'Dat kan niet!'

1993-08-27
  • Jaargang 37
  • nummer 18
Wij hadden vroeger een rookstoel thuis.
Weet u nog wat dat is? - Zo 'n stoel met van die brede houten armleuningen en een verstelbare rug. Aan de binnenkant van de armleuningen zaten uitsparinkjes, waar je een stok of een roe in kon leggen. Hoe verder je de stok naar achteren legde, des te schuiner kwam de rugleuning te staan. Je kon de roe er ook uithalen en dan stond de rugleuning helemaal horizontaal. Ze steunde dan op meescharnierende pootjes. De rookstoel was een smal bed geworden.
De twee dikke kussens vormden de matras. Ik zal er wat op gelegen hebben, als ik ziek was. En ziek ben ik vaak geweest! Op straat noemden ze mij 'de huismus': dit was niet aardig bedoeld en het wàs ook niet aardig. In huis heette ik 'de zaagmolen': dit was meer to the point en minder kwetsend.

Ik zal een jaar of vier, vijf geweest zijn - het was dus nog 'voor den oorlog'.
Mijn moeder zat in de rookstoel, ik zat op een armleuning tegen haar aan. Ze las voor uit de kinderbijbel.
W.G. van de Hulst natuurlijk: iets anders hadden wij in die tijd niet. De schrijver zelf kwam trouwens wel eens bij ons over de vloer. En als mij ooit verhalen van hem in de ziel zijn gebrand, dan wel 'Peerke en zijn kameraden' en 'Zo'n vreemde jongen'. Het eerste speelt in de bakermat van mijn familie, maar ook zonder dit voel ik me er altijd erg door aangesproken.
Het tweede speelt aan de plassen, wel niet de 'onze' maar dan toch die van de 'buren'. En zo herken ik in beide verhalen een stuk van mijn eigen geschiedenis. Maar nu ging het over de geschiedenis van duizenden jaren geleden. De intocht in Kanaän en de val van Jericho. Zes dagen lang slaat het volk de lasso van het geloof om de stad heen. Op de zevende dag wordt Jericho ingekapseld in een zeven rijen dikke kluwen van menselijk geloven. Dan 'bij de laatste bazuin' (de Griekse vertaling in Jozua en de Griekse tekst van Paulus gebruiken dezelfde uitdrukking) storten de muren van Jericho in ...
Waarop ik, kritisch toen al, reageerde met: "Dat kan niet". Mijn moeder hield gelukkig geen vertoog over het gezag van de heilige schrift. Maar op dit cruciale punt van haar opvoeding zei ze trefzeker: "Maar de HERE deed het toch!"
Tegen zoveel overtuiging had ik geen verweer, en dus zei ik: "Gaat u dan maar door!"

Nu, na meer dan een halve eeuw, staat dit voorval me nog glas-helder voor de geest. Ik heb nog wel vele andere onwijze dingen te berde gebracht en zij heeft nog wel vele andere wijze dingen gezegd, maar deze gebeurtenis was 'grundlegend' zoals onze oosterburen zeggen. M'n moeder confronteerde me niet slechts met het woord van God, maar met de God van het woord - op Wie zijzelf in nood en dood vertrouwde. Dit nu lijkt me van doorslaggevende betekenis voor een christelijke opvoeding.
Dat het kind merkt: "Vader en moeder ménen het. Bij hen is het ècht. "
Als ouders maak je fouten. En dit is ook geen wereldramp. We zijn allemaal groot geworden ondanks de fouten van onze ouders. Wanneer je als ouders bij je kinderen maar zoiets achterlaat als in dit scherp gelijnde miniatuurtje: " ... die machtige muren, zóó zwaar, dat er huizen op staan gebouwd, ze schudden, ze scheuren, en met hun sterke torens storten ze om en vallen ineen tot hoop en van puin." "Dat kan niet".
"Maar de HERE deed het toch ", "Gaat u dan maar door".

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief