Tussen kerk en keuken

1994-06-17
  • Jaargang 38
  • nummer 12
Buurvrouw
Wij verhuisden van Amsterdam naar Alkmaar toen onze kinderen nog klein waren. De jongste was zes weken en we hadden onze kinderen die dag uitbesteed bij oma en opa, want verhuizen met kinderen is een regelrechte ramp. Zeker met die van ons.
Ik had het wel geprobeerd mét, maar was gestopt met die poging. Alles wat ik uit de kast haalde en in kranten gewikkeld in een doos stopte, graaide de oudste er juichend uit. Hij vond het een feest en stapte parmantig door de troep.
Naar oma en opa dus.

We gingen van een driekamerflat waar we uitbarstten naar een eengezinshuis met drie keer zoveel ruimte en het enige minpunt aan de verhuizing was dat ik een bovenbuurvrouw gedag moest zeggen, waar ik het bijzonder goed mee kon vinden.
"Dag Dien," snikte ik, voor ik bij mijn man in de auto stapte. Zij snikte mee: "Ik kom je vlug opzoeken hoor." en zwaaide tot we om de hoek waren.

We reden naar het kleine nieuwbouwwoninkje, dat net buiten het centrum van Alkmaar lag en dat een maand geleden bewoonbaar was verklaard.
Het was januari en steenkoud, maar de verhuiswagen was al gearriveerd toen wij bij ons nieuwe huis aankwamen en de rest van de dag holden we van hot naar her.

Aan het eind van de dag, toen de bedden klaar stonden, de tafel weer poten had en de kinderen thuisgebracht waren door oma en opa, weigerde de centrale verwarming.
Gelijke tred houdend met de temperatuur in huis, zakte mijn humeur met graden. Als ik ergens knorrig van werd, dan is het wel van kou en toen mijn men zich goedwillend maar tevergeefs over de verwarmingsketel boog, zei ik bits: "Ik vraag wel even aan de buren, misschien weten die hoe dat ding werkt!"

Ik belde aan. Een....man van middelbare leeftijd deed open en toen ik me had voorgesteld riep hij naar achteren: "Moeder. .. De buurvrouw."

De zaak was zo voor elkaar. Niet dat de buurman wist hoe de verwarmingsketel werkte, maar hij had het telefoonnummer van de monteur en dat had effect. De monteur kwam en een half uur later werd het in huis behagelijk warm. De kinderen renden door de kamer en wij knikten elkaar verheugd toe.
Alkmaarders van de toekomst!

Na een paar weken waren we gewend.
Het voordeel van tegelijk met je buren ergens nieuw komen, is dat je binnen een week de hele straat kent.

Het werd zomer. De kinderen konden naar buiten en ik vond het leven goed en prees mezelf gelukkig toen ik in de voortuin een boek zat te lezen.
Mijn buurvrouw kwam naar buiten en trok een stoel bij.
"Kent u omaatje," vroeg ze.
"De moeder van Linda?" aarzelde ik.
Drie huizen verder woonde een stel van mijn leeftijd waar de moeder bij in was getrokken. Ze moest lachen.
"Nee, die niet, die noemen ze Omie.
Nee, omaatje is een nieuw soort bessenjenever.
"
"Ken ik niet." zei ik resoluut.
"Wil u soms proeven." vroeg ze.
"Mmm ... om drie uur in de middag?"
aarzelde ik.
Ze haalde haar schouders' op. "Geeft dat nou," zei ze en even later zaten we in de hete zon aan de bessenjenever.
Ik moet zeggen, het maakte de tongen aardig los. We raakten op goede voet met elkaar en babbelden plezierig een eind weg en na een tweede glaasje lagen we dubbel om de kleine dingen van het leven.

Er ging iemand voorbij die ik vaag kende en ik stak vrolijk mijn hand op.
"Iemand van de kerk," verduidelijkte ik.
Mijn buurvrouw knikte. "Jullie gaan iedere zondag naar de kerk." stelde ze vast.
"Ja," zei ik.
"Je gaat nog graag ook hé?" vroeg ze bevreemd.
Ik dacht na: "Dat is waar. Ik ga graag."
zei ik langzaam.
Het verraste me zelf ook. Vroeger ging ik deels uit gewoonte, deels uit de overtuiging dat ik niet 'zonder' kon.
Het was net zo iets als naar school gaan. Nodig, nuttig en goed. Maar echt voor mijn plezier? Nou nee!
Dat was in de loop van de jaren veranderd.
Zomaar ... Door mezelf niet opgemerkt, maar wel door mijn buurvrouw.

"Ik ben van huis uit wel kerkelijk. Vreselijk vond ik het," zei ze driftig. "Lang dat die diensten duurden ... Uren! Maar we moésten. En mijn vader was streng. Die sloot ons op in een donkere kast als we stout waren geweest.
Nee, ik had een hekel aan de kerk."
"De kerk kon er toch niets aan doen dat uw vader u opsloot," zei ik verbaasd.
Ze kneep in de steel van haar glas en draaide het rond.
"Dat zal wel niet," zei ze. "Maar voor mijn gevoel horen de kerk, mijn vader en al die sombere uren, zo bij elkaar, dat ik er liever niet meer mee te maken heb."
"Maar," begon ik en zweeg toen. Dit was niet het goede moment om tegen haar in te gaan. Redeneren tegen gevoelens is bijna onmogelijk! Even later ging ik naar binnen. Ik zag hoe ze wat onkruid uit haar tuintje trok. En ik had medelijden met haar. Haar beeld van God als een vader werd verduisterd door de vader die haar in een donkere kast opsloot.
En dat laatste beeld is moeilijk uit te roeien.
Arme buurvrouw!

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief