De terugkoppeling van de genadegaven naar de genade (2, slot)
1993-07-02
Genade en genadegaven- Jaargang 37
- nummer 14
Het apostelschap, het apostolisch ambt, als genade. Ik kan me voorstellen dat iemand dit gegeven zou willen gebruiken om klagerige en mopperachtige dienaars van het evangelie de les te lezen. "Jullie schijnen het ambt alleen maar te ervaren als een opgave! Zou je niet eens met Paulus dankbaar zijn voor het ambt als gave, als genadegave, als geschenk van de Heilige Geest?" Zou iemand die onze tekst zo gebruikt er naast zitten? Ik denk het niet. Het ambt is ook een genadegave, een charisma, een geschenk dat voortvloeit uit de gemeente-toerustende werking van de Geest. Maar zou het niet kunnen zijn dat wij vandaag te gauw overstappen van de genade naar de genadegaven? Die twee verhouden zich tot elkaar als boom en vrucht. Van de genadegaven moeten we daarom steeds terugvragen naar de genade die daar de wortel van is. Anders wordt de boel oppervlakkig. Paulus zag zijn ambt niet zozeer als een genadegave maar als de genade zelf. Dat is door onze bijbelvertaling niet steeds opgemerkt. In Ef. 3: 6 en 7 heeft de apostel het over " het evangelie waarvan ik een dienaar geworden ben naar de genadegave die mij geschonken is ..." Maar dat staat er niet. Er staat ook daar: " ...naar de genade die mij geschonken is". Paulus denkt ook daar weer aan die oer-ervarïng van hem dat God een streep haalde door zijn schuld, zijn schuld, zijn zeer grote schuld. Dat heeft hem tot de bevlogen apostel gemaakt die ons uit zijn brieven tegemoet treedt.
Leeg midden Het is best als we het ambt in de kerk als een genadegave zien en dat we naast het ambt in de gemeente naar nog meer genadegaven zoeken (natuurlijk is dat goed!), maar we moeten vooral niet vergeten om van die genadegaven voortdurend naar de genade zelf terug te gaan. Het zoeken naar de chartama's kan wel eens vanuit een verkeerde instelling gebeuren. Zo van: De genade hebben we achter de rug, nu op naar de genadegaven! Maar alleen de ervaren genade van de kwijtschelding van onze schuld is de blijvende bron van de genadegaven. Zoeken we naar de genadegaven buiten die genade om dan willen we appels hebben zonder eerst een boom te planten. De genadegaven staan dan om een leeg midden geschaard en hun is dan geen lang leven beschoren. Wanneer het gaat over de ambten in de kerk moeten we vooral deze vraag stellen: "Jij ambtsdrager in Gods kerk, weet jij eigenlijk als mens überhaupt wel wat de genade van God en de ontferming van Christus betekenen?
Heb je daar wel persoonlijk deel aan? Kan je terug naar een moment in je leven, naar een situatie waarin je voelde: Nu kan ik niet verder tenzij God mij de genade van de vergeving schenkt? En zie je je ambt in het licht van die genade? Als uitvloeisel daarvan en als zegel daarop? Zo niet dan ligt dáár je (eventuele) gebrek aan motivatie. En zo ja dan ga je het ambt niet langer zien als een verplichting, zelfs niet als enkel een genadegave maar als een bediening die jou door de barmhartigheid van God is toevertrouwd, als een uitlaatklep omdat je anders van louter vreugde uit elkaar zou barsten. Als het vandaag moeilijk is om mensen aan te trekken voor de ambten en voor andere diensten in de kerk dan zou dat ook hieraan kunnen liggen dat wij als kerk en als kerkmensen niet meer weten wat genade is.
Als een kundig bouwmeester
En ik mag dit doortrekken naar de hele gemeente. Weet de gemeente nog van dit geheim? Of is haar de genade van God tot een grote vanzelfsprekendheid geworden? Beseffen we nog waar de apostolische kerk vandaan komt, op welke ervaring zij teruggaat? Paulus heeft zijn persoonlijke ervaring van de genade gebruikt als het cement bij de fundamentlegging van de kerk. Dat is de hele kunde van zijn bouwmeesterschap geweest. Als een kundig bouwmeester heeft hij het fundament gelegd. Dat kundig komt op ons deskundig over. En voor deskundigheid hebben wij een heilig respect. In zei al, wij zouden van Paulus de kneepjes van het vak van gemeentestichter en -leider willen leren. Kundig bouwmeesterschap, wij likkebaarden daarnaar in een tijd van leeglopende kerken. Hoe keren wij het tij? Wie reikt ons het gereedschap aan? Hoe verlevendigen we de kerk door charisma's en het charismatische? Maar de kunde van Paulus als architect is vooral geweest dat hij Gods genade en zijn ervaring daarvan op de mensen overdroeg. Als we hem deskundig kunnen noemen dan slaat het 'des' in dat woord in de eerste plaats daarop, op die ondervonden genade. Als zijn apostelschap van die genade vervuld was dan moest, vond hij, de gemeente die uit dat apostelschap ontstaan was dat ook zijn. Zo heeft Paulus gewerkt. En uit die ervaren genade deed de Geest charisma's ontstaan en werd de gemeente Geestbegaafd.
Breedte of diepte
Daar moeten we naar luisteren. Vroeger zeiden ze van iemand die dominee wilde worden dat hij eerst iets moest hebben meegemaakt. Tegenwoordig dreigt het zoeken naar geschiktheden wel eens wat in de breedte te verlopen.
Wat moet een dominee allemaal wel niet hebben en kunnen! Het is een zoeken naar genadegaven geworden.
Vroeger zocht men meer in de diepte, naar de genade zelf als het ene nodige. Zeker, dat kon wel eens tirannieke en willekeurige vormen aannemen, maar ik denk dat wat men bedoelde toch wel juist was. Er moet aan het ambt een persoonlijke ervaring van Gods genade ten grondslag liggen, vond men. En daar zocht men dan naar, bij het kerkelijk examen bijvoorbeeld. Ja, dat kan toch goed verstaan worden. Het kan zelfs als barmhartigheid worden uitgelegd. Want als die ervaring van Gods genade ontbreekt dan wordt het ambt veel te zwaar. Dan moet je er niet aan beginnen. Dan is het ook maar beter dat de toegang tot het ambt je versperd wordt. Alleen, men realiseerde zich te weinig dat men zo wel een héél scherp zwaard hanteerde. Want van het gemeente-zijn valt precies hetzelfde te zeggen.
Als daar geen ervaring van Gods genade aan ten grondslag ligt dan moet je daar ook niet aan beginnen. Die dingen hangen samen. Kerk-zijn, dat kan alleen maar als je je samen de grootste der zondaars weet. Dat is nog 's wat anders dan vingers tekort komen om die beschuldigend naar iedereen uit te prikken om te zeggen wat ze allemaal verkeerd doen. De kerk staat nog steeds te oordelend en te veroordelend in de samenleving. De broedermoord heeft welig getierd in haar midden maar in plaats dat dat haar een toontje lager doet zingen bestraft ze op hoge toon alles wat ook maar uit de verte als doodslag kan worden uitgelegd - om maar iets te noemen.
De blijvende betekenis
Paulus zag zichzelf vóór in de rij der zondaren staan, hebben we uit de schriftlezing vernomen. Dat was maar niet een privé-ervaring die hij voor zichzelf hield, nee, dat besef plantte hij over op de gemeentes die hij stichtte.
Dat was de moedermelk die hij ze liet drinken en het vaste voedsel dat hij haar vervolgens gaf. Hij zei en schreef: "Hiertoe is mij barmhartigheid bewezen, dat Jezus Christus in de eerste plaats in mij zijn ganse lankmoedigheid zou bewijzen - tot een voorbeeld voor hen die later op Hem zouden vertrouwen ten eeuwigen leven" (1 Tim. 1 : 16). Ik omschrijf: De grootste schoft en de ergste boef kunnen als zij naar mij kijken nog moed vatten. Als God mij barmhartigheid bewezen heeft dan zal Hij het zeker hun doen. Dat is kerk-zijn op het fundament van de genade en van de vergeving der zonden. En alle gemeenteopbouw moet daardoor getekend zijn. Ook nu is dat nog het geval. "Ieder zie wel toe hoe hij op het gelegde fundament voortbouwt" , zegt de tekst. Dat wil zeggen: Het verder bouwen moet in de lijn van het gelegde fundament blijven. Zoals Paulus gewerkt heeft is maatgevend. De genade van de vergeving als fundament bepaalt de hele struktuur van de kerk. "Aan wie veel vergeven is die heeft veel lief", zei Christus (Luk. 7 : 41 vv) en daarmee raakte Hij aan het geheim van wat kerk-zijn is.
Ook Petrus
De onderlinge liefde en ook de liefde tot de wereld zal uit die niet opdrogende bron van de vergeving moeten komen. Als dat ontbreekt dan is al het andere lap- en maakwerk. De liefde, ook die in het onderlinge verkeer, zal dan niet echt zijn. Meer een elkaar aardig vinden totdat... Totdat de ander tegenvalt en niet aan de gestelde verwachtingen blijkt te beantwoorden.
Christus zou daarvan zeggen: Doen ook de heidenen niet alzo? Nee, echte gemeenteopbouwende liefde ontluikt daar waar een mens door de genade van de vergeving platgeslagen is en nu geen strepen meer heeft om op te staan. Zo alleen zullen we ook kerk voor de wereld kunnen zijn - afdalend, afdalend en nog eens afdalend naar de verlorenen. Ach, Christus heeft het ons alles zo duidelijk geleerd toen Hij Petrus in ere herstelde. Ik heb het nu over de tweede schriftlezing bij de tekst. Petrus die vergeving ontvangt voor de gruwelijke zonde van de verloochening. En de Here die deze ervaring gaat gebruiken om Petrus tot een echte pastor te maken: Weid mijn lammeren, hoed mijn schapen, weid mijn schapen! (Joh. 21 : 15 vv). Hier is het Petrus die de genade en het apostelschap ontvangt, zou je kunnen zeggen, en dan opnieuw deze twee heel nauw aan elkaar verbonden zodat je mag spreken van de genade:van het apostelschap. Petrus met zijn verloochening en Paulus met zijn vervolging,ze staan op één lijn. Beiden hebben een diepe verworteling gekregen in de vergevende genade van God in Christus. En precies daardoor zijn zij samen de fundamentleggers van de kerk geworden. Ik haal Petrus erbij om te laten zien dat het niet goed is wanneer we Paulus met zijn ervaring in een uitzonderingspositie plaatsen. Petrus heeft, zij het weer heel anders, hetzelfde meegemaakt.
Ervaring
Als je apostelschap, als je ambt door de schuldvergevende genade bepaald is, bedoelt de bijbel te zeggen, dan verheft dat ambt je niet boven de gemeente maar het plaatst je op een nivo waarop je ook de verst afgedwaalde en de meest afstotelijke zondaar nog kunt ontmoeten. (Het is altijd de eer van Christus' gemeente geweest dat te kunnen.) Ook David wist dat zijn zonde met Batseba en de vergeving die hij daarvoor ontving hem niet ongeschikt maar juist geschikt maakte om de overtreders Gods wegen te leren opdat zondaars zich tot God zouden bekeren (Ps. 51 : 15). Kortom, Paulus' kundig bouwmeesterschap heeft daaruit bestaan dat hij inzicht had in en ervaring had met de schuldvergevende genade over zijn leven. Zo heeft hij het fundament gelegd en zo moeten wij daarop verder bouwen. Dan kunnen wij het opbloeien van de charisma's, de bijzondere genadegaven, rustig aan Gods Geest overlaten. En aan ons dan de bescheiden taak die gaven te inventariseren, te coördineren en ze het geheel van de gemeente ten goede te laten komen. Maar hoofdzaak en hoofdtaak is en blijft te zorgen dat de bron waaruit ze voortkomen goed onderhouden wordt. En wanneer je nu mocht zeggen: Ja, maar ik ken die bron niet uit ervaring, wanhoop dan niet maar ga erom bidden of de Here je die geven wil. Het zou trouwens kunnen zijn dat er zonder dat je dit tot dusver opgemerkt hebt al lang een bron van die aard in je leven staat te vloeien. Wij hebben immers niet geleerd te letten op ervaringen en er kracht uit te putten. Wél om ze te wantrouwen, vrees ik. En hoe goed en nodig de waakzaamheid tegenover allerlei buitenissigs op dit gebied ook is - het gaat in wat we nu besproken hebben wel toevallig over de meest authentieke ervaring die een christen kan overkomen. Daarvan kan geen gelovige op de duur volhouden: Die ervaring van Gods vergevende genade, wat is dat eigenlijk?