Samenleven als het religieus scheurt
2007-07-27
De Edomiet zult gij niet verafschuwen, want hij is uw broeder.’ Deuteronomium 23:7a - Jaargang 51
- nummer 15
Pittige reacties te over op de uitspraak van minister Vogelaar, die op de langere termijn Nederland ziet als een land, dat gevormd is door een joods-christelijke-islamitische traditie. Bijna haaks daarop staat eenbijna gelijktijdig - initiatiefwetsvoorstel van kamerlid Wilders, waarmee het dragen van de boerka in de publieke ruimte tot een strafbaar feit zou worden.
Duidelijk is in ieder geval dat samenleven in één land met mensen van verschillende religieuze overtuiging allerminst vanzelf spreekt. Hoe was dat eigenlijk in bijbelse tijden, denk je dan. Bijvoorbeeld in de gevoelige verhouding tussen Israël en Edom. Zouden we daar als christenen, levend in een multireligieuze maatschappij, onze winst mee kunnen doen? In een tweetal artikelen wil ik u daar iets van laten zien.
Het gehate Edom
Wie was Edom? De naam Edom was in het oude Israël in staat de golven van het vijanddenken hoog op te zwepen. De profeet Ezechiël heeft het over Edom als een eeuwige vijand van Gods volk (35:5). En het is waar, bij welke tijd in Israëls geschiedenis je ook stil staat, steeds als je Edom tegenkomt is hij de gezworen tegenstander.
Ik denk aan de woestijntijd toen Israël Edom een vriendelijk verzoek deed door zijn land te mogen trekken om het beloofde land te bereiken. Brood en water zouden ze zelf betalen, Edom hoefde er geen enkele schade van te ondervinden. Maar wat er kwam was niet anders dan een buitengewoon botte weigering, met aanvalsdreiging en al (Numeri 20:14-21). Ik denk aan de tijd van Davids omzwervingen op zijn vlucht voor Saul. David kreeg toen hulp van de priester Achimelech in Nob. Niets vermoedend voorzag die David van voedsel en van een wapen.
En het was toen de Edomiet Doëg die dat aan de koning verklikte. Diezelfde Doëg was het die vervolgens de straf hiervoor aan Achimelech en zijn medepriesters voltrok toen Sauls dienaren hiervoor terugschokken. Hij moordde de hele plaats Nob uit. Met huiver wordt het ons verteld (1 Samuël 22:6-23). En ik denk aan de dagen van de verwoesting van Jeruzalem en de wegvoering in ballingschap. Hoe Edom toen de ellende van Gods volk met groot leedvermaak heeft aangezien. De profetie van Obadja is helemaal daaraan gewijd en de beruchte wraakpsalm 137 zingt erover.
Een geestelijke vijandschap
Een eeuwige vijandschap van Edom! Amalek dat Israël in de woestijn van achteren aanviel was een onderstam van de Edomieten. Haman, de jodenhater was een Edomiet en Herodes van de kindermoord ook. Vijandschap.
En die was geestelijk van aard. Edom kon Israël niet luchten of zien vanwege de grote verbondsbelofte die ooit aan Jakob ten deel was gevallen, vanwege het feit dat de jongere broer destijds de aartsvaderlijke zegen had ontvangen.
‘De oudste zal de jongste dienen’ was bij de geboorte van de tweeling gezegd (Genesis 25:23) en bij die voorrang sloot de zegen van vader Isaäk zich aan. Het is waar, Jakob heeft zich bij de gelegenheid van de zegen niet netjes gedragen en daarom gaat onze sympathie eerder naar Ezau dan naar Jakob uit. Maar hoe begrijpelijk dat ook is, we moeten toch niet over het hoofd zien dat in geestelijke zin het ongelijk aan Ezau’s kant was. Ezau verachtte zijn eerstgeboorterecht, lezen we (Genesis 25:34). Hij vertrapte de zegen die daarin besloten lag. En sindsdien is het die venijnige onverschilligheid geweest die Ezau en later het volk Edom dat uit hem is voortgekomen beheerst heeft. Bij de profeet Maleachi horen we de Here God, terugkijkend op het geheel van de geschiedenis tot dan toe, dan ook zeggen: ‘Jakob heb Ik liefgehad en Ezau heb Ik gehaat’ (1:4).
Het broedervolk
En dán dit: ‘De Edomiet zult gij niet verafschuwen’!? En de reden: ‘want hij is uw broeder’. Ja, maar dat was het ‘m nu precies! Juist dat broer-zijn van Jakob, juist dat broedervolk-zijn van Israël, juist dat had voor de problemen gezorgd. Er wordt vlak na onze tekst ook iets over de Egyptenaren gezegd: ‘De Egyptenaar zult gij niet verafschuwen’. Ook moeilijk om te vatten, zeker! Egypte was immers het verdrukkende volk geweest. Maar goed, daar wordt nog als reden opgegeven dat Israël in Egypte als vreemdeling had vertoefd. Wel vriendelijk geformuleerd, trouwens, als je bedenkt wat Israël daar in Gosen van de Egyptenaren te slikken had gekregen, maar à la, het viel niet te ontkennen: Egypte was het gastland geweest, de asielzoekende aartsvaderlijke familie had er een onderkomen gevonden. En de herinnering aan de verdrukking die was blijkbaar aan slijtage onderhevig. Maar Edom, de broeder, wat moet je daar nu van denken? Was Edom maar geen broeder geweest, dat had de zaak sterk vereenvoudigd. Onze verbazing over dit Schriftwoord wil maar niet overgaan.
Naar nu overgebracht
En toch, wat is een woord als dit broodnodig in de mensengemeenschap! Toen al, voor het volk Israël van destijds met z’n diepe geestelijke conflict met Edom waarvan het uitvechten Gods volk uit handen werd genomen door dit verbod. Maar ook voor ons is het belangrijk. Laten we maar eens proberen dit woord naar onze situatie toe te vertalen. Wij in onze tijd, wij hebben te maken met een multireligieuze samenleving. Eigenlijk vanouds, want er hebben altijd al Joden onder ons gewoond. Wij leven in vrede met hen, maar er ligt toch een diep religieus verschil tussen ons in. Maar waar we vandaag vooral aan denken als het over de multireligieuze samenleving gaat, dat zijn de moslims. En het verschil met hen is nog zo vers. In een gemengde samenleving als we nu met hen in ons midden beleven, ontstaan zo gemakkelijk vijandsbeelden. Dat komt ook wel doordat we elkaar niet zo goed kennen. Juist als religieuze groepen koesteren we onze eigenheid door bij elkaar te gaan zitten en ons af te zonderen van de rest. Wat je samen met hen hebt kun je eigenlijk niet zo goed delen. En dat is een sfeer waarin vijandsbeelden welig tieren. En daar gaat nu dit woord van Mozes op in en daar gaat het tegelijk tegen in.
Godsdienstvrede
O, zegt u, ik begrijp het al. U wilt natuurlijk zeggen dat wij lief met elkaar om moeten gaan. Dat we van het geloof dat de ander aanhangt zeggen dat dat ook een prima geloof is. Nee, zegt weer een ander, de schrijver bedoelt dat je dat broeder-zijn van de Edomiet moet gebruiken als een vloertje om te evangeliseren.
Maar het eerste deugt niet en het tweede is niet aan de orde. Als ik het goed zie gaat het hier eenvoudig om de mogelijkheid van samenleven. Dat je je driften, zelfs ook je religieuze driften, moet weten in te tomen om zo tot een schappelijk, tot een maatschappelijk samenzijn te komen met mensen van een ander geloof. Een ander geloof dat zeer pijnlijke kanten kan hebben naar het geloof van jezelf. Bijvoorbeeld wanneer de moslim tegen je zegt dat je een Schriftvervalser bent en daarmee het christendoden rechtvaardigt of als de Jood beweert dat je een valse messias achterna loopt en dat gebruikt om messiasbelijdende Joden te na te komen. Dat zijn dingen die ons geweldig diep kunnen raken. Juist in de mate waarin je de ander respecteert komt dat hard aan. Ja, niet natuurlijk, als je eigen geloof een opgedroogd fossiel is, dan ben je nog voor de grofste aantijgingen en bejegeningen ongevoelig. Maar ik heb het nu over een levend geloof dat in zulke gevallen met Psalm 42 zegt: ‘Met een doodsteek in mijn beenderen honen mij mijn tegenstanders…’ En dat je dan toch naar een plekje zoekt waarop je samen met de ander kunt staan. En hem misschien – dat wil ik toch niet uitsluiten, al staat dat hier niet op de voorgrond – kunt evangeliseren.
Negatieve krachten
Ja, maar zo’n godsdienstvrede, dat kan toch niet? Onderschat u niet de negatieve krachten die door religie losgemaakt kunnen worden? Nu, ik moet eerlijk toegeven dat er geloven zijn die tot zo’n vreedzame opstelling het vermogen lijken te missen. We herinneren ons dat niet zo lang geleden de nieuwe paus voor een academisch gehoor in Regensburg een college heeft gegeven waarvan de kernboodschap was dat je ter verdediging van geestelijke waarden geestelijke wapens moet gebruiken. Dat je elkaar dan met argumenten en niet met wapens moet benaderen. In dit verband citeerde hij de Byzantijnse keizer Manuel II uit de tijd van de Middeleeuwen die Mohammed de verbreiding van zijn boodschap met het zwaard kwalijk nam. Dat was inderdaad geen zoetsappig verhaal. Maar de reacties van moslims over de gehele wereld lieten zien hoezeer deze keizer het met zijn verwijt bij het rechte eind had. En hoezeer de paus met zijn aandringen op redelijkheid gelijk heeft.
Drs. Henk de Jong is emeritus-predikant van de Nederlands Gereformeerde Kerk van Zeist.