Genesis 1 (2)
1994-12-16
Dat het bericht in Genesis 1 over de schepping van het licht niet beoogt natuurwetenschappelijke informatie te geven, maar opgevat wil worden als evangelieverkondiging, blijkt ook uit het kontrast tussen vs 3 en vs 2. Gods eerste scheppingswerk grijpt in op een situatie die heel nadrukkelijk als sinister wordt beschreven. Want dat de aarde 'woest en ledig was', wil zeggen dat er geen leven op aarde mogelijk was. De uitdrukking 'woest en ledig' komt ook voor in Jeremia 4:23. Daar is het de aanduiding van de rampzalige toestand die het gevolg is van Gods gericht over Israël: de dag des oordeels laat het land doods, onherbergzaam, levenloos achter (zie Jeremia 4:24-26; vgl. Jesaja 34:11). In dat kader past de duisternis waarvan in Genesis 1:2 sprake is.- Jaargang 38
- nummer 25
'Duisternis' roept overal in de bijbel nare gedachten op: 's nachts kun je geen hand voor ogen zien, zodat je je ellendig kunt stoten, Johannes 10:10;in het donker opereren criminelen, Job 24:13-17.'Duisternis' is uiteindelijk de sfeer van de dood, Job 10:21,22;psalm 88:7,13.Met andere woorden: toen God het licht schiep, zette Hij de eerste stap op de weg naar een leefbare wereld. Want zoals 'duisternis' in de bijbel verbonden is met dood en gevaar, zo verwijst 'licht' naar leven en veiligheid. Het slot van psalm 56 (berijmd) zegt het onnavolgbaar mooi: Geprezen zijt Gij, HEER, die telkenmale de zon van uw gelaat voor mij deed stralen, dat ik mag wandelen en ademhalen in 't licht dat leven doet!"
Ere wie ere toekomt!
Alles wat de verzen 4 en 5 toevoegen aan het bericht over Gods eerste scheppingswerk, bevestigt dat hier niet vanuit natuurwetenschappelijke interesse naar het fenomeen 'licht' wordt gekeken. God zelf is de eerste, die de positieve waarde ervan vaststelt: "En God zag, dat het licht goed was." (vs 4a) Hij zorgt er ook voor, dat het licht niet 'gegrepen' wordt door de duisternis (vgl. Johannes 1:5): Hij stelt het onverstoorbare ritme van dag en nacht in, zodat het donker steeds opnieuw plaats maakt voor het licht. Hij ontneemt ook aan de duisternis het angstaanjagende: Hij geeft immers een naam aan het donker, 'nacht' (vs 5b), wat betekent dat niet alleen de dag, maar ook de nacht onder zijn heerschappij valt (psalm 74:16). In feite wordt hier reeds de troost van psalm 91 voorbereid: "Gij hebt gij niet te vrezen voor de verschrikking van de nacht, ... voor de pest die in het duister rond waart." Zo drukt de HERE in de schepping van het licht het stempel van zijn goedheid op de wereld. Maar daarmee komt ook de schepping van zon, maan en sterren op de vierde dag in een heel ander perspectief te staan. Vanuit natuurwetenschappelijk oogpunt gezien is het een hoogst wonderlijke volgorde. Maar als het erom gaat dat het levenslicht eengoede gave van God is, krijgt het een diepe zin dat de hemellichamen pas veel later op het toneel verschijnen. Reeds Calvijn heeft hierin de boodschap opgevangen, dat wij mensen niet van zon, maan en sterren afhankelijk zijn voor de elementaire levensvoorwaarde 'licht'. Sprekend over de zegeningen van licht en warmte zegt hij: "Maar om de algehele lof voor dit alles zichzelf toe te eigenen, heeft de Here gewild, dat het licht bestond ...
voordat Hij de zon schiep." (Institutie I, XVI, 2) Met andere woorden: ere wie ere toekomt! Blijkens deze scheppingsvolgorde is het uiteindelijk niet de zon, maar de HEREdie ons het levenslicht schenkt. In onze eeuw is dat inzicht verder uitgewerkt. Men verwees daarbij naar de daadwerkelijke aanbidding van zon, maan en sterren, zoals die volgens bijvoorbeeld II Koningen 23:5 in Juda heeft plaatsgevonden. Net als de volkeren rondom hen zijn de Israëlieten kennelijk zo onder de indruk geweest van de lichten aan de hemel, dat zij hen verantwoordelijk gingen achten voor het gedijen van het leven op aarde. Genesis 1 geeft te verstaan dat dat echt teveel eer is: zon, maan en sterren moeten zich niets verbeelden - het licht dat leven doet was er al lang voordat zij begonnen te funktioneren! Het is zeer opmerkelijk dat deze relativering van het belang van de hemellichamen bevestigd wordt in de voleinding van de wereld. Volgens Openbaring 21:23 heeft het nieuwe Jeruzalem "de zon en de maan niet van node, dat die haar beschijnen, want de heerlijkheid Gods verlicht haar en haar lamp is het Lam."
De betekenis daarvan is duidelijk: in de voleinding zullen wij dankzij de onmiddellijke nabijheid van de Here door zijn eigen lichtglans omstraald worden. Het kan niet anders of de glans van zon, maan en sterren zal dan verbleken. De eerste én de laatste dag van de geschiedenis drukken hetzelfde uit: God doet ons, klaarder dan de zon, het licht der wereld schouwen (psalm 36:3 berijmd).
Koelvloeistof…
Het bericht over de scheiding van de wateren (Genesis 1:6-8) roept al evenzeer lastige vragen op voor wie er natuurwetenschappelijke informatie uit wil peuren. Het resultaat van dit scheppingswerk is immers, dat er wateren onder en boven het uitspansel zijn. Met de eerste zijn - blijkens vs 8 en 9 - de watermassa's bedoeld, die op de derde dag samenvloeien tot zeeën en meren. Maar wat te denken van de wateren bóven het uitspansel? Velen houden het erop dat hiermee de wolken bedoeld zijn. Dat is echter geen geloofwaardige oplossing. Immers, volgens vs 14-17 brengt God aan het uitspansel zon, maan en sterren aan om licht te werpen op de aarde. Zij bevinden zich dus aan de naar ons toegewijde zijde van het uitspansel, dat voorgesteld wordt als een geweldige koepel. Het is tegelijk duidelijk dat zij hoog verheven zijn bóven de wolken. Maar dan is het onmogelijk om de wolken aan te duiden als wateren boven het uitspansel. In de lutherse traditie heeft men dan ook erkend, dat met deze wateren een vloed moet zijn bedoeld die als bodem het firmament heeft. Zo spreekt ook psalm 148:4van de "wateren boven de hemel". Een zeventiende-eeuwse Lutheraan heeft zich afgevraagd wat de functie was van die watermassa, en toen geopperd dat zij dienst zou doen als een soort koelvloeistof voor de sterren! Wie daarover nu het hoofd schudt of in de lach schiet, moet wel beseffen dat dergelijke wonderlijke denkbeelden gewoonweg niet uit kunnen blijven wanneer men Genesis 1 op natuurwetenschappelijke wijze leest.
Veiligheid
Ook hier geldt: de diepe zin van het openingshoofdstuk van de bijbel wordt slechts ontsloten voor wie er evangelieverkondiging in wil horen. Met het bericht over de scheiding van de wateren boven en onder het uitspansel heeft Genesis 1 willen zeggen, dat de Here God veiligheid heeft gecreëerd. Want van die enorme watermassa's gaat voor mensen een niet te onderschatten dreiging uit. In de psalmen zijn golven en baren een symbool van dodelijk gevaar, vgl. 32:6; 42:8; 69:16. De woedende elementen zijn Jona, de discipelen en Paulus bijna noodlottig geworden. De vloed waarvan Genesis 1:2 melding maakt, is dan ook geen neutraal gegeven, maar heeft - zeker in combinatie met de duisternis - iets angstaanjagends. Die dreiging nu neemt de Here op de tweede en de derde scheppingsdag weg. Van die geweldige wateren geldt: Hij verdeelt en heerst! Door de vorming van het uitspansel bereikt Hij, dat de watermassa's van elkaar gescheiden worden zodat er een veilige plek ontstaat. De geschiedenis van de zondvloed demonstreert dat. Wat gebeurt er dan? Volgens Genesis 7:11 verenigen de wateren boven het uitspansel zich op rampzalige wijze met die onder het uitspansel. Het firmament gaat als het ware 'lekken': God draait de sluizen des hemels open, zodat de wateren boven het uitspansel naar beneden kunnen storten. Tegelijk laat God op aarde de dijken doorbreken: "alle kolken der grote waterdiepten braken open". Met andere woorden: het oordeel van de zondvloed bestaat daarin, dat God de scheiding van de wateren ongedaan maakt. Omgekeerd kan het leven op aarde zich pas herstellen, wanneer de Here die scheiding opnieuw voltrekt door het uitspansel weer waterdicht te maken en de "kolken der waterdiepte" te sluiten, Genesis 8:2. Ziedaar de zin van Gods scheppingswerk op de tweede en de derde dag: Hij stelt grenzen aan de woedende elementen, vgl. Jeremia 5:22.
Ozonlaag
Men komt deze boodschap niet op het spoor, wanneer men van zowel het scheppingsbericht als de geschiedenis van de zondvloed een verklaring verwacht van bepaalde natuurverschijnselen. De 'wateren boven het uitspansel worden ons niet voorgesteld als een natuurverschijnsel dat men wetenschappelijk kan onderzoeken. Wie dat ontkent, heeft in feite geen verweer tegen de 'koelvloeistofverklaring'. Dat betekent niet, dat we luid moeten roepen dat de wateren boven het uitspansel helemaal niet bestaan. Want ook dat is ten diepste een uitspraak vanuit natuurwetenschappelijk gezichtspunt, die geen recht doet aan de boodschap van Genesis 1. Die wateren bestaan wel degelijk, maar dan als symbool van de doodsdreiging waartegen God ons beveiligt. Het leven op aarde, wil de bijbel zeggen, heeft continue Gods bescherming nodig. Die bescherming heeft gestalte gekregen in scheppingsstructuren. God heeft zijn schepping zo ingericht, dat mens en dier veilig kunnen wonen, onbevreesd voor alles wat hen bedreigt. Anders dan voor de Israëlieten is voor ons de symboolwaarde van de wateren boven het uitspansel niet direct doorzichtig. De verkondiging dat God een uitspansel geschapen heeft ter beveiliging van het leven op aarde, zal heden ten dage daarom alleen tot de verbeelding spreken wanneer zij betrekking heeft op dingen die wij als bedreigend ervaren. Die dingen zijn er. Te denken valt aan het gevaar van ultraviolette straling vanuit de ruimte. Wij hoeven voor die straling niet te vrezen, omdat het gas ozon in de stratosfeer ons daartegen beschermt. Het is aardig om te zien, hoe de ozon wordt voorgesteld als een beschermlaag die om onze planeet heen ligt, en dat men bij afbraak ervan spreekt van 'gaten' in die laag. De ozonlaag als het uitspansel dat niët mag gaan lekken - ziedaar het tweede scheppingswerk!
God en het kwaad
Betekent dit alles nu dat God van de aanvang af tegen gevaarlijke tegenkrachten moest optornen? Inderdaad is Gods bescherming tegen de dreiging van duisternis en vloed, zoals Hij die bij de schepping voltrok, wel eens opgevat als zijn overwinning van boze machten. Het kwaad zou de wereld dan niet pas zijn binnengekomen na de zondeval, maar een oergegeven zijn waarop God bij de schepping stuitte. Men verwijst voor die opvatting naar teksten als psalm 74:13,14en 89:11.Nu lijkt het wel vast te staan, dat in zulke psalmwoorden begrippen worden gebruikt die in oud-Oosterse mythologieën functioneerden ter aanduiding van de strijd die bij de schepping geleverd moest worden tegen chaosmonsters. Maar daarmee is nog niets gezegd over de betekenis van die begrippen in de Heilige Schrift. B. Holwerda bijvoorbeeld - en hij staat daarin niet alleen - bepleit in zijn dictaatexegese over psalm 89 de opvatting, dat de genoemde psalmen dat mythologische begrippenmateriaal gebruiken ter aanduiding van Gods overwinning op de farao! Maar daargelaten de betekenis van deze psalmwoorden in Genesis 1 wordt in geen enkel opzicht de indruk gewekt dat de Here bij de schepping strijd moest voeren tegen boze machten. Integendeel, het gaat alles zeer soeverein toe. Het licht is er, eenvoudig doordat God spreekt, en de wateren worden van elkaar gescheiden zonder dat zij enige tegenstand bieden.
Het scheppingsbericht geeft geen enkele aanleiding tot de dualistische voorstelling, als zou de Here de kosmos moeizaam bevochten hebben op demonische chaosmachten. Het kwaad is oorspronkelijk werkelijk vreemd aan de schepping. En toch blijkt het tot de kern van Gods scheppingswerk te behoren, dat Hij tegen dreiging beveiligt. Daarover volgende keer nog iets meer.