Verzocht inzake het vertrouwen op God (2)

1993-09-24
  • Jaargang 37
  • nummer 20
Meegenomen door de duivel
Toen nam de duivel Hem mee: zo begint Matth. 4:5. Dat moeten we goed tot ons laten doordringen. Jezus wordt meegenomen door de satan. De duivel neemt het initiatief en heeft de leiding. Dat is iets om even stil van te worden en je adem in te houden. Jezus van Nazareth, de Zoon van God - want dat was Hij; God zelf had Hem na zijn doop zo genoemd - wordt door de duivel meegenomen, zoals een agent een arrestant meeneemt. Dat Gods Geest iemand kan meenemen, is ons wel bekend. Zo vertelt Ezechiël een paar keer dat de Geest van God hem opnam en hem ergens heen bracht. En van Filippus wordt vermeld dat de Geest van God hem na de doop van de ethiopische minister van financiën wegnam en dat hij in Asdod weer opdook (Hand. 8:39,40). Hoewel we toch wat sceptisch en onwennig tegenover zulke dingen staan, nemen we, voorzover het bijbelverhalen betreft, nog wel aan dat zoiets kan gebeuren. De Geest van God kan mensen op een voor ons onbegrijpelijke manier ergens brengen.

In de stad en het huis van zijn Vader
In vers 1 hebben we gezien dat Gods Geest ook Gods Zoon kan meevoeren. In het evangelie van Marcus vinden we een heel sterke uitdrukking. Daar staat: terstond dreef de Geest Hem uit naar de woestijn. Als de Geest van God iemand aangrijpt, kan hij een gedrevene worden. Ook de Zoon van God kan een door de Geest gedrevene zijn. Dat vinden we niet problematisch. Maar het ligt anders als de Zoon van God door de geest uit de afgrond wordt meegenomen en weggebracht.
Dat is ronduit schokkend. Jezus wordt gemanipuleerd door de satan. Zoveel macht bezit hij. Hij kan dat zomaar doen: Christus wegnemen en Hem neerzetten op de plaats waar hij Hem hebben wil. Die plaats maakt het nog verbijsterender.
De duivel neemt Hem namelijk mee naar de heilige stad. Dat is de stad waar God beslag op gelegd had en waarvan Hij gezegd had: Jeruzalem is mijn stad; hier wil Ik wonen. Jeruzalem is de stad waar Jezus, de Zoon van God, thuis hoort en zich thuis mag voelen. Want het is immers de stad van zijn Vader. Maar dat is nog niet alles. Het is nog ingrijpender. De duivel brengt Jezus naar de tempel, naar het huis van zijn Vader. Daar mag Hij kind aan huis zijn. Maar wat het zo aangrijpend en verbijsterend maakt, is het feit dat Hij zich daar in de greep van de satan bevindt. De satan zet Hem daar neer. Als er ergens een plek is waar de satan niet thuis hoort, waar hij met een grote boog omheen zou moeten lopen en het niet zou moeten wagen er naar binnen te gaan, dan is dat de stad en het huis van God. Maar hij gaat er wel naar binnen. Dat is zijn brutaliteit. En het toppunt is dat hij er durft te komen met Jezus bij zich. Jezus komt in de stad en het huis van zijn Vader, maar niet als een vrij man.
Hij wordt gedwongen. Hij is min of meer de gevangene van Gods grootste vijand. Eigenlijk zou het Jezus moeten zijn die in deze stad en dit huis vrij in en uit loopt. In werkelijkheid is het de satan die er vrij in en uit loopt en die Jezus hier brengt. Alleen dat al moet voor Jezus een verschrikkelijke ervaring geweest zijn. Nergens scherper dan hier krijgen we zo'n indringend beeld van de ongelooflijke brutaliteit van de satan en van zijn verbeten inzet Gods verlossingsplan te blokkeren en onmogelijk te maken.

Schijnvertoning?
Wanneer we dat tot ons hebben laten doordringen, werken de woorden van de satan op het eerste horen min of meer als een anticlimax. Wat hij aan Jezus voorstelt lijkt volstrekt onzinnig en helemaal niets van een verzoeking in zich te hebben. Werp Uzelf naar beneden! Dat heeft toch helemaal niets verleidelijks! Stel u eens voor dat u op de galerij van een flatgebouw, vijf- of zeshoog, naar beneden staat te kijken en dat iemand tot u zegt: spring maar naar beneden; er zal u niets overkomen. Zou dat een verzoeking voor u zijn? Natuurlijk niet. U zou geen moment in verleiding komen om het te doen, zelfs niet als u een hoge beloning in het vooruitzicht werd gesteld. Zelfs in situaties waarbij] ze hun leven kunnen redden door te springen, bij een brand bijvoorbeeld terwijl de brandweer klaar staat met een vangzeil, zijn er mensen die dat nog niet durven. Van een hoog gebouw afspringen is niet verleidelijk. Alleen voor mensen met zelfmoordplannen kan het iets aantrekkelijks hebben.
Is het dan niet dwaas van de satan een dergelijk voorstel aan Jezus te doen? Wordt de verzoeking zo niet een paskwil, een schijnvertoning? Valt de satan zo niet door de mand als iemand die een volkomen gebrek aan inzicht heeft in wat voor mensen een verleidelijk aanbod is? Wat laat hem denken dat dit voorstel voor Jezus een reële verzoeking betekent?

Beroep op Jezus· Godsvertrouwen
Om te begrijpen waarin de verzoeking ligt, is het nodig terug te denken aan het antwoord dat Jezus aan de satan gegeven had, toen deze Hem suggereerde brood uit stenen te maken. De mens zal leven van alle woord dat uit Gods mond uitgaat. Anders gezegd: het waarachtige leven bestaat in een volstrekte afhankelijkheid van God en in een volledig vertrouwen op Hem.
Jezus had zich toen laten kennen als iemand die zo wilde leven. Het enige dat bij Hem de doorslag gaf, was het Woord van zijn Vader. Dat Woord was zijn leven. Daar haakt de satan nu op in. Dat behoort bij zijn tactiek. Hij zoekt aansluiting bij wat iemand zegt, bij de pretentie die iemand voert of bij de situatie waarin iemand verkeert. Dat tast hij af en hij probeert er een zwakke plek in te vinden. Jezus zei: Ik wil mijn hele leven, al mijn doen en laten, baseren op het Woord van mijn Vader en het daarvan laten afhangen. De satan denkt: ik zal een situatie creëren, waarin dat vertrouwen op God onder hoogspanning komt te staan. Dan zullen we nog eens zien wat er gebeurt! Daarom zegt hij tot Jezus: spring naar beneden. Want God heeft beloofd dat Hij zijn engelen zal sturen om u op de handen te dragen. Laat nu maar eens zien of U werkelijk op dat Woord van God vertrouwt. God zegt: mijn engelen vangen U wel op; U zult geen schrammetje oplopen. Toon dan dat het U ernst is, dat uw vertrouwen op Gods Woord onbeperkt is. Spring. De verzoeking ligt dus in wat de satan suggereert: als U niet springt, faalt U. Als U niet durft, is uw vertrouwen op God niet volkomen. Can is Gods Woord voor U toch niet alles.

Messiaans teken
Er komt nog iets bij. In de joodse messiasverwachting speelde de gedachte een rol, dat de messias zich bij zijn komst publiek zou manifesteren en als messias kenbaar maken door een groots en indrukwekkend teken. Door van de tempel omlaag te springen en ongedeerd neer te komen op het tempelplein midden tussen de mensen die daar altijd in grote aantallen aanwezig waren, zou Jezus in één slag erkenning vinden als messias. Erkenning vinden door een dergelijk teken zou natuurlijk heel wat gemakkelijker zijn dan via de moeizame weg van een door velen niet begrepen prediking.
Deze suggestie had dus wel degelijk iets verleidelijks. Het was immers van wezenlijk belang dat Jezus erkend werd als Messias. Het ging er toch om dat Hij als zodanig aanvaard zou worden. Als Hij dat nu eens bereiken kon door omlaag te springen!

Dat gaf aan het springen een geweldig motief en een concreet doel. Dat laatste is erg belangrijk. Een mens wil een doel hebben bij wat hij doet. Talloze mensen die graag dagelijks een eindje zouden willen wandelen, doen het niet omdat ze geen doel hebben. Maar als er een brief te posten is of een hond uitgelaten moet worden, doen ze het wel, want dat geeft aan hun wandelen een doel. Zomaar in het wilde weg omlaag springen ligt niet zo erg voor de hand. Maar als het een doel heeft, als het leidt tot het aanvaard worden als messias, komt het toch in een ander licht te staan.
Het geraffineerde daarbij is de suggestie dat springen onvermijdelijk is als Jezus zonder reserves op God wil vertrouwen. Niet springen is God wantrouwen. Het voorstel van de satan schijnt een oproep te zijn om op Gods Woord te vertrouwen. En dat kan toch niet verkeerd zijn! Dat kun je nooit genoeg doen. En als je dan bovendien door het te doen ook nog je doel bereikt, is het eigenlijk geen vraag meer wat je moet doen.

Beroep op de Schrift
Zo kwam de verleiding op Jezus af. De kracht van de satan was zijn beroep op de Schrift. Voor een Israëliet - en zeker voor Jezus - was dat uiterst belangrijk, zoals het vandaag ook voor ons nog van levensgroot belang is. Dat mag in onze tijd wel eens extra benadrukt worden. Voor steeds meer mensen is de Schrift niet langer doorslaggevend voor hun handelen. Men doet iets of laat iets na omdat men het zelf prettig vindt en er behoefte aan heeft.
Als iemand erop wijst dat de Schrift hun handelwijze afkeurt, reageert men op verschillende wijze. Dan kan men zeggen: de bijbel is verouderd; daar kun je vandaag niet meer mee aan komen dragen. Of men zegt: het kan wel zijn dat de bijbel het afkeurt, maar ik voel en ervaar mijn handelwijze niet als verkeerd en dus is er ook niets verkeerd mee. Of men zegt: ik ben het niet met de bijbel eens; ik zie het anders. Tegenover dergelijke redeneringen die ook ons gemakkelijk kunnen beïnvloeden omdat we mensen van deze tijd zijn - moeten we vasthouden dat alleen het Woord van God uitmaakt wat goed en verkeerd is. Het antwoord op die vraag moeten we blijven zoeken in de Schrift. Daarom is kennis van de Schrift ook zo belangrijk.
Bij Jezus was dat zo. Hij kende de Schrift en liet zich erdoor leiden. Zijn leven werd door Gods Woord genormeerd en was erop georiënteerd. Daarom was voor Hem een beroep op de Schrift, een verwijzing naar Gods Woord, het krachtigste en zwaarste appel dat op Hem gedaan kon worden. Kijk, zei de satan, het staat er, in Ps. 91. Spring gerust. Bewijs uw vertrouwen op Gods Woord. Laat zien dat U het voor honderd procent serieus neemt en dat U niet aarzelt volgens de Schrift te handelen. Spring omlaag. God zal immers zijn engelen bevel geven aangaande U om U in hun vangzeil op te vangen. U zult geen schrammetje oplopen.

Eronder of erboven?
Wat is er verkeerd met dit beroep op de Schrift? De tekst die de satan aanhaalt, staat er inderdaad. Dat kan niemand ontkennen. De angel zit niet in de tekst zelf, maar in de manier waarop hij gebruikt wordt. We raken hier de vraag: hoe ga je met de bijbel om? Dat kan namelijk op een heel verkeerde manier gebeuren. De satan doet dat en Jezus onderkent dat. We kunnen het verschil tussen Jezus en de satan als volgt typeren. Jezus leeft uit de Schrift. Hij laat zijn doen en laten uit de Schrift opkomen en opbloeien. Hij staat onder het Woord van God. Maar de satan staat er boven. Hij heeft een plan en gaat dan achteraf zoeken naar een tekst die het plan aannemelijk en aanvaardbaar kan maken. En hij wil ook Christus tot die manier van bijbelgebruik brengen. U wilt van God en zijn Woord afhankelijk zijn? vraagt hij. Prachtig! Dan weet ik een heel goede manier om dat te laten zien. Spring omlaag van de tempel.
Dat is nog eens een bewijs van Godsvertrouwen. Bovendien bereikt U er ook nog mee dat U als messias erkend wordt. Er als U eraan mocht twijfelen of dit wel de manier is, dan heb ik hier een tekst voor U uit Ps. 91. Ziet U nu wel dat het kan?

De rollen omgekeerd
Ik denk dat de Schrift maar al te vaak op deze manier misbruikt wordt. Dan willen we graag iets en werken we een plan uit om het te bereiken. Ergens voelen we wel aan dat wat we willen niet door de beugel kan. Maar we willen het zo graag. En dan gaan we zoeken naar teksten die moeten bewijzen, dat wat wij willen toch wel kan en waarop we ons naar anderen toe kunnen beroepen. Maar zo zijn de rollen precies omgekeerd. Want niet wat ik wil moet vooropgaan maar het Woord van God.
Wanneer ik iets wil en ik ga dan Gods Woord gebruiken om wat ik wil te rechtvaardigen, dan is de volgorde verkeerd. De goede volgorde is: buig je onder Gods Woord, want dan ga je willen wat dat Woord zegt.
Hoe hanteren we de Schrift? Dat is een van de meest wezenlijke vragen in ons persoonlijk en kerkelijk leven. Heel wat vroom geklets en vrachten bijbelteksten dienen alleen maar om eigen ideeën, plannen, theorieën en begeerten te rechtvaardigen. Wie de Schrift zo gebruikt, stelt zich op dat punt niet onder maar boven de Schrift. Hij laat zijn leven niet door de Schrift beheersen maar manipuleert het Woord van God. Dat is de manier waarop de satan de Schrift gebruikt. Hij doet een voorstel en levert er een tekst bij om het aannemelijk te maken. Het gaat hem niet om die tekst, niet om Gods Woord, maar om zijn voorstel. Bij Jezus is het omgekeerd. Het gaat Hem niet om zijn eigen voorstellen, gedachten en plannen. Hij wil niet zelf zijn weg uitstippelen. Het gaat Hem om Gods Woord. Hij wil zijn leven en optreden uit dat Woord laten opbloeien.

Dienende engelen
Van de buitenkant af gezien zijn die twee manieren van Schriftgebruik op het eerste gezicht vaak moeilijk te onderscheiden. Een bijbelgebruik in de trant van de duivel wekt vaak de indruk uitermate vroom te zijn en kan overkomen als buitengewoon serieus. In werkelijkheid is het dat natuurlijk niet. Je kunt dat bij nader inzien ook wel proeven, maar daarvoor moet je wel zelf de Schrift kennen en eruit leven. Wie niet thuis is, in de Schrift en zich er niet dagelijks door laat voeden, raakt zijn oriëntatievermogen kwijt. Een gelovige omgang met de Schrift is van levensbelang. Jezus kende het Woord van God. Om met Ps. 40 te spreken: Gods wet was in zijn binnenste. Die had Hij zich eigen gemaakt en was Hem vlees en bloed geworden. Daarom onderkent Hij wat er verkeerd is in het Schriftgebruik van de satan. De satan suggereert wel dat gehoor geven aan zijn voorstel het bewijs is van een onbeperkt Godsvertrouwen, maar dat is het niet. Als Jezus deed wat de satan Hem voorstelde, zou Hij niet God maar zijn eigen plannen vooropstellen en daarbij uitproberen hoever Hij bij God kon gaan ten bate van die plannen. Dat is geen vertrouwen op God maar een poging Hem te manipuleren. En Gods belofte waarop dan een beroep gedaan wordt, geldt in zo'n geval natuurlijk niet.
Als Jezus gedaan had wat de satan suggereerde en omlaag gesprongen was om zo God voor zijn eigen messiaanse karretje te spannen, zouden er geen engelen klaar gestaan hebben om Hem op te vangen. Hij zou te pletter gevallen zijn op de plavuizen van het tempelplein. Gelukkig kende Jezus de Schrift. Gelukkig wist Hij dat het niet aangaat te kijken hoever je met God kunt gaan bij het nastreven van je eigen doeleinden. En juist zo werd de belofte van Ps. 91 vervuld. Als Jezus gesprongen had, zou dat niet gebeurd zijn. Nu Hij niet springt, gebeurt dat wel. Vers 11 vermeldt dat engelen kwamen en Hem dienden.
Dat mogen we ook op ons betrekken: alleen als we ons leven laten opbloeien uit de Schrift, zullen we ondervinden hoe waar en betrouwbaar Gods beloften zijn.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief