Als vervolging komt
1994-07-01
Ik schrijf alle gemeenten en druk alle op het hart dat ik graag voor God sterf.- Jaargang 38
- nummer 13
Als u het mij maar niet verhindert. Ik vermaan u: laat uw welwillendheid mij niet ongelegen komen. Laat me toch voedsel zijn voor de dieren. Daardoor kan ik tot God komen. Ik ben de tarwe van God en door de tanden van de dieren wordt ik gemalen opdat ik zuiver brood van Christus zal blijken te zijn. Ja, hitst de dieren op dat ze mijn graf worden en niets van mijn lichaam overlaten. Dan ben ik niemand tot last, als ik gestorven ben. Dan zal ik werkelijk een leerling van Jezus Christus zijn als de wereld niets meer van mijn lichaam zal zien. Smeekt Christus ten gunste van mij opdat ik door die werktuigen een offer voor God blijk te zijn.
Ignatius van Antiochië, martelaar rond 110 A.D.
Bijzondere ontmoetingen
Een paar keer heb ik iemand ontmoet die me een heel bijzonder gevoel gaf.
Ik besefte bij die gelegenheden dat de persoon met wie ik sprak heel goed op korte termijn zou kunnen sterven, om zijn geloof.
Het gebeurde eenmaal in India dat een vooraanstaand Christen me zei dat hij bij wellicht niet lang meer zou leven, omdat hij bij fundamentalistische Hindoes op een dodenlijst stond. Het kon elk moment zover zijn dat men hem zou vermoorden. Dat gebeurde vrij geregeld, zei hij; de "ter dood veroordeelde" werd meestal met een dolk neergestoken, terwijl de moordenaar in zijn andere hand een exemplaar van een heilig Hindoeboek, de Bhagavad Gita, zou vasthouden. Dat alles wist hij.
Onlangs kwam ik hem weer tegen. Hij had het overleefd, tot nu toe, maar echt veilig was hij nog steeds niet. In de laatste vijf jaar had hij veel meegemaakt, "maar", zei hij, "ik ben niet meer bang. Ik heb 't idee dat veel Indiase gelovigen niet meer zo bang zijn als toen." Dat werd voor een groot deel door de grote verkiezingsnederlaag van de Hindoefundamentalisten, de BJP, verklaard. "We hebben nu veel meer het besef dat onze God alle macht heeft. Niemand had die nederlaag verwacht; we hebben ons, menselijkerwijs, proberen te beschermen en toen gebeurde dit. Het is niet uit te sluiten dat fundamentalisme in ons land weer de kop opsteekt, maar de Christenen lijken hun angst te zijn kwijtgeraakt. We weten dat Wein Gods hand zijn."
Ook in Nepal hebben we, in dat geval met een camerateam van de EO, mensen ontmoet die weet hadden van intense vervolging; een had jaren in de gevangenis gezeten, was mishandeld maar bleek, als een aloude man, volstrekt ongebroken!
Steeds meer
Naast gelovigen uit de wereld van het Hindoeïsme zijn er in de wereld van de Islam steeds meer mensen te ontmoeten die tot aanvaarden van Christus zijn gekomen en voor die stap al zwaar hebben moeten boeten. De lijdende Kerk wordt tegenwoordig het meest aangetroffen in de moslimlanden.
Steeds vaker kunnen die mensen ook op onze weg komen, onder andere als asielzoeker in een van onze daartoe ingerichte centra, die verhalen kunnen vertellen van de moeiten, de pesterijen of de regelrechte vervolging in hun eigen land. Om daar als westerse christenen goed op te reageren hebben we wijsheid en veel begrip nodig, en de bereidheid goed naar hun verhaal te luisteren. Eveneens lijkt het nodig dat we ons opnieuw bezinnen op de Bijbel en de historie van Kerk en Zending om enigszins vertrouwd te raken met het verschijnsel "vervolging omwille van ons geloof". We kunnen om allerlei redenen niet doen, alsof vervolging alleen mensen treft die in Christus geloven. Tegelijk moeten we er wel bij zeggen dat zeker ook Christenen die trouw willen zijn, dan hier, dan daar, het slachtoffer van repressie of erger blijken te worden.
De geschiedenis
Het thema is zodanig omvangrijk en heeft zijn vertakkingen naar zoveel kanten dat het volstrekt niet in zijn volle diepte en breedte in een paar artikelen uit de doeken valt te doen, (waarbij bovendien de vraag gesteld moet worden of ik degene ben die daarvoor de aangewezen figuur ben).
Toch meen ik dat het thema van verdrukking van Christenen weer aktueel is en dat er maar eens iemand over beginnen moet; wellicht ben ik dat dan. Primair zou ik voorbeelden uit de kerkgeschiedenis en de historie van de zending willen kiezen, opdat we opmerken hoe in het verleden op vervolging gereageerd is.
Daarvoor ga ik deze keer terug naar het begin van de tweede eeuw van onze jaartelling. Dat is een tijd waarin de eerste generatie gelovigen gestorven is; apostelen die het optreden van Christus hebben meegemaakt zijn er niet meer, alhoewel de oudste traditie al meldt dat Johannes heel oud geworden is. (Eusebius. Kerkelijke Geschiedenis. boek III. hoofdstuk 23)(2)
Dat blijkt een tijd waarin vervolging van Christenen voorkomt, zij het dat die vervolging niet of nauwelijks systematisch uitgevoerd wordt en zeker niet overal tegelijk, in het hele Rijk; plaats vindt. Vervolging vindt in die vroege periode in de Kerkgeschiedenis voor een groot deel sporadisch plaats en blijkt vaak afhankelijk van de ijver (of gebrek eraan) bij individuele hoogwaardigheidsbekleders in een bepaalde regio.
Ignatius van Antiochië
Een van de vroegste martelaren uit na-nieuwtestamentische tijd is Ignatius, bisschoplvoorganger van de gemeente in Antiochië.
We hebben van hem een zevental brieven over, gericht aan een zestal gemeenten. Met de Brieven van Clemens van Rome, die men in 95 AD dateert en wellicht de Didache, de Onderrichting in de Leer van de Apostelen, horen ze tot de oudste christelijke geschriften die we over hebben.
De aanleiding van die geschriften is wel interessant. In de Syrische stad Antiochie breekt vervolging uit. De plaatselijke voorganger Ignatius wordt daarvan het slachtoffer. Hij is al sinds 69/70 A.D. leider van de christelijke gemeente van de stad en heeft kennelijk jaren min-of-meer ongestoord zijn taak kunnen uitvoeren. Nu echter wordt hij opgepakt en op transport naar Rome gesteld. Daar, in die stad zal zijn vonnis worden voltrokken; hij zal in de arena sterven. "Ad bestias", "tot de beesten", heeft zijn vonnis geluid.
Dat weet hij, als hij samen met andere gevangenen de lange reis, over land en zee, naar de Rijkshoofdstad onderneemt.
Hij wordt bewaakt door tien soldaten die zich kennelijk uitermate slecht gedragen. "Vanaf Syrië tot Rome vecht ik tegen beesten te land en op zee, dag en nacht, gebonden aan tien luipaarden: een troep soldaten.
Ze zijn nog beestachtiger, als men ze goed doet. Ik maak in grote mate kennis met ongerechtigheden, maar niet ben ik daardoor gerechtvaardigd." (Romeinen V. I)
Onderweg blijkt het echter zeer goed mogelijk om wezenlijk en intiem kontakt aan te gaan met Christenen uit gebieden waar men doorheen trekt. In die gebieden heerst op dat moment geen vervolging, zodat gelovigen zich vrij tot Ignatius begeven, zonder van de overheid repercussies te hoeven vrezen! (Voordat Ignatius het leven laat weet hij ook al dat de vervolging in Antiochië weer voorbij is; maar in de korte periode dat die woedde is hij veroordeeld en het vonnis blijft vankracht, ook nu in zijn stad de rust is weergekeerd.) Dr. Klijn zegt het als volgt: "In de steden die men aandeed toonden de christenen hun medeleven. Als men ergens halt hield, kwamen zelfs afgevaardigden uit naburige gemeenten om Ignatius te zien en naar hem te luisteren. Men ging zelfs nog verder: uit sommige gemeenten zond men boden om de komst van Ignatius bij andere gemeenten aan te kondigen. () Er is echter niet alleen sprake van loutere belangstel ing. De gemeente in Efeze en Smyrna wezen op verzoek van Ignatius (Eph. 11)Crocus en Burrus aan om hem op zijn veredere reis te vergezellen. (Philad. XI 1) Zo konden ze hem behulpzaam zijn bij het schrijven van zij brieven aan de gemeente in Rome (Rom. X).
Smyrna (Smyrn. XII) en Phialdelphia (Philad. XI 1) () Dit alles laat zien welk een netwerk aan verbindingen aanwezig was tussen de verschillende christelijke gemeenten. Maar hiervan zou niets meer bekend zijn als Ignatius op zijn reizen geen brieven had geschreven(3)."
Zo zitten dus mensen bijeen die hetzelfde geloven, die vanwege hun afwijkend geloof gelijkelijk onder het waakzaam oog van de overheid vallen, en toch de een is vrij en de ander is erom ter dood veroordeeld. In gesprekken met die Christenen van her en der komen diverse kwesties aan de orde.
Soms komt Ignatius, die ook buiten zijn gemeente groot gezag heeft, per brief nog eens op de besproken zaak terug. Via zijn kontaktpersonen geeft hij de bewuste brieven aan de diverse gemeenten mee. In de brieven, die ook nu nog zeer de moeite van het lezen waard zijn komt herhaaldelijk bestrijding voor van de dwaling van het Docetisme, de opvatting dat Christius slechts in schijn geleden zou hebben.
Nog vaker echter komt het probleem van de kerkelijke verdeeldheid aan de orde. De wijze waarop Ignatius dat probleem wil oplossen doet ons mogelijk erg "rooms" aan; de gemeenschap moet zich steeds weer bij de bisschop voegen en hem volgen; dan komt het allemaal goed tussen God en mens.
Een sterk hiërarchische visie op de ambten is duidelijk merkbaar -en dat al zo vroeg in de Kerkhistorie...
Niet tussenbeide komen!
Het meest valt op dat Ignatius een man is die beseft dat hij gaat sterven en die daar vrede mee heeft gekregen. Meer nog, in de brief die hij aan de gemeente van de Romeinen vraagt hij met nadruk of ze alsjeblieft niet tussenbeide te komen, als zijn proces voorkomt. Hij komt naar Rome om er te sterven en zou het verschrikkelijk vinden, als mensen door hun visie op behulpzaamheid hem van zijn doodvonnis zouden gaan redden! De brief aan de gemeente in Rome is overduidelijk met het doel geschreven, dat ze dat niet zullen proberen...
Zegt hij in zijn brief aan de Efeziers dat hij hoopt "in Rome tegen de wilde beesten te mogen vechten om zo een leerling te mogen zijn" (Efeziërs I, 2) in zijn brief aan de Romeinen doet hij er bepaald nog een schepje boven op: "Ik verheug me op de beesten die voor me in gereedheid worden gehouden en ik bid dat ze het kort met me zullen maken. Ik zal ze ophitsen om me vlug te verslinden. Het zal anders gaan dan wanneer ze uit angst niet durven aanvallen. Als ze onwillig zijn en niet willen, dan zal ik ze dwingen." Tegenover het (begrijpelijke, menselijke) gevoel van afgrijzen om het lot van de martelaar, zoals de gemeente in Rome dat voelen kan, zegt hij: "Vergeef me, ik weet wat het beste voor me is. Nu begin ik discipel te worden. Niets dat zichtbaar of onzichtbaar is moet zich voor me inspannen, opdat ik bij Jezus Christus kom. Vuur, kruis, gevecht met de beesten, breken van beenderen, ontwrichten van ledematen, totale verbrijzeling van het lichaam, wrede kwellingen van de duivel, laat ze maar komen, als ik maar bij Jezus Christus kom." (Romeinen V. 2, 3)
Morbide of masochistisch?
Zo komt hij tot zijn forse uitspraken, die voor 'n twintigste-eeuwse mentaliteit toch wel zeer bizar kunnen overkomen.
Stel je voor, iemand zegt: als die beesten geen trek in me hebben, dan zal ik ze daartoe aanzetten, maar verscheuren zullen ze me en ik wil niet dat niemand me mijn martelaarskroon afpakt. Is dat niet morbide of een dubieus masochistisch trekje? Ik weet het antwoord op die vraag niet. Een psychologisch rapport over des bisschops persoonlijkheidstruktuur is ons niet geschonken.
En toch...
Tegelijk kan men zich natuurlijk nog een ding afvragen: zitten wij met onze visie op het behoud van ons fysieke leven ten koste van alles per se dichter bij de wil des Heren? Weten we dat wel zeker? Er is bij me geen enkel verlangen om de extreme uitspraken van de Antiocheense bisschop tot gemiddelde houding van een Christen te verheffen. Daarvoor staan ze ook in de historie wat apart van de inhoud van latere martelaarsacten. Ignatius is wel een beetje erg radicaal misschien.
Niettemin zijn de volgende uitingen van Ignatius voor ons misschien ook de moeite van het overdenken waard, al was het alleen maar omdat ze uit zo'n andere belevingswereld stammen dan de onze: "Het is schoner te sterven voor Jezus Christus dan te heersen over de uiteinden der aarde. Hem zoek ik die voor ons stierf. Hem wil ik die voor ons opstond. Mijn geboorte is aanstaande." (VI. 1)
Ignatius zegt wat we in de Roomskatholieke heiligenkalender steeds opmerken: de sterfdag van de heilige is de verjaardag, zijn of haar geboorte in de eeuwigheid. Bij Ignatius ligt het accent wel heel erg op "het leven der toekomende eeuw". Bij ons is dat echter wellicht wel eens erg weinig het geval, beinvloed als we worden door de twintigste eeuw.
Noten
1. Ignatius van Antiochië. Brief aan de Romeinen. IV. 1,2. geciteerd uit A.F.J. Klijn. Apostolische Vaders 1. Kok, Kampen. 1981. pp.98,99.
2. De laatste uitgave in onze taal mij bekend is die van Prof. D. Franses. uitgeverij Paul Brand, Bussum, 1946.
3. Klijn. a.w. p.15, 16.