De Spoorbrug
1993-07-30
Op de avond van Pinksteren was ik nog geen zes jaar oud. Wat ik me van de meidagen 1940 herinner, zijn losse flarden uit een koortsige droom...- Jaargang 37
- nummer 16
Hij staat bij het raam. Hij kijkt naar het weiland, waar de mannen greppels graven: vader, buurman, dominee.
Boven de huizen van het dorp staat brandend het avondrood. Hij ligt op bed. Het is bijna donker. Beneden in de keuken lachen de grote mensen. Plotseling klinkt de stem van de burgemeester.
De grote mensen lachen niet meer. Pinkstermaandag, het schemert nog. Hij kijkt naar zijn broer, zijn zusje, het meisje van de buren. Ze knikkeren in de achtertuin, 'perkje pikken'.
Hij zit tussen de koffers in de keuken.
Moeder maakt brood klaar. Hij eet een boterham. In de achterkamer. Vader heeft stenen in kranten gepakt. Daar zet hij het orgel op, de piano, het dressoir.
Mannen sjouwen van alles naar boven: de tafel, de stoelen, de lamp.
De gordijnen zijn afgenomen, kleden worden opgerold. De kamer klinkt hol.
Het is middag. Op de planken vloer liggen vader en moeder op de knieën.
Zijn zusje fluistert: "Toe knielen, ogen dicht, papa gaat bidden". Hij knielt, zijn ogen willen niet dicht. Vader bidt.
Vader huilt. Ze zitten in het tuinhuisje, de 'wees'.
Rijen auto's gaan over de dijk, auto's en bussen. Bekende gezichten, wuivende handen. Iemand zegt: "Dat is onze bus". Ze stappen in. De koffer en de dekens gaan mee.
De middag ebt weg. Een goederenstation, vierkante pakken stro. Vader is weg, hij is groepsleider. Daar zijn de buren, de groenteboer, de dominee. Hij drinkt limonade, hij krijgt chocola. Hij dommelt in slaap.
Avond. Het is donker. Elf uur? Twaalf uur? Hij loopt aan de hand van vader tussen de mensen door. Mensen, koffers, pakken, rails. Kleine lichtjes, schaduwen, vage gezichten. Ziet hij, hoe een kind geboren wordt? Vader trekt hem mee. Droomt hij?
Eén uur in de nacht. Puffende locomotieven, schuifelende voeten, afgeschermde lichten, haastige stemmen.
In de lucht ronken vliegtuigen. Hij wordt in een treincoupé getild. De trein rijdt. Tegenover hem zit de dominee.
De dominee is bang voor de grote spoorbrug: "Als ze hem maar niet opblazen, terwijl we er overheen rijden".
De dominee soest weg, schrikt wakker: "Zijn we er al?" Iemand zegt: "U bent er slapend overheen gereden".
Ze lachen.
Hij leunt met zijn hoofd tegen moeders arm. Hij zegt: "Ik ben veel liever thuis". Moeder zegt: "Dat zijn we allemaal".
Een nieuwe dag daagt. Een stad. Ze zitten in een bus. Soldaten op het spatbord, het geweer in de aanslag. "Er kunnen overal sluipschutters zitten ".
Een dorpsplein. Groepen mensen, kinderen, koffers. Mannen lopen met lijsten, roepen namen af. Hij moet plassen. Moeder helpt hem. Er komt een meneer met een auto: "U komt bij ons".
Ze rijden op de straatweg. Dan een landweg in, linksaf. Bloembollenvelden, rood en geel. Een zandpad in, rechts.
Hij loopt om het vreemde huis. Hij rijdt op een lorrie. Hij is moe, wil naar zijn moeder. Het is acht uur in de morgen.
Hij zit op de grond en leunt tegen een grote stoel. Hij krijgt een pepermuntje.
Zijn hoofd is zwaar. Dan is er niets meer.
Het is avond. Iemand draagt hem. Een kamer, waar het licht boven de tafel brandt. Allemaal vreemde mensen. Ze praten, ze vragen, ze lachen tegen hem. Hij kruipt weg bij zijn moeder. Hij loopt met zijn zusje door de bollenvelden.
Ze willen de zee zien. Ze komen bij de duinen.
Daar zijn mensen die ze kennen. De zee krijgen ze niet te zien.
Een zonnige middag, na het eten. Ze pakken een fiets uit de schuur, zijn zusje en hij. Een vrouwenstem roept: "Wat doen jullie daar?" Moeder vraagt uit het raam: "Wat is er aan de hand?"
Hij zegt: "Je mag hier ook niks!"
Een andere middag. De zon daalt al. Ze wandelen door de bollenvelden.
Vader is er nu ook bij. Iemand zegt: "U kunt naar huis terug. Alles is voorbij". Ze zitten in de bus. Ze rijden door de hoofdstad. De gashouders branden.
Rook en vlammen ..
In mei 1940 kwam onze dominee - in de trein - slapend over de spoorbrug. Vele jaren na de bevrijding kwam hij in de auto - 'slapend bij U thuis ...'.