Gereformeerd en evangelisch: kiezen of delen? (5)
1993-09-10
- Jaargang 37
- nummer 19
Heiliging en groei
-Een laatste punt tenslotte, waarop de gedachtevorming van evangelische christenen kan worden bijgesteld vanuit de reformatorische theologie, betreft hun nadruk op heiliging en groei. Op zichzelf is het te waarderen dat zij aandacht vragen voor de voortgang van het christelijk leven. In het Nieuwe Testament wordt het als iets vanzelfsprekends gezien, dat christenen "opwessen in de genade en in de kennis van onze Heer en Heiland, Jezus Christus" (1/ Petrus 3:18). Christen-zijn is een proces van steeds voortgaande vernieuwing en verdieping. Het is volkomen terecht, dat evangelischen zich verzetten tegen een statische manier van geloven, waarbij er in wezen geen ontwikkeling is in het christelijk leven, maar stilstand. Veel evangelische lectuur geeft allerlei praktische wenken voor die ontwikkeling en is daardoor vaak heel stimulerend om te lezen.
Stadia
De vraag is vervolgens, hoe men zich die ontwikkeling precies voorstelt. Hoe ziet dat er nu uit, 'opwassen in de genade en in de kennis van Christus'? Gaat men van lieverlee steeds meer van Christus houden? Wordt men in zijn geloof steeds krachtiger? Is er ook vordering in de strijd tegen de zonde? Wordt men bij stukjes en beetjes al meer een heilige? Bij hun beantwoording van deze vragen neigen veel evangelischen ertoe, om aan te nemen dat er verschillende 'stadia' in het christelijk leven zijn. Het eerste stadium is dat van de bekering: een mens 'geeft zijn hart aan de Heer', breekt met allerlei verkeerde gewoontes, herstelt zoveel mogelijk eerder gemaakte fouten en ontvangt de verzekering van Godswege, dat zijn zonden hem vergeven zijn - hij is gerechtvaardigd! Vervolgens, in het tweede stadium, gaat hij opbouwen: op basis van de rechtvaardiging gaat hij werken aan een leven dat God behaagt, en waarin hij in toenemende mate vrucht draagt. Sommige evangelischen kennen vervolgens nog een derde stadium, dat van de volmaaktheid. Bij nog weer anderen speelt hier de leer van de Pinkstergemeenten doorheen, dat na het stadium van de wedergeboorte het stadium van de doop met de Geest komt. Maar welke varianten men ook kent, steeds is het grondpatroon, dat op de rechtvaardiging de heiliging volgt, en wel in die zin, dat de rechtvaardiging het fundament vormt waarop de eigenlijke bouw kan plaats vinden. In deze visie is de heiliging de zaak waar het om gaat. Gods vrijspraak van de zondaar, hoe noodzakelijk en onmisbaar ook voor de verlossing, is toch niet meer dan het voorbereidende werk voor de vernieuwing van een mens. Evangelischen kunnen dan ook korzelig reageren, als reformatorische christenen altijd maar weer komen aanzetten met de gedachte van de diepe en onuitroeibare zondigheid van een mens, waarvoor men ootmoedig om vergeving moet vragen. In hun ogen moet men ook een keer van ophouden weten als het om de rechtvaardiging gaat. Een mens moet verder komen: de vrijspraak voorbij, zich oefenend in het nieuwe leven!
Bijna ongemerkt wordt op deze manier de rechtvaardiging van de goddeloze tot een gebeurtenis die men achter de rug heeft: een gepasseerd station. Maar dat betekent, dat men alle nadruk legt op de daadwerkelijke overwinning van het kwaad. Men legt er zich niet bij neer, dat de oude mens voortdurend de kop opsteekt: de nieuwe mens moet en zal gestalte krijgen. In de praktijk komt dat echter vaak neer op een geweldige verdringing van de zonde. Met grote wilskracht drukt men alle verkeerde neigingen de kop in, en prest men zichzelf tot blijdschap, liefde enzovoorts. Het is duidelijk dat enorme krampachtigheid het gevolg kan zijn.
Ontspannen
Gelet op deze wettische vervorming van het christen-zijn is het een verkwikking om de rechtvaardiging van de goddeloze te mogen ervaren als een van die barmhartigheden van God, die elke morgen nieuw zijn (vgl.
Klaagliederen 3:22,23).Want dat is de grote ontdekking van de Reformatie geweest: ons behoud ligt daarin, dat ons leven van het begin tot het eind omvat wordt door Gods onverdiende vrijspraak. Nooit hebben wij de rechtvaardiging van de goddeloze achter ons, als een gepasseerd station; zij welft zich integendeel als een koepel over ons leven. Dag aan dag vallen wij terug op het offer van Jezus Christus. Er komt geen·fase, dat wij de oude mens zodanig in bedwang kunnen en moeten hebben, dat wij ons bij God er niet meer voor te behoeven verontschuldigen dat hij de kop opsteekt.
Integendeel: het stadium van de vrijspraak van de zondaar raakt nooit achterhaald. Hoezeer wij ons ook kunnen ontwikkelen als oprechte christenen - wij blijven afhankelijk van het wonder, dat God om Christus' wil voorbij ziet aan al onze verkeerde impulsen. Ook wanneer ons leven voltooid zal zijn en we mogen terugzien op groei in het christelijk leven, zullen wij Gods beoordeling van ons leven slechts in Christus goed kunnen doorstaan. Het stadium van de rechtvaardiging wordt niet afgelost door dat van de heiliging; wij zijn gelijktijdig zondaar en heilige, 'simul justus et peccator' (Luther).
Deze benadering kan de ontspanning teweeg brengen, die een mens in zijn christen-zijn zo hard nodig heeft. Zij neemt namelijk de zonde in al haar taaiheid en diepte serieus. Hier is geen verdringing meer nodig; hier kan een mens onbevreesd de afgrond van zijn eigen hart in kijken. Steeds weer blijkt, dat de reformatorische leer van de zonde, zoals die door Calvijn maar ook door Luther ontworpen is, zo werkelijkheidsgetrouw is. Want wat vallen mensen vaak tegen, en wat vallen kerken vaak tegen. Heel wat evangelische christenen zijn daar in de loop van hun leven achtergekomen, hetgeen hen niet zelden zwaar gedesillusioneerd achter liet. Ogenschijnlijk vergevorderde christenen vielen in tijden van krisis door de mand als onvervalste zondaren; gemeenten die doorgingen voor bolwerken van Geestelijkheid bleken intern vergiftigd te zijn door ordinaire vleselijkheid. Wie geleerd heeft de rechtvaardiging van de goddeloze als een fundament te beschouwen, waarop het christelijk leven elke dag opnieuw vanaf de grond moet worden opgebouwd, overleeft zulke teleurstellingen. Die is niet uit het veld geslagen, wanneer zijn oude mens nog springlevend blijkt te zijn. Die prijst God, omdat Hij ons dag aan dag draagt door het woord van zijn onverdiende vrijspraak. Die zoekt zijn kracht niet in zijn groei, maar in Gods genade.
En de groei dan?
Maar waar blijft op deze manier dan het gelijk van de evangelischen? Slaat deze reformatorische denkwijze niet alle animo om te strijden tegen de zonde dood? Is dit niet een al te goedkope capitulatie voor de oude mens?
Waar blijft hier het geloof in de opstanding en in de Heilige Geest? Men kan in deze vragen de oppositie herkennen die Paulus met zijn evangelie van de rechtvaardiging van de goddeloze opriep: "Mogen wij bij de zonde blijven, opdat de genade toeneme?" (Romeinen 6:1) Met Paulus heeft ook de Reformatie geantwoord: "Volstrekt niet!" Zelfs een man als Luther, die nog sterker dan Calvijn hamerde op de rechtvaardiging, heeft de gelovigen aangesproken op de strijd tegen de zonde en het doen van goede werken. Maar voor Luther was dan ook het geheim van het christelijk leven, dat de groei juist daarin bestaat dat een mens zich al meer en al intenser vastgrijpt aan Gods vrijspraak. Voor Luther stond vast, dat werkelijke levensheiliging alleen mogelijk is, wanneer een mens radicaal met zijn zelfhandhaving breekt en leert leven van genade.
Sterker nog: hij achtte de zonde eerst dan overwonnen, als men niet langer de illusie had de rechtvaardiging achter zich te kunnen laten. Dat klinkt wat theoretisch, maar in de praktijk is het toch heel herkenbaar. Wie zijn doorgaans de prettigste mensen in onze omgeving? Zijn het niet diegenen, die zichzelf als zondaren kennen en zich niets verbeelden? Bewijzen niet zij aan anderen de grootste barmhartigheid, die weten wat het is om zélf dag aan dag teruggeworpen te worden op Gods barmhartigheid? En hebben niet omgekeerd die mensen, die zo ver gevorderd zijn in hun christelijk leven dat de zondaar in hen bijkans verdwenen lijkt, onwillekeurig een hoogmoedige uitstraling? Het zou wel eens kunnen zijn, dat Luther ook in psychologisch opzicht groot gelijk heeft: dat diegene het heiligst is, die beter dan anderen weet wat het is om constant te leven uit de rechtvaardiging. Kortom: de evangelischen vragen terecht aandacht voor heiliging en groei. Maar als het gaat om de concrete invulling van die groei, kennen zij lang niet altijd de centrale plaats toe aan de rechtvaardiging. Daardoor lopen zij gevaar, van het christelijk geloof toch weer een 'kwaliteitsgodsdienst' te maken, met alle krampachtigheid en teleurstellingen van dien. Ook hier weer heeft het daarom zin, te rade te gaan bij de juist op dit punt diep doordachte reformatorische theologie.