Joodse zending in de diaspora (3)
1993-07-02
De joodse houding in de diaspora tegenover heidenen rond de jaartelling wordt door sommigen getypeerd als passieve openheid, door anderen daarentegen als actieve gerichtheid op hun behoud. Wie heeft er nu gelijk?- Jaargang 37
- nummer 14
Of moeten we toch een eigen antwoord formuleren? Laten we eerst eens nagaan of de Joden in de verstrooiing inderdaad de lijnen van de oudtestamentische prediking doortrokken in hun houding tegenover de heidenen. De uitkomst van dit korte onderzoek wordt vanzelfsprekend beïnvloed door het christelijke uitgangspunt dat we innemen. Maar dat is niet anders!
Een eigen antwoord
In een paar zinnen samenvatten wat het Oude Testament zegt over de houding van Israël tegenover de volkeren, is niet zo eenvoudig. Maar het is het beste om uit te gaan van Genesis 1-11, waar we lezen over de God van het verbond die als Schepper van hemel en aarde beleden wordt. De God van Israël is de God die het heil van de volkeren op het oog heeft, en dat van meet af aan. Bij de verschillende verbondssluitingen komen altijd weer de volkeren in zicht. In en door Abraham of Israël was God zelf tegenwoordig in de wereld. Vandaar dan ook dat zij geroepen waren getuigen te zijn van de heilrijke aanwezigheid van God in de wereld. Dat er ook een onheilspellende kant aan Gods aanwezigheid in de wereld is, is duidelijk in het Oude Testament aanwijsbaar. De oordelen aan het volk te midden van de volkeren voltrokken getuigen daarvan. Dat Israël zich had af te zonderen van de heidense volkeren om een heilige natie te zijn is daarmee niet in strijd. In Exodus 19:6 worden de twee lijnen samen geweven: Israël had te midden van de volkeren een koninkrijk van priesters te zijn en een heilig volk.
Berkouwer brengt in zijn dogmatische studie over de kerk de heiligheid van de kerk en de zending prachtig in één perspectief bijeen - wat we helaas geheel missen in de nieuwe dogmatiek van Van Genderen en Velema!
Zending in het Oude Testament zouden we willen omschrijven als het getuigenis van Israël te midden van de volkeren van Gods aanwezigheid in de wereld, de wereld ten goede.
Het verbond en de Wet
Met het oog op dat getuigenis sloot God het verbond met Israël en schonk haar zijn Wet. Met het oog op dat getuigenis werd ook de dienst der verzoening in tabernakel en tempel ingesteld. Zonder Wet en verzoening was leven in het verbond onmogelijk, en moest de roeping om Gods getuige te zijn in de wereld, wel mislukken. Ondanks alles wat God eraan deed, ook via de profeten, mislukte het verbond toch, werd de Wet vergeten en liep de dienst der verzoening in de tempel vast. De heiligheid van het volk ging teloor; en in plaats van een koninkrijk van priesters werd Israël een staat als alle andere volkeren al waren; ook het davidische huis is in de malaise gaan delen. Na de ballingschap werd het accent op de heiligheid via Ezra en Nehemia extra sterk aangezet tegen het verzet van nota bene de priesters in. Juda was nu letterlijk een priesterstaat onder God. Maar de negatieve lijnen van vóór de ballingschap werden doorgetrokken: verbond en Wet werden niet ingezet in het kader van het getuigenis van Gods heilrijke aanwezigheid in de wereld de wereld ten goede. Het ging al meer draaien om het verkoren joodse volk, de hoedster van de Wet. Proselitisme betekende natuurlijk wel toewending naar de God van Israël, maar het ging vaker om Israëls God dan om Israëls God. We herinneren ons dat in de diaspora de Wet al centraler kwam te staan; het verbond werd exclusief een joodse aangelegenheid; God dienen hield in: Jood worden! Vandaar dat etniciteit bloedzuiverheid - tot op vandaag een voornaam thema is in de joodse gemeenschap.
Tot ziens in Jeruzalem!
We zagen dat de Joden in de diaspora geen actief zendingsbeleid voerden, al werden heidenen niet geweerd maar als proseliet welkom geheten. Maar zat op dit punt dan de synagoge niet op één lijn met het Oude Testament?
In het Oude Testament zien we toch de volkeren naar Jeruzalem trekken om daar de God van Israël te aanbidden en dienen? De beweging is in heel het Oude Testament toch gericht op Jeruzalem? Wat we passieve zending zouden kunnen noemen. Toch is het goed hier scherp te onderscheiden tussen wat we dan passieve zending noemen en passieve openheid. Een paar opmerkingen ter verduidelijking.
Inderdaad is de beweging van de volkeren op Jeruzalem gericht, maar dan niet op Jeruzalem als stad van David, als politiek centrum van de judeese staat. De volkeren zullen naar Jeruzalem trekken als stad van de Heere God, als Zion waar de plaats der verzoening en van het onderricht in de Wet was opgericht: de tempel! Israël als getuige van God moest zo'n grote uitstraling hebben dat de volkeren erhèen getrokken werden als ijzerzaagsel door een magneet. Dus we moeten hier wel spreken van een actieve passiviteit. Actief had Israël te zijn door geheel en al te leven als Gods verbondsvolk naar de Wet en rond de tempeldienst met het oog op het getuigenis onder de volken. Vandaar dat we wat het Oude Testament aangaat van zending kunnen spreken.
Dat ligt in de joodse diaspora over het algemeen toch anders. Er was wel passieve maar geen actieve openheid.
We sluiten ons hier over het algemeen aan bij de interpretatie van McKnight, die we de vorige keer aan het woord lieten. De Joden in de verstrooiing trokken juist de negatieve lijnen van het Oude Testament door ook in hun visie op Jeruzalem.
Nog steeds was het: tot ziens in Jeruzalem. Maar welk Jeruzalem? Stad van David of Sion? Na de ballingschap was dat niet meer het zelfde. Zeker, de Joden in de verstrooiing betaalden trouw belasting aan de tempel en de priesterschap in Jeruzalem oefende gezag uit tot diep in de diaspora. Maar Jeruzalem was vooral het centrum van het joodse gemenebest. En wat betekende het voor de heidense omgeving waarin de Joden in de diaspora leefden? AI zijn er zeker proselieten en ook Godvrezenden in Jeruzalem geweest, zie ook Hand. 2, er is geen aanduiding van een grote volkerenoptocht naar Jeruzalem op gang gebracht vanuit de diaspora. Men hield heidenen niet tegen: maar dat is geen zending te noemen zelfs niet in passieve zin.
Wij menen dus dat er ook op dit punt verschil op te merken valt tussen het oudtestamentische Israël en het Jodendom in de diaspora: de passieve zending van Israël tegenover de passieve openheid van de diaspora. Het is onze indruk dat Koole en anderen het bewijs niet hebben geleverd dat in de diaspora er aan zending gedaan werd. Ze gingen uit van iets dat ze eerst hadden moeten bewijzen: de grote joodse bevolkingsaanwas in de diaspora. Om die te verklaren construeerden ze, met de beste bedoelingen, de joodse zendingsbeweging, en plaatsten die in oudtestamentisch licht. Waarmee dus 'niet ontkend wordt dat heidenen als proseliet Jood werden.