Kunst

1993-09-24
  • Jaargang 37
  • nummer 20
Als sluitstuk van onze vakantie zijn we naar het Catharijne-convent geweest. Het was, vonden wij, eigenlijk te gek om in het buitenland van Kerk naar Kathedraal te zwerven en intussen een tentoonstelling van christelijke kunst in eigen land, onder handbereik zogezegd, te laten liggen. Dus óp naar Utrecht!

We waren er eigenlijk iets te vroeg in de maand, want de tentoonstelling van de spulletjes van Maria van Hongarije waarvoor we mede op pad gingen, kwam pas drie weken later. Maar goed, we waren nu eenmaal in Utrecht en er zou genoeg zijn om ons aan te vergapen.

We moesten onze paraplu bij de garderobe afgeven. De portier keek verontschuldigend toen hij de plu weghing en zei: "Het is nu eenmaal voorschrift, er is tenslotte altijd van dat gestoorde volk."
"Natuurlijk...natuurlijk," antwoordden wij haastig alsof we kunstvandalen bij bosjes kenden.

Even later liepen we door de gewelven van het Catharijne convent. Het was er stil. Voor ons uit liepen een man en een vrouw die bijzonder enthousiast waren over hetgeen ze zagen. Op halfluide, eerbiedige toon zei de vrouw telkens: "Prachtig...uniek...schitterend. Wat een rijkdom." Het was alsof ze constant uitroeptekens achter haar zinnen plaatste.

Wij drentelden, op de afstand die je automatisch handhaaft tussen vreemden, achter hen aan. De oudkerkelijke kleding vond ik schitterend en van de boeken was ik oprecht onder de indruk. Verder moet ik eerlijk zeggen dat ik van middeleeuwse kunst niet hebberig word. Hoe mooi en kostbaar iets ook is, ik verlang er absoluut niet naar om schilderijen van de heilige Ursula of welk ander voortreffelijk mens dan ook, in huis te hebben. En ook de apostelen mogen in die vorm bij ons niet over de vloer komen. In kerken hoeven ze wat mij betreft ook niet te hangen, want daar zijn al genoeg schilderijen en afbeeldingen van gekwelde mensen en martelaren.

De andere bezoekers lagen ons inmiddels een halve zaal voor en wij stonden voor een vitrine met een monstrans, die net betiteld was als 'indrukwekkend mooi.' "Als ik dit kado kreeg, liet ik het meteen uit mijn handen vallen... Of ik deed het naar de rommelmarkt," zei ik knorrig. "We kunnen eerst wel een andere zaal nemen," stelde mijn man tactisch voor.
"Prima," zei ik. We kwamen in de zaal waar de reformatie centraal stond en ik keek naar een schilderij van Luther (u weet wel, dat met die zwarte toga en baret) dat me bekend was als was het van een oude oom.

Daarna kwam de contrareformatie en ik moet zeggen dat zo'n middag wel goed is om de kennis van kerkgeschiedenis weer eens op te vijzelen. We liepen een andere zaal vol schilderijen in. "Dit soort dingen zag je niet in Engeland," merkte mijn man bedachtzaam op toen we weer een 'laatste oordeel' gepasseerd waren, waar ik als kind vast nachtmerries van had gekregen. En dat was waar. Tot mijn opluchting moet ik zeggen.

Het ontbreken van dat soort kunst in de Engelse kerken, deed zelfs weldadig aan. Niet dat er geen mooie dingen waren, maar zo ingetogen mooi, dat je er nederig van werd. "Weet je nog die graftombes waar beelden van het overleden echtpaar, leunend op hun elleboog, de kerk in lagen te kijken," mijmerde mijn man. Ik herinnerde me het me. "Alsof ze zó een boek konden pakken he?" "Ja ...Zullen we straks nog even naar die grote boekwinkel gaan," zei mijn man. "We hebben het meeste hier wel gezien geloof ik." Bij de uitgang overhandigde de portier me de paraplu. Misschien toch niet zo'n gek idee om die af te pakken bij de ingang. Je hebt tenslotte van dat gestoorde volk!

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief