Gereformeerd en evangelisch: kiezen of delen? (3)
1993-08-13
II Waardering - Jaargang 37
- nummer 17
(A) Geloofsbeleving
Niet kiezen, maar delen Op het punt van de geloofsbeleving hebben de evangelischen zoveel in huis, dat gereformeerde christenen daaraan alleen maar tot hun schade voorbij kunnen gaan. Het zou wel eens kunnen zijn dat de belangrijkste aantrekkingskracht van de evangelischen schuilt in hun warme, persoonlijke manier van geloven en in hun ongeremde expressie daarvan. De christenen van reformator ischen huize die aansluiting zoeken bij een evangelische gemeente, zijn over het algemeen niet in de eerste plaats geïnteresseerd in de theologische stokpaardjes die men daar berijdt. Waar zij op afkomen, is die evangelische 'uitstraling'; dat is het, wat zij in gereformeerde kring vaak zo pijnlijk missen. Alles wat in het voorgaande gezegd is over de integratie van geloof en dagelijks leven, het intensieve gebedsleven, de realiteit van de geloofsdimensie, de openheid voor God, de zoveel 'Iossere' kerkdiensten en de vrijmoedigheid in het ter sprake brengen van God: dat alles wordt als verrijkend ervaren door christenen, die het gereformeerde leven bedreigd achten door secularisatie en formalisme. Hebben zij voor een deel niet gelijk? Inderdaad slaat de gereformeerde nuchterheid nog wel eens om in een skeptische houding, wanneer het gaat om Gods aanwezigheid in ons leven en een innige relatie tot Hem. En in gereformeerde kerkdiensten is wel erg weinig plaats voor spontaniteit en voor een persoonlijke inbreng van de gemeenteleden. Er is daarom alle reden om niet te kiezen tussen evangelisch en gereformeerd, maar om de waardevolle elementen uit die twee richtingen met elkaar te delen. Gereformeerden zouden van evangelischen moeten leren wat minder geremd te zijn, en zich niet te laten verlammen door de secularisatie, en het gebed toch volstrekt serieus te nemen, en open te staan voor de dynamiek van Gods Geest. Dat betekent ook een positieve houding ten opzichte van die gemeenteleden, die te kennen geven dat zij in de gereformeerde stijl van christen- en kerk-zijn iets missen, dat zij bij evangelischen juist wel opmerken.
Het gaat zulke mensen vaak helemaal niet om kritiek op het reformatorisch gedachtegoed. Zij waarderen integendeel vaak de diepgang en evenwichtigheid van de gereformeerde traditie. Maar waar zij bang voor zijn is de verschraling van de geloofsbeleving, en de verstijving van de eredienst, en een in zichzelf gekeerd raken van de gemeente van Christus. Daarom verdienen zij het om constructief benaderd te worden, wanneer zij voorstellen om bijvoorbeeld eens een opwekkingslied in de eredienst te zingen, of om op bijbelkringen meer ruimte te creëren voor gebed.
Overdrijving
Het zou echter jammer zijn als het tot eenrichtingverkeer kwam, waarbij gereformeerden van de evangelischen impulsen ontvangen maar niet omgekeerd. 'Want ongetwijfeld heeft ook de gereformeerde traditie voor wat betreft de geloofsbeleving veel goeds in huis. Zo viel reeds enige malen het woord 'nuchterheid'.
Die term geeft iets aan van de realiteitszin, waardoor de Reformatie zich vanouds onderscheiden heeft van tendensen tot geestdrijverij. Het is waar: die nuchterheid kan omslaan in sepsis. Maar even waar is het, dat de evangelische geloofsbeleving kan omslaan in dweperigheid. Evangelischen kunnen zo overdrijven. Sommigen van hen praten zo graag over hun geloof, dat het te veel van het goede wordt. De integratie van geloof en dagelijks leven kan iets krampachtigs krijgen. De openheid voor het spirituele kan zo ver gaan, dat tekenen van God worden opgemerkt waar zij niet "zijn. Daardoor wekken evangelischen als ze niet uitkijken een 'overspannen' indruk. Daartegenover werkt de gereformeerde nuchterheid weldadig. Ook in zaken van geloofsbeleving is het goed om te relativeren. Daar komt nog iets bij. De reformatorische traditie heeft altijd een scherpe intuïtie gehad voor Gods heiligheid. Dat stempelde de beleving en de expressie van het geloof: men nam daarbij eerbiedige terughoudendheid in acht. Die terughoudendheid mist men bij evangelischen die tot dweperigheid neigen. Onbedoeld kunnen zij in hun gedrag en hun spreken tot een zekere profanisering komen van dat, wat tot de diepste geheimenissen van het leven behoort. Het zou goed zijn als zij zich op dit punt door hun medechristenen lieten bijsturen. Het geldt aan twee kanten: niet kiezen, maar delen!
Dorre seizoenen
Je kunt wel eens jaloers worden op de evangelische geloofszekerheid: wat is voor hen de nabijheid van God reëel. Je kunt er echter ook wel eens kriebelig van worden. Kennen zij dan helemaal geen twijfel? Worden zij dan nooit ernstig aangevochten? Het is opvallend, dat de reformatorische traditie voor deze donkere kanten van de geloofsbeleving volop oog heeft gehad. Bij Luther zijn hierover indrukwekkende dingen te lezen. 2 Maar ook in de Dordtse Leerregels worden behartenswaardige dingen gezegd. Zo merkt artikel 11 van hoofdstuk V het volgende op: Intussen getuigt de Schrift, dat de gelovigen in dit leven tegen allerlei twijfelingen van het vlees strijden en dat zij in zware aanvechting dit volle geloofsvertrouwen en deze zekerheid der volharding niet altijd gevoelen. Maar God, de Vader van alle vertroosting, laat hen niet verzocht worden boven hun vermogen maar geeft met de verzoeking ook de uitkomst (1 Kor.10:13); en wekt in hen opnieuw de zekerheid der volharding door de Heilige Geest. Het gaat hier specifiek over de 'volharding der heiligen' en de zekerheid daaromtrent die de gelovige aan zijn verkiezing kan ontlenen. Toch hebben deze woorden een verdere strekking; ze maken - onder verwijzing naar de Schrift duidelijk, dat de gelovige nog in het vlees leeft en daardoor in zijn geloofsleven 'dorre seizoenen' kan doormaken. Deze benadering is uitgesproken barmhartig.
De gelovigen worden gerustgesteld: zij hoeven er niet vreemd van op te kijken wanneer zij door twijfel geplaagd worden en de ervaring van Gods nabijheid missen. Dat hoort er allemaal bij, bij de strijd die zij in dit leven moeten voeren. Let wel: dit is iets anders dan dat twijfel en onzekerheid gecultiveerd worden, zoals in een modern levensgevoel. De Dordtse Leerregels gaan ervan uit, dat het werk van de Heilige Geest in Gods uitverkorenen resulteert in een bloeiend geloofsleven, en dat het ontbreken ervan een pijnlijk gemis is. Waar het ze om gaat, is dat dat gemis de gelovigen niet hoeft te verontrusten, als waren zij geen kinderen van God. Zij verwijzen daarvoor naar Gods verkiezend welbehagen: daarin vindt de gelovige zijn houvast; daarin ligt de belofte besloten van een "tijd van overvloediger genade" (hoofdstuk I, artikel 16). Voor die overvloedigheid van de genade hebben de evangelischen veel oog, en terecht! Maar met het gegeven van de 'dorre seizoenen' hebben zij over het algemeen minder affiniteit. Daardoor stoten zij christenen, die in hun geloofsbeleving veel met het vlees te stellen hebben en dan ook "niet altijd blij zijn", nog al eens af. Dat is jammer. In dit opzicht schept de gereformeerde traditie meer ruimte.
Vormen
Gereformeerde christenen kunnen zo geremd zijn in hun geloofsexpressie, dat het een verkwikking zou zijn als zij iets van het 'vrije' van evangelischen zouden overnemen. Dat geldt zeker ook van de kerkdiensten; daarin mocht het best eens wat minder vormelijk toegaan. 'Minder vormelijk' is evenwel iets anders dan 'vorm- en stijlloos'. Want ook vormen en stijlen kunnen scheppingen zijn van de Heilige Geest, zodat de kerk er zich niet voor hoeft te schamen wanneer zij bij haar erediensten gebruik maakt van vaste 'omgangsvormen' met God. Uit afkeer van 'vormelijkheid' zetten sommige evangelische gemeentes echter zo vastbesloten alles op de kaart van spontaniteit en charisma, dat zij gestileerde vormgeving wantrouwen. Daarmee sluiten zij aan bij tendensen in onze cultuur; mede daardoor is de drempel van hun kerkdiensten laag. De keerzijde daarvan is, dat die kerkdiensten nogal eens te lijden hebben van de soms zeer beperkte uitdrukkingsmogelijkheden van hen, die een aandeel in de liturgie hebben. In de plaats van klassieke vormen en stijlen komt "de allerindividueelste expressie van de allerindividueelste emotie". In de praktijk loopt dat uit op nieuwe vormen en stijlen.
Want ook de charismatische voorganger heeft zo zijn stopwoorden en geijkte zinswendingen, en bij het vrije gebed is tamelijk voorspelbaar wie het woord zullen nemen, en de muziekgroep kiest ook zo haar eigen genre. Kortom: het is onmogelijk om puur spontaan, zonder vormen en stijlen, uitdrukking te geven aan je geloof. Maar dan is het de vraag, of de klassieke formuleringen en liederen daar werkelijk minder voor deugen dan de liturgische 'eendagsvliegen' van sommige evangelischen. Dat betekent niet dat er alsnog gekozen moet worden tussen evangelisch en gereformeerd. Er moet een tussenweg te vinden zijn tussen hoogkerkelijke erediensten die te kort komen aan vrije expressie, en laagkerkelijke bijeenkomsten die lijden aan taalkundige en muzikale bloedarmoede. In dit opzicht heeft de evangelische vleugel van de Britse Anglicaanse kerk heel wat te bieden.
Overigens manifesteert de evangelische afkeer van vaste vormen zich ook daarin, dat men vreest voor een insnoering van het werk van de Geest door menselijke organisaties en structuren. Als het gaat om zendingswerk kennen veel evangelischen grote waarde toe aan initiatieven van mensen, die "van de Heer iets op hun hart hebben gekregen"; het eisen van een deugdelijke organisatie en een sluitende begroting achten zij dan ongepast. Van belijdenisgeschriften huiveren zij: waarom zou men trachten het goddelijk evangelie in mensenwoorden te vangen? In hetzelfde kader hoort hun beleid bij het aanstellen van voorgangers thuis: een theologische opleiding wordt vaak meer als een beletsel dan als een aanbeveling voor een 'geestelijk leider' gezien. De openheid voor het werk van de Geest die daaruit spreekt is sympathiek. Maar weer kan men zich afvragen, of een bonafide zendingsorganisatie en een kerkelijke belijdenis en theologische vakbekwaamheid niet heel Geestelijk kunnen zijn!
Katholiek
In evangelische kringen is men doordrongen van het feit, dat de kerk van Jezus Christus breder is dan de plaatselijke gemeente waarvan men lid is. AI komt men in nog zulke achteraf-zaaltjes bijeen, men is zich er diep van bewust dat men deel uit maakt van een wereldwijde beweging: overal op aarde leidt God mensen tot het licht. In die zin leven.
de evangelischen bij de belijdenis, dat de kerk katholiek, dat wil zeggen algemeen is. Maar de kerk is niet alleen katholiek omdat zij van alle plaatsen is: zij is ook van alle tijden. Voor veel evangelischen leeft dat besef veel minder. Zij voelen zich over het algemeen niet in een lange traditie staan; niet zelden presenteren zij zich als de onmiddellijke erfgenamen van de eerste gemeente. Maar dat betekent dat zij weinig doen met de verworvenheden van de kerk van vroeger eeuwen. Bij de gereformeerde christenen is dat anders; voor hen is de verbondenheid van de hedendaagse christenheid met het voorgeslacht juist heel belangrijk. Dat merk je aan de liederenschat: het Liedboek voor de kerken, dat gelukkig nu ook in de meeste Nederlands Gereformeerde kerken is ingeburgerd, laat de gemeente ook liederen zingen uit de tijd van de Reformatie, uit de Middeleeuwen, en oudkerkelijke hymnen. Trouwens, ook het veelvuldig zingen van psalmen is te beschouwen als een uiting van het besef dat de kerk katholiek is: wij voelen ons ook verbonden met de gemeente van het Oude Testament en met háár liederenschat! En terwijl evangelische groepen vaak hun eigen samenvattingen van het christelijk geloof vervaardigen, zoeken de reformatorische kerken aansluiting bij woorden waarin de kerk van alle eeuwen haar geloof heeft uitgedrukt, bijvoorbeeld de geloofsbelijdenis van Nicea en Constantinopel. Ook hier weer neemt de evangelische vleugel van de Anglicaanse kerk een eigen positie in: hier is de kerkelijke traditie op een goede manier in ere - echt Engels! Met name Amerikaanse evangelischen hebben echter de neiging, schouderophalend voorbij te gaan aan de rijke traditie van de kerk. Ze kunnen daardoor buitengewoon pedant en eigenwijs voor de dag komen. Maar eerlijk is eerlijk: de hier en daar in gereformeerde kring voorkomende gewoonte om de wereldkerk af te meten aan de maatstaven die ontwikkeld zijn in de gereformeerde traditie van de lage landen, is niet minder pedant. Kortom: ook hier zou het weer heel vruchtbaar zijn, om niet te kiezen maar te delen.
Noten
1 Voor OPBOUW bewerkte tekst van de lezing, die op 24 april 1993 gehouden werd voor de leden van de gereformeerde persvereniging 'Opbouw'.
2 Zie bijvoorbeeld de artikelen van A. de Reuver, Prediking en aanvechting, en W. van "Spijker, De betekenis van Luther voor de spiritualiteit vandaag, in: Theologia Reformata, resp. jaargang XXVIII (1985) no. 2 en jaargang XXXV (1992) no. 2