Inspraak
1993-09-24
Of ik de schrijfmachine meenam. En of ik dan wel wilde typen. Hij zou het werkstuk dicteren, als ik het maar uittikte.- Jaargang 37
- nummer 20
We hadden een weekje vakantie. Huisje gehuurd in Drenthe. Herfstachtig voorjaar. Geen weer om er op uit te trekken. Televisie kijken houd je niet de hele dag vol. Aan lezen en spelletjes doen komt ook een keer een eind. OK dus: zoonlief dicteerde en pa typte.
Dit was mijn eerste uitvoerige kennismaking met Maarten 't Hart - leven en werk. Ik merkte met hoeveel sympathie de MEAO-leerling zijn onderwerp behandelde. Des te meer verbaasde ik me over zijn conclusie: de auteur bestrijdt niet de kerk, maar hij stelt een karikatuur van het kerkelijke leven aan de kaak, en deze karikatuur heeft hij eerst zelf in elkaar gezet. Dat Hans Werkman mede verantwoordelijk was voor deze conclusie, doet niet ter zake. Dat een kritische jongere haar trekt en op een neutrale school wil verdedigen, wèl.
Laat de schrijver opgegroeid zijn in een strenger milieu dan ik en laat het in onze kring wat vriendelijker zijn toegegaan dan in de zijne. Dan nog blijft zijn tekening van het kerkelijke milieu een karikatuur. Per slot van rekening ben ik tien jaar ouder dan hij, en stam ik uit een nog conservatievere tijd. Zodat we door de kerkbank genomen wel aan elkaar gewaagd zouden moeten zijn. Toch waarderen we het verleden totaal anders. De beoordeling van een opvoeding heeft kennelijk niet alleen te maken met de mensen die opvoeden, maar ook met de mensen die opgevoed worden. Op eenzelfde situatie kun je verschillend reageren.
En als dit zo is, mag je niet de kerk aanwijzen als de enige oorzaak van alle ellende, maar zul je de hand ook in eigen boezem moeten steken. L 'Église c'est moi: de kerk ben ikzelf.
Ik ben bepaald geen kritiekloze jongere geweest: "Dat kan niet!" en: "Dan krijgen we zeker ook een vrijgemaakte Tekko Taks". Om maar te zwijgen van de vele andere dingen die ik vroeger en later heb gevoeld, gedacht en opgeschreven. Ik ben langs de rand van de afgrond gegaan. Ik begrijp zo goed, dat veel jongeren de kerk voor gezien houden. Maar ik begrijp niet, dat ze door alle menselijke verpakking heen niet merken "hoe dat u God bemint".
Of zou dit komen doordat ze Hem nog nooit echt nodig hebben gehad? Hebben we het te goed? Beseffen we niet hoe afhankelijk we zijn? Is voorspoed géén voordéél? En is het voordeel van het nádeel groter? Dan mag je bidden dat Hij hun dit aan het verstand brengt! En dan is er nog iets. Wij leven in een tijd van inspraak.
Waarom gunnen we die dan aan iedereen behalve aan de grote Spreker aller dingen? Hoe zouden we weten wat Hij op zijn hart heeft als Hij zijn hart niet bij ons kan luchten? En juist hier dient de kerk voor. Zij is de inspraakprocedure, de hoorzitting, de persconferentie van het Koninkrijk...