte ik binnen met het rare idee, dat de andere partijen niet veel goeds te zeggen hadden. Misschien de VVD nog een beetje. Maar de rest? Allemaal linkse rakkers met zelfs twee communisten ertussen. "Ze schreeuwen maar een beetje." Ja, dat dacht ik. Maar de realiteit was heel anders: aan de VVD had je niet veel, ze bestudeerden hun stukken onvoldoende.
Met de linkse rakkers was daarentegen redelijk te praten. Uiteraard waren er verschillen in uitgangspunten, maar dat ontaardde zelden in een wellesnietes discussie.
Het was hard werken: een eindeloze reeks stukken stroomde de brievenbus binnen. Meestal langdradige, onduidelijke, slecht geschreven nota's. Vaak kwamen die zo laat dat er nauwelijks tijd was voor overleg met fractiegenoten, laat staan met de achterban. Dit had ook gevolgen voor de discussies in de diverse raadscommissies. Ze waren vaak rommelig en langdradig.
Het viel niet mee om altijd oplettend te blijven. In dit opzicht is de situatie vandaag eerder slechter dan beter.
Hier ligt een grote bedreiging voor een redelijk functionerende democratie.
Kortom: Het is hard en moeizaam werken in de gemeenteraad. Tijd voor bezinning is er bijna niet. En daar zit je dan als lid van het CDA, maar wat doe je met die C?
In die tijd - het was 1976- werd ik getroffen door de handelwijze van Jimmy Carter toen hij aantrad als president van de Verenigde Staten. Na afloop van de beëdiging pakte hij het zakbijbeltje dat zijn moeder Hannah hem vroeger nog gegeven had, en las de eerste pericoop van hoofdstuk 6 van de profetieën van Micha. Dit gedeelte begint met de vraag van de Israëlieten aan Micha, welke offers zij wel niet allemaal moeten brengen.
Micha veegt hun hele probleemstelling van tafel en zegt tegen die mensen en over hun hoofden heen ook tot het CDA: "Hij heeft u bekend gemaakt, 0 mens, wat goed is en wat de Here van u vraagt: niet anders dan recht te doen en getrouwheid lief te hebben, en ootmoedig te wandelen met uw God."
(Micha 6:8) Het is die levenshouding die ons allen moet leiden, in de politiek en daarbuiten.
Maar wat betekent dit voor een bestuurder uit het CDA?
Voor een Christen-politicus bestaat er een spanning tussen wat je als wil van de Here Jezus voor je eigen leven ziet en de eisen die je als overheidspersoon in het publieke leven kan en mag stellen. Ook bij het volk Israël was dat al zo. Wij zien dat, bijvoorbeeld, aan wat onze Here Jezus zegt over de echtscheiding. Hij verwerpt de echtscheiding, behalve in extreme gevallen (dat is de norm!). De discipelen zien de praktijk en vragen: "En die scheidbrief dan die Mozes gebood te geven?" "Dat was vanwege jullie onverbeterlijkheid", zegt de Here Jezus.
En ook: "Maar in het begin was het niet zo." (Mat. 19) Mozes kon als leider van het volk Israël niet meer doen dan het kwaad indammen (desnoods echtscheiding, maar dan wel op ordelijke manier).
Dat is vandaag nog net zo. Een groot deel van de overheidstaak bestaat uit het indammen van het kwaad, hier in Nederland, hier in Delft. Maar wie is de CDA-bestuurder dat hij dat zou kunnen! De zonde en het kwaad wonen ook in zijn eigen hart: ijdelheid, kortzichtigheid, luiheid, bang zijn voor stemmenverlies. Ga zo maar door. Het is vaak vallen, maar ook in Jezus Christus opstaan tot een nieuwe gehoorzaamheid als mensen aan wie heel veel verg.even moet worden.
Ik benader de vraag: "Hoe moet je als Christen meedoen in de politiek?", nu nog wat meer van de organisatorische kant. Het Nederlandse antwoord is meestal: lid zijn van het CDA, of eventueel van RPF, GPV of SGP. Maar laten wij eens over de grenzen kijken.
Christenen zijn er wereldwijd. Tenslotte ben ik meer verwant met een Christen-Papoea in de binnenlanden van Irian-Barat dan met een vriendelijke, beschaafde maar atheïstische Nederlander. Maar hoe zijn zij buiten Nederland politiek georganiseerd?
We beginnen met Engeland. De Christenen daar vinden zo'n CDA maar vreemd. Zoiets als een Christelijke streekvervoersmaatschappij. Maar het Engelse parlement heeft wel zijn eigen kapel die door leden van alle partijen wordt bezocht. En de kroningsplechtigheid is een kerkdienst met een speciale liturgie.
Dan: Zuid-Afrika. Hier geen CDA achtige partij. Wel een president De Klerk, die de gelijkheid van alle Zuidafrikanen als een fundamenteel Christelijk principe ziet. Een enorme taak om dit te bereiken, en de weg is lang en vol obstakels.
Daarentegen: wel een Christendemocratische partij in, bijvoorbeeld, Italië. Over deze partij is helaas niet veel goeds te zeggen. Ik beklaag onze CDA-mensen in Straatsburg die hiermee op één hoop geveegd worden.
Uit de gegeven voorbeelden blijkt, dat Christelijke partijvorming geen vanzelfsprekende zaak is. Het CDA zal zich dat in internationale contacten moeten realiseren.
Waarom dan in Nederland wel een CDA? We gaan terug naar de tijd van de Franse revolutie rond 1800. Het is niet te ontkennen dat deze revolutie vele oude mtsstanden heeft opgeruimd.
Maar het uitgangspunt was atheïstisch met de strijdkreet: "Geen God en geen meester". Dit werd consequent doorgevoerd, ook in het staatkundig denken. In verschillende landen waren er mensen die zich hiertegen verzetten. Zij begonnen na te denken over het concretiseren van het Christelijk geloof in het staatkundig handelen. In ons land was dat met name Groen van Prinsterer met zijn boek 'Ongeloof en Revolutie'. Een boek dat ook bij vele Christenen weerstand opriep. Zij zeiden: "Het geloof is iets persoonlijks, voor de binnenkamer."
Intussen dreigde de tirannie van het antichristelijk denken de hele samenleving in de houdgreep te krijgen.
Ook voor het onderwijs was dat in de negentiende eeuw steeds sterker het geval. De felle reactie van Nederlandse Christenen op dit terrein werd gekanaliseerd in de Christelijke partijvorming.
En deze partijvorming kennen wij nu nog.
Dit heeft veel voordelen. Er is echter ook een nadeel ten opzichte van, bijvoorbeeld, de Engelse situatie: door het bestaan van het CDA gaan andere partijen zich min of meer antichristelijk voelen.
Als volgend punt zou ik een aantal bedreigingen willen noemen die vandaag om een politiek antwoord vragen.
1. De overheid lijkt steeds meer op een schoolmeester die geen orde kan houden.
Wetten en verordeningen zijn er om gehandhaafd te worden. Echter: voorbeelden te over waar dat niet gebeurt.
- Verkeersregels worden door zeer velen aan hun laars gelapt. De helft van de fietsers rijdt zonder licht.
- Of: "Je bent wel gek als je een boete betaalt, ze komen het toch niet halen."
- Op grote schaal wordt misbruik gemaakt van de sociale wetgeving.
"Er wordt toch niet gecontroleerd".
En zo verder.
Dit hangt samen met het volgende.
2. Te weinig wordt beseft dat er aan iedere wet, verordening of besluit op ieder niveau een prijskaartje hangt.
"Dat moesten ze verbieden!" roepen er een paar. Later roepen het zoveel mensen, dat tenslotte een officieel verbod volgt. Het handhaven van zo'n verbod kost echter geld en mankracht. Als dat er niet komt, is het hele verbod een slag in de lucht.
3. De maatschappij verhardt zich.
Denk, bijvoorbeeld, maar aan de onvettiqheld op straat. Wanneer je wordt aangevallen is er vaak geen voorbijganger die je helpt. Dat is de 'Ben ik mijn broeders hoeder'-
mental iteit.
4. Onze zogenaamde Vrije-Markteconomie is een oorlogseconomie.
Het wegvallen van de Russische oorlogsdreiging leidt tot een schrikbarende stijging van de werkloosheid.
En het is niet voor het eerst dat in onze eeuw een dergelijke koppeling aan het licht is gekomen.
Een hardere veroordeling van ons Vrije-Marktmechanisme is nauwelijks denkbaar. Een opdracht voor het CDA om hiervoor oplossingen te zoeken. Het werkloosheidspercentage zal nooit nul worden, maar een verlaging met een factor 10 is dringend noodzakelijk. Misschien zijn zelfs elementen uit de verfoeide communistische economie bruikbaar. In het nieuwe CDAverkiezingsprogramma worden goede dingen gezegd. Denk alleen maar aan de kernbegri ppen gerechtigheid, solidariteit en verantwoordelijkheid.
Maar de realiteit is, dat een groot aantal mensen daaraan geen boodschap heeft. Zij hebben maar één principe: "Ikke, ikke, en de rest kan stikken." Wie geen oog heeft voor deze bittere realiteit blijft steken in mooie principes.
5. Onze volksvertegenwoordiging begint zich steeds meer te gedragen als een algemeen bestuur.
Vaak zijn de discussies te technisch.
Door het ontbreken van grote (principiële) lijnen herkent de burger zijn eigen vertegenwoordigers te weinig. Hij raakt de draad kwijt en tenslotte zijn interesse in de politiek.
Ook nu nog zien wij de tirannie van de denkwereld van de Franse revolutie: Geen God en geen meester! En dus ook geen naaste om lief te hbben als jezelf.
Tenslotte wil ik mijn kijk op de toekomst met het verleden combineren.
Als in de gemeenteraad de discussies zich soms eindeloos voortsleepten, keek ik wel eens naar het portret van prins Willem I, en dacht dan aan zijn eindeloze discussies met de zeurende regenten. Op een keer tijdens een pauze stond ik weer te kijken. Een PvdA-wethouder kwam naast mij staan; hij raadde mijn gedachten en zei: "Hij, prins Willem I, was de eerste CDA-man." Zelden heb ik iemand zo precies de spijker op de kop zien slaan. Dat wordt ook verwoord in het zesde couplet van ons volkslied.
Mijn Schilt ende betrouwen Sijt Ghy, 0 Godt mijn Heer.
Op U soo wil ick bouwen Verlaet my nemmermeer; Dat ick doch vroom mach blijven U dienaer taller stondt, Die Tyranny verdrijven, Die my mijn hert doorwondt.
In dit couplet wordt gesproken over het verdrijven van de tirannie. Bedoeld was in de eerste plaats de Spaanse tirannie, maar ook de tirannie van Lumey hier in Delft. En tenslotte de tirannie van de regenten, die alleen aan zichzelf of in het beste geval aan hun eigen stad dachten. Wij moeten strijden tegen de tirannieën van onze tijd.