Bijrijder

1994-12-16
  • Jaargang 38
  • nummer 25
Altijd als ik alleen in de auto stap, gaat hij naast me zitten. Als we met z'n tweeën zijn zit hij waarschijnlijk op de achterbank. En als de kinderen meerijden - ik weet niet waar hij dan zit misschien er tussenin, of mogelijk zelfs in de kofferbak. Ik let dan niet zo op hem, al weet ik dat hij er heus wel is. Hij moet er gewoon zijn, dat is nu eenmaal zijn werk. Dat hij naast me zat, merkte ik voor 't eerst op toen ik op een donkere novemberavond alleen een vervelend eind moest rijden. Ik was bij een vriendin op bezoek geweest.
Zij had een paar weken geleden te horen gekregen dat ze niet zoveel tijd van leven meer had. Wat samenstelling en leeftijd betreft heeft ze net zo'n gezin als ik. Die avond zou ik eerst bij ze eten. Het was heel gezellig, heel ontspannen. Alsof er niets aan de hand was. Na 't eten deden de kinderen de afwas. Zij ging op bed liggen en ik zat er naast.
We praatten met elkaar, als altijd. Over onze gezinnen en allerlei andere 'gewone' dingen die, sinds we 'het' wisten, zulke kostbare dingen bleken te zijn. En toen kwam, als terloops, haar toestand ter sprake. Gewoon de nuchtere feiten. Gewoon man en paard. En vooral niet triest, niet zielig.
En zeker geen vroom woord van mijn kant. Want ze was het er nog niet mee eens. Als het zin had wilde ze nog vechten. Er lag hoe dan ook een moeilijke weg voor haar. Angst en pijn en aftakeling. Het zou in de loop van de komende maanden wel duidelijk worden. En dan zou het haar wel gegeven worden, afstand te kunnen doen. Zoveel vertrouwen had ze wel. Maar nu hebben we dit moment nog, en dat is goed. 'Fijn dat je er bent.'
Ik keek haar aan en probeerde mijn stemming aan te passen aan de hare. Ze was altijd in staat om mij uit mezelf te halen. Een gesprek met haar maakte mij meestal vrolijk. Dat kwam door haar ontwapenende, directe manier van doen. Zelfs nu, terwijl ik dus eigenlijk heel treurig was om haar, zaten we toch samen te lachen. Toen ik wegging liet ze me uit, liep mee naar de auto. We namen afscheid, gewoon, alsof we elkaar spoedig weer zouden zien. Toen ik de auto startte keek ik nog even opzij. Haar gezicht, vaal in het licht van de straatlantaarnlachend - zie ik nu voor me terwijl ik dit schrijf.

Ik reed de stad uit, het donker in. Vóór mij 150 kilometer autoweg tot mijn warme gezellige huiskamer, man, kinderen, gezondheid, toekomst. Om maar een paar dingen te noemen van de geweldige geschenken die een mens in dit leven kan ontvangen. En die zo vanzelfsprekend geaccepteerd worden. Maar die breekbaar zijn, bréékbaar. Toen, op dat moment, vol opgekropte emoties en tollende gedachten, ontdekte ik dat ik niet precies wist waar ik reed. Paniek kwam in me op: misschien was ik wel aan 't spookrijden, mijn hart ging als een gek tekeer van plotselinge angst. Maar ik durfde in het donker niet aan de kant van de weg te gaan staan. Op dat ogenblik wist ik opeens dat hij naast me zat. Het was een gedachteflits van me, maar een reddende. Ik zag de weg en ik reed, of liever gezegd, hij deed me rijden. Want ik moest naar huis, maar hoe kon ik er komen zonder zijn hulp, treurig en verward als ik was. Dus praatte ik maar tegen hem. Dat kon, want er was verder niemand. En hij luisterde geduldig naar me, zwijgzaam, onzichtbaar. Hij was van de afdeling bescherming, wist ik. Hij ging altijd mee, maar nu voor 't eerst merkte ik hem op. Ik vroeg of hij iets wist van de regeling boven, met betrekking tot iemands dood. Ik kende wel mensen die er eerder voor in aanmerking kwamen dan mijn vriendin, die niet gemist kon worden in haar gezin. Maar hij gaf geen antwoord, wist het ook niet. Hoorde alleen maar aan en zorgde ervoor dat ik tenslotte mijn straat inreed, mijn huiskamer binnenkwam, mijn dierbaren zag.

Sedert die tijd kan ik niet meer om hem heen. Ik wil dat ook niet. Hij is er altijd, vooral als ik alleen rijd. Mijn engel.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief