Gereformeerd en evangelisch: kiezen of delen? (4) *1
1993-08-27
(8) Theologische opvattingen- Jaargang 37
- nummer 18
De theologische opvattingen van evangelische christenen blinken niet altijd uit door diepzinnigheid en denkkracht.
Gelukkig zijn er heel wat erudiete theologen (zoals John Stott) die waardevol studiemateriaal aanreiken, maar daar staat een massa 'bijbel'Iectuur tegenover waarvan men niet veel wijzer wordt. Sterker nog: in menige evangelische publikatie worden twijfelachtige dingen verkondigd; mensen die daarmee op de preekstoel en in het pastoraat op de loop gaan, maken niet zelden brokken. In dit verband is te denken aan overspannen eindtijdverwachtingen, zeer kwalijke praktijken van gebedsgenezing en duiveluitbanning, kreupele bijbeluitleg, enzovoorts. Maar ook waar evangelischen op zichzelf zinnige dingen naar voren brengen, wreekt zich vaak hun simplificerende benadering van de dingen van Koninkrijk. Hier kan die theologische bezinning, die zich oriënteert aan het denken van de Reformatie, winst brengen. Voordat daarvan enkele voorbeelden gegeven worden, moet echter eerst hulde worden gebracht aan de evangelischen, vanwege het zware accent dat zij in hun opvattingen leggen op het missionaire functioneren van kerk en christenheid.
Introvert
Zoals in het voorafgaande reeds werd aangeduid, zijn zij niet alleen in de praktijk van het christen-zijn op evangelisatie en zending gericht, maar is die gerichtheid bij hen ook theoretisch onderbouwd. Voor hen behoort het tot het wezen van de kerk, dat zij er is voor de wereld. Op dit punt hebben zij reformatorische christenen heel wat te vertellen. Zeker, in de gereformeerde belijdenisgeschriften wordt aandacht geschonken aan het missionaire optreden van de christenen in hun persoonlijk leven, vgl. Heidelberger Catechismus zondag 32 antwoord 86 en zondag 47 antwoord 122; Dordtse Leerregels hoofdstuk 11artikel 5 en hoofdstuk III/IV artikel 10. In de leer van de kerk wordt echter griezelig weinig naar buiten gekeken. In de Nederlandse Geloofsbelijdenis wordt in die zin ingegaan op de relatie tussen kerk en wereld, dat gezegd wordt dat ieder zich bij de kerk heeft te voegen omdat er buiten de kerk geen zaligheid is (artikel 28).
Maar de notie dat de kerk haar bestaansrecht onder andere daaraan ontleent, dat zij een instrument voor God is om de wereld met het evangelie te bereiken, ontbreekt geheel. Ook in zondag 21 van de Heidelberger Catechismus zoekt men tevergeefs naar een verwerking van het bijbelse gegeven, dat de gemeente van Christus staat of valt met haar functie, het zout der aarde te zijn (Matt.5:13). Dat is een ernstig manco, dat vermoedelijk doorwerkt in de vaak uiterst introverte vorm die het gemeentelijk leven in de gereformeerde traditie heeft aangenomen. Er zijn tekenen die wijzen op een kentering, maar zolang evangelisatiecommissies nog een kwijnend bestaan lijden en kerkelijke vergaderingen voor het thema 'een zoutend zout zijn' een blinde vlek hebben, is er geen reden tot juichen. Als ergens de reformatorische wijze van kerk-zijn corrigerende impulsen kan ontvangen van het gedachtegoed dat in evangelische kringen ontwikkeld is, dan hier.
Voorzienigheid
Als eerste van de theologische opvattingen van evangelische christenen, die verrijkt kunnen worden vanuit het denken van de Reformatie, moet het 'ongebroken voorzienigheidsgeloof' genoemd worden. Vergeleken bij moderne theologische ontwerpen, volgens welke Gods greep op de ontwikkelingen in de wereld en op iemands persoonlijke levensloop lang niet alomvattend is, doet dit geloof heel veilig aan. Evangelische christenen leven tenminste nog bij de geruststellende gedachte, dat er Een is die de touwtjes van ons leven en van heel de wereldgeschiedenis stevig in handen heeft. En al zie jij niet altijd de zin van gebeurtenissen in - je mag geloven dat alles volmaakt past in het goddelijk beleid. De achterkant van het borduurwerkje mag een verwarde indruk maken - de voorkant vertoont een harmonisch patroon.
Het waarheidsmoment in deze opvatting is, dat het evangelie inderdaad dankbaar en eerbiedig spreekt over de raad van God, volgens welke de geschiedenis verloopt. Zo wordt in psalm 33:11 verkondigd "dat Gods plan doorgaat, eeuw na eeuw" (vertaling Groot Nieuws Bijbel), en blijkens Handelingen 4:27,28 krijgt zelfs het zondige handelen van mensen een functie in de verwerkelijking van Gods heilsplan. Ook in het persoonlijk leven heerst niet een grillig toeval, maar leidt God zijn kinderen volgens zijn raad, psalm 73:24. De gretigheid waarmee evangelischen over 'het plan van God met hun leven' kunnen spreken, is dus niet uit de lucht gegrepen. Alleen - zij doen dat vaak op een romantische manier. Het lijkt wel, alsof bij hen de meest afschuwelijke gebeurtenissen toch in een mild licht komen te staan, alsof de verschrikkingen van het leven hun rauwheid verliezen, ingepast als zij zijn in Gods beleid. Dat komt, doordat dit geloof in Gods raad bij hen vaak rationalistisch wordt uitgewerkt. Dat wil zeggen: dat de geschiedenis volgens Gods raad verloopt houdt voor hen in, dat alle dingen redelijk en functioneel in elkaar passen, en daardoor zijn afgestemd op Gods grote doel.
Zo gezien zit de werkelijkheid dus heel doelmatig in elkaar. Wat op het eerste gezicht een warboel lijkt, is in feite door een superintelligente en alwetende regisseur geordend.
Verborgenheid
Het is echter zeer de vraag of het juist is, om met behulp van deze rationalistische voorstelling over Gods raad en voorzienigheid te spreken. Want in de bijbel komt Gods heil vaak tot stand via een uiterst onredelijke en ondoelmatige aanpak. Neem bijvoorbeeld de gelijkenis van de arbeiders in de wijngaard (Mattheüs 20:1-16): deze heer blaast door zijn excentrieke handelwijze de gangbare redelijke en zedelijke orde op. Een dergelijke wijze van uitbetalen past niet in een rationeel georganiseerde werkelijkheid. Toch staat deze heer model voor God, "bij' wie mijn levenspad een heilsweg wordt" (psalm 18:9 berijmd). De wijze waarop Hij zijn heilsplan realiseert, spot met alles wat redelijk en doelmatig is. Hij verkiest geen groten, maar kleinen; geen vromen, maar zondaren. Bij Hem worden laatsten eersten en eersten laatsten. Hij verlost door een gekruisigde, zodat zwakheid zijn kracht is en dwaasheid zijn wijsheid (I Kor.1:25). Werkelijk, zoals God de geschiedenis leidt - daar is geen touw aan vast te knopen (vgl. Romeinen 11:33).
Het is Luther geweest, die in dit verband Gods verborgenheid benadrukte. Hij doelt daarmee niet op Gods afwezigheid, de verborgenheid van Gods aangezicht, waarover in zoveel psalmen geklaagd wordt (vgl. psalm 44:25). Nee, met een beroep op Jesaja 45:15 stelt Luther, dat God juist in zijn verlossing vreemde, onbegrijpelijke wegen gaat, in een totale doorkruising van alles wat redelijk is. De verlossende God is verborgen onder het kruls." Maar dat betekent, dat ook de vóórkant van het borduurwerkje uit het oogpunt van redelijkheid en doelmatigheid teleurstelt. De verwarde draden die wij in onze levensloop en in de geschiedenis opmerken, verwijzen naar een heel vreemd patroon: dat van het kruis.
Modern
Dit alles is van meer dan theoretisch belang. Met het 'ongebroken voorzienigheidsgeloof' van de evangelischen komen namelijk die christenen, die hebben afgerekend met het harmonische wereldbeeld van het rationalisme, niet meer uit. Zij ervaren zoveel chaos in de wereld en in de geschiedenis, dat het hun onmogelijk is geworden te blijven vasthouden aan de voorstelling dat de werkelijkheid ten diepste een redelijk geordend geheel is. Daarbij hebben zij het bijbelboek Prediker aan hun kant: als ergens de illusie verstoord wordt, dat de wereld redelijk en zedelijk in elkaar zit 3, dan hier. Men kan zich dan ook afvragen hoe Prediker voor de evangelischen functioneert; ongetwijfeld hebben de meeste van hen weinig affiniteit met dit bijbelboek. Maar daardoor kan hun soms wat vlotte praten over Gods 'plan' met ons leven, andere christenen wel eens irriteren.
Voor die gelovigen, die lijden onder de raadsels en verborgenheden van het leven en het moeilijk vinden om te geloven dat God de dingen leidt naar zijn raad, kan de diepzinnige benadering van Luther nieuwe perspektieven openen. Er zit iets eigenaardig moderns in zijn opvatting, dat Gods verlossing principieel geen redelijke struktuur heeft, en dat ons levenspad slechts een heilsweg bij Hem wordt door de duisternis van het kruis heen.
'Geloven' wordt zo iets paradoxaals: het houdt Gods zwakheid voor kracht, zijn dwaasheid voor wijsheid. De gelovige is bereid zich achteruit te laten zetten, in het vertrouwen dat hij door Gods genade naar voren gehaald wordt. Het geloof verdraagt dat het in de wereld chaotisch toegaat, omdat het weet heeft van het kruis als de openbaring van Gods heil.
Wanneer ons menselijk denken zich zo oriënteert aan het kruis van de Here Jezus, zal het eerbiedig ruimte kunnen laten voor het evangelie van Gods raad en voorzienigheid, ook wanneer het harmonische wereldbeeld van het rationalisme aan scherven valt. Wie eenmaal ontdekt heeft dat de genade van God spot met de redelijke verwachtingen die mensen hebben, is er niet langer op uit patronen van doelmatigheid in zijn leven op te sporen. Wie door het geloof Gods lichtend aangezicht heeft leren zien in de duisternis van Golgotha, zal ook wanneer hij zelf duisternis ervaart, eraan kunnen vast houden dat de Here God een spoor van licht door het leven trekt.4
Dualisme
Een tweede opvatting van evangelische christenen die vanuit de reformatorische theologie verrijkt en gecorrigeerd kan worden, is het dualisme. Temidden van alle relativisme, waarbij tegenstellingen als die tussen goed en kwaad en tussen waarheid en leugen hun absoluut karakter verliezen, getuigt de evangelische nadruk op de antithese tussen het rijk van de duisternis en Gods Koninkrijk van het licht, van een gezond bijbels inzicht. Terecht ook vragen zij aandacht voor de realiteit van de boze: christenen die geen rekening meer houden met het konkrete woeden van hun tegenpartij (I Petrus 5:8), zijn onvoldoende gewapend voor de geestelijke strijd die het geloof met zich meebrengt. Bij de uitwerking die veel evangelischen aan dit dualisme geven, zijn echter grote vraagtekens te plaatsen. Niet zelden namelijk neigen zij ertoe, de boze en zijn rijk te zien als een zelfstandige macht van het kwaad, met wie God zijn heerschappij over de wereld moet delen. In deze visie zijn er terreinen in het leven, waar God niet bij kan omdat daar de satan heer en meester is.
Bepaalde delen van de schepping zijn zo totaal vervallen aan de macht van het kwaad, dat ze buiten de soevereiniteit van God vallen. Men denke aan paranormale gaven, of aan een zware depressie. Maar dat betekent, dat een christen nooit of te nimmer aan het paranormale een plaats mag geven in zijn leven, en dat er tegen een depressie geen ander kruid gewassen is dan de uitdrijving van een demon.
Algemene genade
Dat nu is een bedenkelijke interpretatie van het evangelie, waarmee men soms zeer grote schade aanricht.
Want hoe zeer het evangelie ons er ook voor waarschuwt, de macht van de boze niet te onderschatten, nergens wordt de indruk gewekt dat God aan hem, als aan een min of meer gelijkwaardige tegenstander, terrein verloren heeft. Integendeel, in soms krasse bewoordingen eist de bijbel ook in die zin de eer voor de HERE op, dat zelfs de duisternis onder zijn soevereiniteit valt (vgl. Genesis 1:5; Jesaja 45:7) en dat de aktie-radius van de boze door niemand anders wordt vastgesteld dan door God alleen (vgl. Mattheüs 8:29,31; Openbaring 12:7-12). Voor de gelovigen houdt dat in, dat zij altijd en overal onder het bereik van Gods liefde in Christus zijn, welke macht er ook beslag op hun leven legt (vgl. Romeinen 8:35-39).
Maar ook de ongelovigen, die niet aan Christus toebehoren, zijn daardoor niet volkomen van God losgeslagen.
Weliswaar heeft de satan op hun leven greep, (vgl. Handelingen 26:18), maar in die duisternis worden zij nog altijd omvat door hun Schepper. Hij laat zijn zon opgaan over bozen en goeden en doet het regenen over rechtvaardigen en onrechtvaardigen, Mattheüs 5:45. Hij heeft zich ook aan de heidenen niet onbetuigd gelaten door hun wel te doen, door hun van de hemel regen en vruchtbare tijden te geven en aan hun harten overvloed van spijs en vrolijkheid te schenken, Handelingen 14:17.
Tegen de mannen van Athene, nog voor enkele van hen zich aan Christus gewonnen geven, kan Paulus zeggen: "God is niet ver van een ieder van ons. Want in Hem leven wij, bewegen wij ons en zijn wij." (Handefingen 17:27,28) De (neo)calvinistische theologie heeft dat willen honoreren door van algemene genade te spreken. 5 En ook waar kritiek op die terminologie kwam, heeft men aan de zaak willen vasthouden: de gevallen schepping is niet uit de hand van de Schepper gevallen. Ook waar de boze zijn macht uitoefent, dringt nog licht van God binnen (vgl. de uitdrukking 'licht der natuur' in de Dordtse Leerregels, hoofdstuk III/IV, artikel 4-7). Dat licht is zeer getemperd en verdrijft de duisternis niet - daarvoor zijn wij mensen aangewezen op Hem, die het Licht der wereld is (Johannes 8:12). Maar wel is God zo goed, dat Hij ook de onverloste schepping niet volledig prijsgeeft aan het kwaad.
Depressie
Vanuit dit gezichtspunt kan men veel genuanceerder tegen de werkelijkheid aankijken dan bij het strenge evangelische dualisme mogelijk is. Het is te simpel om de mensen en de dingen enkel en alleen vanuit de antithese licht/duister, verlost/onverlost te benaderen. Er is nog een derde dimensie: de blijvende verbondenheid van de gevallen schepping met de Schepper. Zo gezien gaat het niet op om een zware depressie als puur duivelswerk aan te merken. Ongetwijfeld manifesteert zich in zo iets als depressiviteit de verschrikkelijke gebrokenheid van de schepping. Het is ook waar, dat de boze daar om zo te zeggen in kan kruipen en zo'n zwakheid kan proberen uit te buiten. Maar het is bepaald stuitend, als van evangelische zijde aan depressieve christenen te verstaan wordt gegeven, dat een stukje van hun leven onverlost is en buiten het bereik van Christus valt. Nog erger wordt het, wanneer hun vervolgens de weg naar de psychiater ontraden wordt, omdat duiveluitbanning de enige therapie zou zijn. Men kan in het pastoraat niet krachtig genoeg afstand nemen van dit soort schadelijke ideeën. Christenen die onder depressiviteit lijden moeten juist het bevrijdende evangelie horen, dat ook waar zij geen sprankje licht meer zien, zij geheel en al eigendom zijn van Jezus Christus. Men mag hen erop wijzen, dat waar in hun leven de gebrokenheid van de schepplnq aan de dag treedt, de Schepper daartegen in zijn goedheid enig kruid heeft laten wassen. Zo zijn er heel bekwame psychiaters, die door middel van therapie en medicijnen kunnen helpen, ook als ze zelf geen christen zijn. Zeker, ook in geval van depressiviteit kan het heel zinvol zijn om met de zesde bede van het Onze Vader voorbede voor broeders en zusters te doen: "Leid hen niet in verzoeking, maar verlos hen van de boze." Maar dat staat niet in tegenstelling tot een gebed om zegen over een behandeling door een (seculiere) arts, en tot de hartelijke uitnodiging aan hen om toch vooral het avondmaal mee te blijven vieren.
Paranormaal .
Ook de visie op paranormale verschijnselen van veel evangelische christenen is al te sterk bepaald door hun dualisme. Ongetwijfeld is die geheimzinnige wereld een broedplaats voor de boze. Heel veel mensen die zich met het 'occulte' bezig houden, doen dat vanuit een kader waarin geen plaats is voor het kruis van Christus.
De sterk religieuze inslag van magnetiseurs en iriscopisten, van helderzienden en astrologen, is wat dat betreft bedrieglijk. Heel vaak gaan dat soort mensen uit van een pantheïsme, waarbij zij sterk ervaren dat de schepping doordrongen is van goddelijke energie. Dat de wereld door de zonde radicaal vervreemd is van God, en dat slechts door het verzoenend sterven van Christus het reddende contact met Hem hersteld kan worden, wil er bij hen echter meestal niet in. In die zin is het juist, om een verbinding te zien tussen de opbloei van het paranormale en het werk van de boze. Maar dat ligt niet aan de fenomenen als zodanig, maar aan het kader waarin zij beoefend worden. Op zichzelf vallen zij binnen het bereik van de Schepper.6
Daarom gaat het te ver, om christenen die bij zichzelf paranormale begaafdheden waarnemen of zich laten behandelen door een arts die werkt volgens een paranormale geneeswijze, ervan te betichten dat zij als zodanig met iets duivels bezig zijn. Mensen, die hun heil zoeken bij het kruis van de Here Jezus en sterk staan tegenover de religieuze ideeën die in het alternatieve circuit zo welig tieren, zijn niet zo gauw demonisch besmet. Ook de wereld van het paranormale is niet per definitie in pure duisternis gedompeld, getuige de waarzeggersbeker van Jozef (Genesis 44:5) en de tocht naar Jeruzalem van de drie magiërs (Mattheüs 2:1,2).
Noten
1 Voor OPBOUW bewerke tekst van de lezing, die op 24 april 1993gehouden werd voor de leden van de gereformeerde persvereniging 'Opbouw'.
2 Vgl. hiervoor de monumentale dissertatie van J.T. Bakker, Coram Deo. Bijdrage tot het onderzoek naar de structuur van Luthers theologie, Kampen 1956, 151-159. Zie nu ook E. van der Veer, Cruciale verborgenheid. Een studie naar de reikwijdte van Luthers theologia crucis, Kampen 1992.
3 De uitdrukking is van A.A. van Ruler, Dwaasheden in het leven I, Nijkerk z.j., 26.
4 Meer over de aktualiteit van Luther vindt men in mijn artikelen Gereformeerd zijn in de moderne tijd, die verschenen in de nummers 1 tlm 4 van Opbouw, jaargang 31 (1987).
5 De uitdrukking komt voor in de Dordtse Leerregels, hoofdstuk lil/IV, Verwerping van de dwalingen, paragraaf 5. Zie ook het vierde en vijfde van mijn artikelen Calvijn in Afrika?!, in de Opbouw-nummer 30 en 31 van jaargang 31 (1987).
6 Vgl. de
laconieke benadering van het verschijnsel van de telepathie door K. Schilder in zijn artikel Rubinisme en spiritisme uit 1919, opgenomen in Om Woord en Kerk 11,Goes 1949,198-201.