Gereformeerd en evangelisch: kiezen of delen? *1 (2)

1993-07-30
  • Jaargang 37
  • nummer 16
(8) Theologische opvattingen
Menige evangelische - het is al gezegd - voelt zich qua opvattingen goed thuis bij de reformatorische traditie.
Zo publiceert een bekende evangelische voorman als de Brit John Stott populair theologische werken, waarin hij zich als een voluit reformatorisch theoloog ontpopt.2 Hij is dan ook met overtuiging lid van de Anglicaanse kerk, waarvan de confessionele identiteit is vastgelegd in de "39 artikelen", een belijdenisgeschrift waarin het gedachtengoed van Zwingli, Bucer en Calvijn is verwerkt. Toch is Stott onmiskenbaar een 'evangelical'; de warme gloed die over zijn boeken ligt laat daarover geen twijfel bestaan! Zo is hij een invloedrijke vertegenwoordiger van die evangelische christenen, die zich inhoudelijk vrijwel niet onderscheiden van (Nederlands) gereformeerden. Het kan echter ook anders.
Hieronder volgen een aantal theologische opvattingen die voor sommige evangelischen zo karakteristiek zijn, dat ze ook voor wat betreft de inhoud van hun geloof een geheel eigen positie innemen. Maar eerst moet een punt genoemd worden, waarop alle evangelischen boven de reformatorische traditie uitgaan.

(1) Missionair
Alle evangelischen leggen zware nadruk op het missionair karakter van de kerk. De kerk is er niet voor zichzelf, maar voor de wereld! Om het verschil met de reformatorische visie weer te geven, zou je kunnen zeggen dat gerichtheid op zending en evangelisatie niet slechts tot de taken van de kerk behoort, maar een van haar kenmerken is. Voor evangelischen is het dan ook ondenkbaar, dat een gemeente geen werfkracht ten aanzien van buitenstaanders zou hebben en zich daar nog niet eens druk om zou maken! Naar hun besef is het wezen van de kerk in het geding, wanneer de aanwas van buitenaf tot stilstand zou komen.

(2) Fundamentalisme3
Terwijl mensen als Stott vanuit een heel genuanceerde bijbelbeschouwing opereren en dankbaar gebruik maken van resultaten van de moderne bijbelwetenschap, zijn er ook evangelischen die het fundamentalisme stevig omarmd hebben. Zij benaderen de bijbel vanuit een stramme inspiratieleer, waarbij ze onvoldoende onderscheid maken tussen de verschillende genres in de bijbel en tussen centrum en periferie. Het gevolg daarvan is, dat hun bijbeluitleg iets willekeurigs en gekunstelds heeft. Dat kan extreme vormen aannemen wanneer het gaat om de verklaring van apocalyptische bijbelboeken als Daniël en Openbaring.

(3) Baptisme
Een deel van de evangelische beweging stelt zich op baptistisch standpunt: de doop wordt door onderdompeling bediend, en wel aan diegenen, die zelf Christus als Heer aanvaard hebben. De kleine kinderen van de gelovigen zijn tot die aanvaarding nog niet in staat en kunnen daarom niet gedoopt worden. De logische consequentie hiervan is - en de meeste baptisten onder de evangelischen deinzen voor die logika inderdaad niet terug - dat de doop van zuigelingen door besprenkeling, zoals die in de reformatorische kerken bediend wordt, niet als doop geldt. Vandaar het verschijnsel van de 'overdoop': van christenen van reformatorisch en huize, die zich bij een evangelische gemeente willen aansluiten, wordt geëist dat zij zich opnieuw laten dopen, nu op hun belijdenis en door onderdompeling.4

(11)Charismatisch
Het is een misverstand te menen dat alle evangelischen streven naar een herleving van al de gaven van de Geest, die in o.a. I Kor.12:4-11 worden opgesomd. John Stott schreef een boekje, waarin hij deze thematiek voorzichtig en evenwichtig benadert 5, terwijl er zelfs evangelischen zijn die al die 'charismata' als werken van de duivel beschouwen! Maar het is duidelijk, dat in heel wat evangelische gemeenten zoveel belangstelling bestaat voor bijvoorbeeld het spreken in tongen en de het uitdrijven van demonen, dat het onderscheid met Pinkstergemeentes pur sang gering is. Zulke evangelischen aanvaarden ook vaak de typische 'Pinkster'doctrine, dat er twee soorten christenen zijn: christenen die wedergeboren zijn, en christenen die na hun wedergeboorte bovendien nog de doop met de Heilige Geest ontvangen hebben.

(5) Chiliasme
De verwachting van Christus' wederkomst is in veel evangelische kringen heel levendig. Vaak neemt die verwachting chiliastische trekken aan: men onderscheidt dan tussen een eerste en een tweede wederkomst van Christus, waar tussen in het duizendjarig rijk gestalte zal krijgen. Velen geloven, dat bij die eerste wederkomst de gemeente in de hemel zal worden opgenomen, en dat het volk Israël in de eindtijd een belangrijke rol zal spelen. In deze opvattingen - waarachter de reeds genoemde fundamentalistische bijbelopvatting schuil gaat wordt voortgeborduurd op het zgn.
dispensationalisme van J.N. Darby (1800-1882).

(6) Het bovennatuurlijke
Een opmerkelijke trek van sommige evangelische christenen is hun aandacht voor het bovennatuurlijke. Voor hen is de 'onzichtbare' wereld even reëel als de 'zichtbare'. Dat betekent allereerst, dat zij heel concreet met wonderen rekening houden. In de praktijk kan dat ertoe leiden, dat bepaalde gebeurtenissen (zoals een opmerkelijke genezing) aan bovennatuurlijke oorzaken worden toegeschreven, terwijl mogelijke 'natuurlijke' verklaringen voor hen niet in aanmerking komen. Daarbij speelt de gedachte een rol, dat het werk van Gods Geest zich specifiek in die bovennatuurlijke wereld afspeelt: de échte gaven van de Geest, zo menen zij, kenmerken zich door hun wonderlijk, onverklaarbaar karakter. Omgekeerd bestaat de neiging, om boze geesten aansprakelijk te stellen voor specifiek die boze dingen, die iets' ongrijpbaars hebben, zoals plotseling intredende en op het eerste gezicht onverklaarbare depressiviteit. Wanneer deze aandacht voor het bovennatuurlijke zich doorzet, keert men in dit opzicht terug naar een middeleeuwse beleving van de werkelijkheid: men brengt alle ongewone dingen en gebeurtenissen in verband met engelen en demonen, die om strijd op het aardse leven inwerken.

(7) Dualisme
Nauw verwant hiermee is de opvatting, dat de wereld in twee delen uiteenvalt: een deel waar de duivel het voor het zeggen heeft en een deel waar God heerst. Een grijze tussenzone is er niet: de dingen zijn of zwart of wit; men heeft of met het rijk der duisternis te maken, of met het koninkrijk van het Licht. Deze dualistische opvatting dwingt tot het maken van keuzes: iets moet aan God worden toegeschreven of aan de duivel, maar mag en kan niet in het midden worden gelaten. Zo komen sommige evangelischen tot de slotsom, dat ziekte iets van de duivel is - het laat zich immers niet voorstellen dat het van God komt. Vandaar ook, dat er binnen de evangelische wereld zo afwijzend gereageerd wordt op paranormale verschijnselen: als het geen gaven van de Geest zijn, dan moeten ze als werkingen van de satan occult zijn.

(8) Vrije wil
Hoewel lang niet alle evangelischen ervan uitgaan dat de mens over een vrije wil beschikt, is die opvatting voor een aantal van hen karakteristiek. Het gaat hen er daarbij om, de menselijke verantwoordelijkheid te benadrukken: een mens is niet willoos overgeleverd aan de machten die over zijn leven en de wereld beslissen. Dat geldt van de zonde: de mens ligt niet onder de doem van de erfzonde, als zou hij niet anders kunnen dan zondigen. Het geldt ook van de macht van God: de mens wordt niet overweldigd door Gods genade, als zou hij wanneer hij uitverkoren is niet anders kunnen dan geloven. Nee, de mens is vrij: vrij om te zondigen, maar ook vrij om met de zonde te breken; vrij om Gods heil te aanvaarden, maar ook vrij om er nee tegen te zeggen. Vandaar, dat er in evangelische kringen zoveel nadruk kan vallen op het moment van de beslissing: "Geef NU uw hart aan Jezus!" Ook wordt zo de gemeente aansprakelijk gesteld voor de redding van ongelovigen: "Als u onder uw verantwoordelijkheid wegkruipt om uw naaste het evangelie te brengen, gaan door uw schuld mensen verloren." De consequentie hiervan is, dat Gods heil slechts gerealiseerd kan worden wanneer mensen ervoor kiezen.6

(9) Ongebroken voorzienigheidsgeloof
In de moderne tijd is het aloude geloof in Gods voorzienigheid onder zware druk komen te staan. Sedert de grote aardbeving in Lissabon van 1755 zijn velen gaan betwijfelen, of de wereld wel zo stevig in Gods hand is als men altijd gedacht had. Steeds meer werd de gedachte prijsgegeven, dat de wereld volkomen ordelijk en doelmatig in elkaar zit, doordat God alle dingen leidt volgens zijn plan. In plaats daarvan brak de overtuiging zich baan, dat de wereld een chaotisch geheel is waarin veel zinloze dingen gebeuren, en dat er geen sprake van is dat God als de grote eindregisseur in dat alles de hand heeft. Ook binnen de christelijke kerk vond: een ingrijpende heroriëntatie plaats ten aanzien van de belijdenis van Gods voorzienig bestel, met name na de verschrikkingen van de twee wereldoorlogen. Het behoort tot de kenmerken van verreweg de meeste evangelischen, dat deze schokgolven aan hen voorbij lijken te zijn gegaan. Hun voorzienigheidsgeloof is over het algemeen ongebroken.
Niet zelden leven zij nog bij de opvatting, dat de wereld een harmonisch en doelmatig geheel is, zodat een mens zijn levensloop kan ervaren als van dag tot dag perfekt door God geregisseerd.
Soms wordt erkend, dat de zin van gebeurtenissen niet altijd zichtbaar is, maar ook dan nog blijft men eraan vasthouden dat er een goddelijke orde heerst in de zo chaotisch lijkende geschiedenis. Men vergelijkt dat wel met een borduurwerkje: wij mensen zien alleen de achterkant met onsamenhangende draden, maar God ziet de voorkant: een prachtig patroon.
Het beeld is bekend geworden dankzij Corrie ten Boom, maar het is niet verbazingwekkend dat het reeds bij de negentiende eeuwer (!) Nicolaas Beets is aan te treffen!

(10) Heiliging en groei
Dat God mensen hun zonden vergeeft en hen vrijspreekt is één ding: de rechtvaardiging. Dat God mensen wil scholen in het nieuwe leven, zodat zij steeds verder afgroeien van de zonde is een tweede: de heiliging. Veel evangelischén leggen op dat tweede zware nadruk. Zij vinden groei in het christelijk leven belangrijk, en achten stilstand achteruitgang. Sommigen gaan er zelfs van uit, dat je als christen de zonde helemaal onder de knie krijgt.
Tendensen tot zulk perfectionisme vind je bij bijvoorbeeld de Noorse broeders. Het accent op de heiliging kan tot gevolg hebben, dat de rechtvaardiging onderbelicht wordt. Heel wat evangelischen beschouwen de rechtvaardiging van de goddeloze als een stadium dat op een gegeven moment achterhaald is. In hun ogen is Gods vrijspraak van de zondaar niet meer dan een opmaat tot het eigenlijke werk: de daadwerkelijke verandering van de zondaar in een heilige.
Waar zo de aandacht van de rechtvaardiging naar de heiliging verschuift, komt ook de wet weer in het centrum van de belangstelling te staan. Niet zelden wordt in evangelische kringen het niveau van iemands christen-zijn afgemeten aan de geestelijke prestaties die hij levert.

Noten
1 Voor OPBOUW bewerkte tekst van de lezing, die op 24 april 1993 gehouden werd voor de leden van de gereformeerde persvereniging 'Opbouw'.
2 Een mooi voorbeeld is de verzoeningsleer die hij verdedigt in The Cross of Christ, Leicester 1986.
3 Zie voor een uitvoerige beschouwing hierover mijn artikelen in de OPBOUW-nummers 10 ttm 13 van de 33e jaargang uit 1989.
4 Zie hierover uitvoeriger mijn artikelen in de OPBOUW-nummers 1 ttm 4 van de 2ge jaargang uit 1985, Over doop en overdoop.
5 John R.W. Stolt, Baptism and Fullness. The work of the Holy Spirit today, Leicester 1975.
6 Zie voor heel deze problematiek mijn proefschrift De vrije keus? De spanning tussen vrijheid en rede in de revival-theologie van Charles Grandison Finney, Zoetermeer 1993.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief