IJzerwerf

1993-07-30
  • Jaargang 37
  • nummer 16
Een van onze beste vrienden, tegelijk een broeder in de Here, is directeur van een ijzerwerf.
Daar boffen we als gemeenteleden wel mee, want er zijn nogal wat zonen die daar een aanvulling op hun zakgeld verdienen.

Onder die zonen was een paar jaar geleden ook onze Joris, die altijd volledig platzak was en tot zijn spijt geen ouders had die van plan waren om die toestand op te heffen. Zijn en onze gedachten over een zinvolle besteding van geld botsten namelijk knallend. Omdat hij toch aardig wat geld aan kon, zei hij na wat opvoedkundige opmerkingen van onze kant monter: "Ach ik ga wel vragen of oom Willem werk voor me heeft."
"Moet je doen. Misschien leer je de waarde van geld als je er voor moet werken", prevelde ik.
"Nou moet je niet doen of ik nooit gewerkt heb. Wie heeft er vakanties lang bollen geraapt... Nou? Deze jongen hier", zei hij trots en maakte zich breed.
"Ik zeg niet dat je lui bent, ik zeg dat je je geld er door jaagt", zette ik de puntjes op de i.
"Ach mam. Je zal nog eens wat zien....later!" beloofde hij en vertrok fluitend.
Het was geen zware opgave voor hem om daar te klussen, want de zonen van Willem en Fieke, waarmee hij stevig bevriend was, werkten in het bedrijf van Pa. Onder de smeerolie maar goedgehumeurd kwam hij 's avonds thuis.

Het werken op een ijzerwerf stimuleerde niet het gebruik van salontaal.
Mensen in oudroest en nieuw ijzer drukken zich nogal gespierd uit en onze Joris neemt vlug iets over. Aan tafel werden de gesprekken uitgesproken kernachtig. Het was even wennen, maar na een paar dagen hoorde ik het al niet meer en begroette op mijn beurt een keurig nette buurvrouw joviaal met de woorden: "Verrek meid, ik geloof dat ik nog boodschappen moet doen." Haar ontstelde blik bracht me de nodige bezinning. Ik stamelde iets vaags tegen de buurvrouwen zei: "Schaam je" tegen mijn spiegelbeeld. Tegelijk kreeg ik bewondering voor Fieke en Willem, die zich altijd redelijk ingetogen uitdrukken. En dat met vier zonen op de werf!

De laatste tijd heeft een nieuw jargon zijn intrede gedaan. Er wordt gesproken in ontkennende zin. Het luistert wel nauw, want klemtoon en toonhoogte spelen ook een rol. Als de persoonsvorm iets hoger wordt uitgesproken en een klemtoon krijgt, verandert het woord 'niet' in 'wei'.

AI werkt Joris niet meer op de werf, het taalgebruik heeft hij zich via de vrienden eigen gemaakt.
Toen ik laatst op een stralende dag met een kennis in de achtertuin zat kwam Joris thuis. Opgewekt riep hij: "Hallo... Het is geen mooi weer. Ik gá niet naar het strand... ik háal mijn vriendin niet op", waarna hij zijn badlaken en zwembroek van de waslijn griste en een paar tellen later met een brede zwaai weer op de fiets stapte. Verontrust keek de kennis me aan.
"Het is wel warm hè", zei ze. "Heeft hij daar wel meer last van?"
"Gewoon...een manier van praten.
Het went wel", verzekerde ik.
"Oh", zei ze.
Toen wreef ik over mijn gezicht en zuchtte: "Het is niet warm."

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief