Krisis om het gouden kalf (over Exodus 32 t/m 34)

1994-07-01
  • Jaargang 38
  • nummer 13
Er zijn maar weinig tegenstellingen zo schril als die tussen Gods tabernakelplan en Israëls gouden kalf. Tussen de nabijheid volgens Ex. 25 e.v. en de 'nabijheid' van Ex. 32. Stel u voor: terwijl Jahwe nog bezig is met een heel program om vlakbij, ónder Zijn volk te wonen, - kan dat volk het al niet laten, zélf Gods aanwezigheid te willen 'maken ', Het blijkt een diep-ingrijpende krenking die mensen de HERE aandoen, als we Hem letterlijk niet verder vertrouwen dan we Hem zien. En aangezien we Hem niet kunnen zien, régelen wij dan Zijn nabijheid wel! Israël neemt hier niet maar zijn lot in eigen hand.
Het wil Gód in eigen hand! God stuurbaar door ons!

Stomme beelden
Mensen van onze tijd en cultuur zeggen: wat wilde men toch met die 'stomme beelden'? Deze kreet 'naar de catechismus' doet aan de betékenis van wat de H.C. bedoelt met dat 'stom' al geen recht. Negeert de heel echte 'impact' van beeld en vorm - denk aan invloed TV. Maar vooral: dan doen we de Bijbel toch echt geweld aan. Want dit verbod gaat niet over een godenbeeld op zich. Het gaat over onze oerneiging, God met ons beeld of denkbeeld of wat dan ook(1) naar onze hand te willen zetten, te willen controleren.
Omdat Zijn gegéven nabijheid ons niet safe genoeg is. Niets is zo krenkend voor God en rampzalig voor onszelf als deze vorm van 'doe-het-zelven'.
Ex 13:21 vertelt dat Jahwe voor Israël uit ging, dag en nacht. In 32:1 eist het volk van Aäron: maak ons goden (of: God) die voor ons uit gaan... Dezelfde woorden: God voor ons uit. Maar wat een wéreld van verschil door dat: 'maak ons...' Daarom is dit voor God niet een onhandig slippertje met een godenbeeld van een nog niet aan Hem gewend volk. Maar een motie van wantrouwen.
Dat geldt nóg! Een gebeuren als dit verziekt de hele omgang van God met Zijn volk van binnen uit. Want Hij mag dan niet zijn zoals Hij Zich aan ons geeft. We nemen Hem niet zoals Hij IS.

'Ze waren er gauw bij...'
Als Israël bezorgd was om Mozes, die zo lang uitbleef, was dat natuurlijk niet verkeerd. Hij was een oud man, en dan steeds heen en weer die sidderende godsberg op, - neen, dat is geen kleinigheid. Echter, Mozes wordt genoemd in hun bezorgdheid over zichzélf. Het blijkt dat hun fiducie in de grote Meester van Mozes met de beschikbaarheid van de godsman staat of valt. En dan - en dáár gaat het dus echt helemaal fout! - dan hebben we de zaak maar liever zélf onder controle.
Dat komt nergens zo schrijnend uit als in Gods eigen woord aan Mozes: 'Israël was er maar wát gauw bij om af te wijken van de weg die Ik hun geboden had'. Hier is niet maar overtreding van één regeltje. Hier is alles wat u van Mij hebt meegemaakt en vastgelegd gekregen, in één klap onderuit gehaald.

Hardnekkig
noemt God deze zonde. Daarbij gaat het niet om koppigheid of halsstarrigheid op zich. Maar om de weigering, ons in vertrouwen te voegen naar de HERE.Een mens gelooft dan wel dat God bestaat. Maar wat voor God nu net Zijn eer is - dat we ons aan Hem overgeven - daar gaat een dikke streep door. En ook Góds eer is teer.
We weigeren dan het eigenlijke van het omgaan met Hem. Dat is 'de weg' waar Hij hier over spreekt. Of je dat nu ongeloof noemt, of gebrek aan vertrouwen of overgave, - het is voor Jahwe onverteerbaar.

Aäron
Aäron bleek ons de man die God had gekozen als postiljon d'amour in Zijn verkeer met Israël, hfdst. 28. Heel wrang verleidt de boze déze man tot de sleutelrol in het drama van het gouden kalf. Of de satan ook de naäper van God is! Tegen wil en dank, gewoon door gebrek aan durf om tegen de eis van het volk in te gaan, raakt Mozes' broer hierin verzeild.
Probeert het met 'tactiek'. Gokt er waarschijnlijk op dat het inleveren van alle veroverde sieraden - ooit de 'herstelbetaling' van Egype, 12:35 - Israël toch te gek zal zijn als prijs. Een miskleun!
Te laat komt hij er achter dat Gods volk voor het 'in handen willen hebben' van de HEREerg veel over heeft. Eigenwilligheid is altijd zéér offervaardig!
Na die eerste stap durft Aäron dan niet meer terug. Hij vervaardigt wat zowel in Egypte als in Kanaän gezien wordt als de troonzetel voor een krachtige god: een stierbeeld. Omdat 'hun god' draagbaar moet zijn wordt de stier verkleind tot een stierkalf op een standaard.
En als het volk de reddingsdaden van Jahwe koppelt aan dat kalf, speelt Aäron het spel mee, vs 5 na vs 4. Waarmee hij het dus alleen maar erger maakt. Zo komt er een altaar, en er komt een feest, compleet met offers.
Maar de woorden verhullen niet dat het een echt vruchtbaarheidsfeest is.
Er is een scherpe tegenstelling tussen Mozes' vasten, zo lange tijd bij de HERE, en Israëls feesten(2) bij het kalf.
Aäron zégt wel 'feest voor Jahwe'.
Maar de tekst toont hoe de HERE het scherp en smartelijk voelt als ons echte bouwen op Zijn goedheid en liefde in druk eigentijds religieus geweid om zeep wordt geholpen.
Hier is het begin te zien van wat wij syncretisme noemen: het mixen van puur-menselijke afgoderij met elementen uit de dienst van God. Voelen we, hoe onverdragelijk dit surrogaat-voorgeloof voor de HERE is, en waarom?
'Uw volk' God kan de woorden 'mijn volk' niet meer over de lippen krijgen, zie ook 33:1. Dat lijkt te erg. Maar het is de verschrikking die Hosea (1:9) later van Jahwe optekent: 'gij zijt mijn volk niet, en Ik zal de uwe niet zijn'. Gods emotionele balans: het is stuk tussen u en Mijn. Waarom? Omdat ze na de redding uit Egypte, de bewaring onderweg en de sluiting van Gods koningsverdrag NOG denken zo'n kalf nodig te hebben om 'greep' op 'hun God' te krijgen! Het ding verafgoden, en Zijn genadedaden dááraan toeschrijven, vs 8. Dan is het voor God óver.

Naijverig
We staan hier voor de werkelijkheid van Gods 'naijver'. Vervangt u dat woord maar niet door 'jaloersheid'.
Want dát is in ons huidig taalgebruik overdreven gevoeligheid van vrouw of man t.a.v. de geliefde. Terwijl bij Gods naijver in ieder geval vast staat dat Gods emotie m.b.t. Zijn volk rechtmatig is, en heilig. Het gaat om niet minder dan wat God in Zijn liefde kan en wil geven èn nemen! Zijn liefde gaat ver, vgl. 34:6 vv . Maar ze knapt af op de weigering, je aan Hem toe te vertrouwen, vgl. 34:7 en Mt 13:58.
Dat betekent dat Gods plan van vs 10 allesbehalve een lóós dreigement is.
Ook al loopt het straks nog goed af, Israëls bestaan hangt hier ècht aan een zijden draad. God wil er een eind aan maken. Met een rest opnieuw beginnen. Dat was eerder gebeurd, bij de zondvloed. Ook de profeten later weten ervan. Jahwe vraagt zelfs a.h.w. Mozes' instemming met Zijn voornemen Israël te verdelgen. En er is geen sprake van dat Mozes Gods recht daartoe zou betwisten.

Zachtmoedig
Mozes krijgt in de Bijbel de geweldige attestatie, dat hij 'een zeer zachtmoedig man (was), meer dan enig mens op de aardbodem' Num 12:3. Deze vriend/knecht van God lijkt daarin op Gods Zoon, al blijkt ook hij niet volmaakt(3).
Nog op de berg stort hij zich in zijn eerste pleidooi voor zijn gevallen volk.
Onder de indruk van de rechtmatigheid van Gods toorn probeert Mozes toch Jahwe mild te stemmen, lett. 'Zijn aangezicht te verzachten'. Zonder te letten op eigen voordeel, vs 10 slot, concentreert Hij zich op het redden van Israël waaraan hij verknocht is.
Let op: in zijn pleidooi is geen enkel argument ontleend aan Israël. Integendeel, hij noemt alleen daden van Jahwe zelf. De smaad van Egypte over Gods naam als het volk verdelgd zou worden. En de belofte van God ooit aan de aartsvaders.
HERE, wat gebeurt er zo met Uw naam? En met Uw grote daden?

Berouw
Heel Mozes' omgaan met God blijkt eerbiedig en doortastend, spits en bewegelijk. Wetend Wie hij voor zich heeft, en toch 'zoals een man spreekt met zijn vriend: 33:11. Hier, en in vss 30vv en in de 'onderhandelingen' van 33:12-34:8. Een echte worsteling om de HEREop andere gedachten en gevoelens te brengen.
Veel christenen hebben moeite met berouw van God. Men meent dat de Alwetende nooit berouw kan hebben.
En: berouw is spijt over iets kwaads, en Hij doet geen kwaad. M.i. vergeten we in zulk redeneren dat Jahwe de levende God is, die mee-leeft en meegaat in allerlei gebeurtenissen. Dat moeten we niet wegwissen(4). In al Israëls benauwdheden was Hij benauwd, zegt Jesaja 63:9. We lezen van allerlei emotie en ontroering van Hem.
Góddelijke gevoelens, ja, maar wel échte!

Bovendien: het is onjuist dat iemand alleen berouw kan hebben van iets dat niet goed is. Helaas geldt dat voor ons mensen meestal. Maar het hóeft niet zo te zijn. Iemand kán ook tot andere gedachten komen over iets dat wel goed is of was. B.v. omdat dat goede toch verkeerd uitpakte. Of omdat er andere overwegingen zijn, die de eerste in een ander daglicht stellen(5). En zo staan we voor de heerlijke werkelijkheid van Gods berouw. Want zeg nu zelf: Jahwe hoort Mozes niet alleen aan. Hij luistert ook echt naar Hem!

Noten
1 De Bijbel vertelt openhartig en onthutsend wat hierin mogelijk bleek. O.m. Gods eigen ark 1 Sam 4, de koperen slang 1 Kon 18:4v, Gods wet Jes 29:13, Mt 15:8v, en Zijn tempel Jer 7:5vv, Mt 23:38 zijn ooit in deze zin misbruikt.
2 Het woord vertaald met 'vreugde bedrijven' is een eufemisme voor het echte Kanaänietische sex-bepaalde feesten.
3 Zie de opvallende vergelijking die in Hebr 3 gemaakt wordt tussen Mozes de knecht en Christus de Zoon. En vgl. Joh 1:17. Mozes ver'tegenwoordig't hier de komende Christus.
4 Helaas hebben veel christenen van God meer het beeld van de 'onbewogen Beweger' zoals de Grieken zich hun god dachten - en veel Moslims zich Allah denken! - dan van de warm-levende God van Israël.
5 Vgl in 1 Sam 15 vers 29 met vers 35.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief