Het verlangen van de schepping

1993-07-30
  • Jaargang 37
  • nummer 16
De apostel hoort de schepping zuchten. Hij ziet haar ook met uitgestrekte hals, op de tenen staand verlangen. Wij zijn er zo van doordrongen dat Paulus zich hier dichterlijk uitdrukt, dat we menen dat ze bij Greenpeace met die woorden dus niets kunnen beginnen en dat de wetenschapper ze ook niet ernstig moet nemen. Daar ga ik in dit stukje tegen in. Ik kan natuurlijk niet bestrijden dat de apostel dit overdrachtelijk bedoelt. Zoals u het ook overdrachtelijk bedoelt wanneer u zegt dat uw tuin om water schreeuwt. Maar wanneer u dat merkt haalt u wel de tuinslang of de gieter tevoorschijn. U reageert wel degelijk op dat schreeuwen.
Moeten we de zuchtende schepping zeggen dat zij maar geduld moet hebben tot de jongste dag of kan het zijn dat we toch op haar zuchten moeten reageren?

De halve waarheid van de wetenschapper
Er zijn nu veel wetenschappers die denken dat zij met hun instrumentarium de gehele werkelijkheid in beeld kunnen krijgen. Wat zij niet zien bestaat ook niet, zeggen ze. Met wat je niet kunt verifiëren behoef je geen rekening te houden en je kunt dus ook zonder ongelukken het doen en laten van de almachtige God bij al je berekeningen buiten beschouwing laten. In de Bijbel heet dat dwaasheid. Het is de dwaasheid die mensen met een hoog IQ kunnen begaan.
Er is onder ons een bijna klassiek geworden illustratie bij deze dwaasheid. Het is van A. Janse van Biggekerke. Hij vertelt het in zijn boek "Het eigen karakter der christelijke school" (omstreeks 1935) en het berust op een jeugdervaring. De meester heeft op school met behulp van een batterij en een paar draadjes uitgelegd wat onweer eigenlijk is: het knetteren van de vonkjes is de donder en het licht van de vonkjes is de bliksem. Meer is het niet.
Maar kort daarop is er 's nachts een hevig onweer. De kinderen Janse worden naar beneden gehaald. De jonge Antheunis stelt zijn moeder gerust en zegt: "Wees maar niet bang. Onweer is alleen maar ...". Toen kwam er een hevige donderslag. Het huis stond te schudden. Op datzelfde ogenblik besefte de jonge Janse: De meester op school vertelde maar de halve waarheid.
De donder is niet 'alleen maar...' en de bliksem is ook niet 'alleen maar...' Het is ook de stem van God.
De majesteit spreekt er in van de God, die laaiend vuur tot zijn boden maakt. Nooit zal iemand ons kunnen voorrekenen hoeveel wetenschappers door dit verhaaltje tot de heilrijke ontdekking zijn gekomen dat zij alleen de gehele werkelijkheid in hun onderzoek als zij de dwaasheid opgeven om niet te rekenen met God, maar er zijn er!

De Zoon van God
Op het openbaar worden van zulke zonen van God wacht de schepping met reikhalzend verlangen: zonen Gods, die rekenen met het doen van God. De schepping is aan de vruchteloosheid onderworpen, dienstbaar aan de vergankelijkheid. Daar lijdt zij onder en zij zucht. De schepping mist de hand van de mens, het gezag van de mens, die haar namens de almachtige God tegemoet treedt. Zij wordt nu voor een goed deel door boze handen bestuurd en mist de leiding van het geloof waarop zij is aangelegd. Zij is nu als een kind dat het gezag van vader en moeder mist.
Daarom ligt zij zo dwars. Er moet een oude legende zijn die vertelt hoe de schepping in de kerstnacht heeft gejuicht.
Het Kind dat geboren werd, Hij was de mens die zij zo miste en waar zij verlangend naar uitzag.
Toen later bleek hoe de geschapen dingen Hem gehoorzaamden vroegen de mensen: "Wie is toch Deze dat ook de wind en de golven Hem gehoorzaam zijn?" Wij moeten niet te voorbarig zeggen: Hij was God, vandaar dat Hij dit allemaal kon. Alsof God toen op aarde kwam en het daardoor anders ging.

Het koninkrijk Gods
Vermoedelijk maken wij ons vaak een wat slordige voorstelling van het Koninkrijk Gods. Wij stellen ons Gods rijk voor als de situatie waarin alle dingen gehoorzaam zijn aan God. Vollediger is het, te zeggen dat het Rijk Gods de situatie is, waar alle dingen onderworpen zijn aan de mens en de mens aan God. In Psalm 8 vinden we de grondtrekken van het rijk van God terug. Toen in Gods Zoon die mens op aarde kwam, brak met Hem het Koninkrijk van God aan en waar het rijk van God is, daar floreert de schepping weer onder de hand van de mens. Toen Hij er was gaf de schepping alle vijandschap op. De wind en de golven gehoorzaamden Hem. Hij genas zieken en wekte doden op. Hij wandelde op de golven en vermenigvuldigde brood. In de woestijn waren de wilde dieren bij Hem. Zelfs zij waren niet bang voor Hem. Waar heb ik nu die zin vandaan: "Het water zag zijn God en bloosde". Dat was toen het wijn werd. Nooit lag de schepping dwars waar Hij was. Hij heeft geen mirakelen verricht, maar bewees dat Hij haar geheimen kende en de schepping toonde dat zij toegankelijk was voor de leiding van het geloof van de mens die haar benaderde in de naam van God.

De zonen Gods
Het is alsof de schepping zich die dagen herinnert. Toch zegt de apostel niet dat zij met reikhalzend verlangen uitziet naar Zijn terugkeer op aarde maar dat zij uitziet naar het openbaar worden der zonen Gods. De schepping beseft dat er meer mogelijk is. Dat er dagen komen waarin zij nog slechts benaderd zal worden door mensen die het beeld dragen van die ene Zoon van God die toen op aarde was. Dat houdt de belofte in dat de schepping zich eenmaal opnieuw vrolijk in dienst zal stellen van de kinderen Gods, die op de nieuwe aarde als zonen zijn. Dat zij eenmaal alle rebellie zal opgeven.

Stil maar, wacht maar?
Het zoonschap waarnaar de schepping verlangt is het zoonschap waarnaar wij zelf ook verlangen. Wij zuchten ook van verlangen zegt de apostel (vs. 23). Wij zuchten met de schepping mee. Wij zijn meezuchters. Toch moeten we hier bedenken dat de apostel ons van ditzelfde zoonschap in de verzen 14 en 15 zegt dat wij het ontvangen hebben. In die spanning leven wij. De spanning van het reeds en het nog niet. Wie het 'nog niet' ontkent vervalt in de hoogmoed dat het rijk van God zich hier en nu in volkomenheid laat verwezenlijken.
Maar wie het 'reeds' ontkent wordt een lamlendig christen zonder hoop voor hier en nu. Hij ziet zijn werk als "kinderspel dat ons te doen gegeven is om de tijd te doden in afwachting van de jongste dag" (zo ongeveer dr. W. Aalders). Maar wie het 'reeds' gelooft wordt vol hoop dat er niet slechts een einde is, maar zo nu en dan en hier en daar ook zoiets als een begin van het einde: een stukje schepping dat zich toegankelijk toont voor de leiding van het geloof van Gods kinderen.
Hoe dat in zijn werk gaat kan ik niet overzien, maar de Schrift wekt hier ook voor de schijnbaar hopeloze situatie van onze dagen hoop voor alle kinderen Gods, de wetenschapper inbegrepen, die de schepping ootmoedig naderen in de naam van de Schepper. Aan de schepping zal het niet liggen.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief