Gods tent bij de mensen (2)

1993-10-22
  • Jaargang 37
  • nummer 22
De tentoonstelling van een replica in kasteel 'Rhederoord' in de zomer van 1990 gaf een goede indruk van Israëls vroegste heiligdom 1. Wat de afmetingen van (en in) de tabernakel betreft krijgt men een goede indruk uit de vermeldingen van de Groot Nieuws Bijbel (GNB) 2. De eigenlijke troontent mat vijftien bij zes meter, bij een hoogte van 5 meter.
Ze stond in een omheinde 'hof' van 50 bij 25 meter, die voorhof wordt genoemd omdat het grootste deel als voorplein voor de tent dienst deed. Boven de omheining van de voorhof uit (2,5 m hoog) was de eigenlijke paleistent van God (5 m hoog) duidelijk in al haar luister te zien.

Altaar
In het relaas 25:1 - 27:19 wordt - beweerde ik - de lezer/hoorder gevoerd vàn de ark (centrum) naar de voorhof (omtrek). In die voorhof speelt in dit stadium van Gods openbaring uiteraard het brandofferaltaar de hoofdrol. Wat daar plaatshad was de aanloop naar het offer van onze Heer Jezus Christus, en ook voorschot daarop.
Zonder bloedstorting geschiedt er geen vergeving, aldus Hebr. 9:22. Dit altaar was nogal wat groter dan de in de tent staande heilige voorwerpen, nl. 2,5 meter in het vierkant bij een hoogte van 1,5 m. Wel was het hol ter wille van de vervoerbaarheld.

‘Er zij licht’
Met de olie voor het licht komen we aan de bedrijvigheid in en om de ontmoetingstent, waarvoor 27:20 - 30:38·het materiaal aandragen. Is het toevallig dat dit gedeelte begint met de olie voor het licht? De priesters blijken hier de bevoegde hoogwaardigheidsbekleders van Israëls Grote Koning. In hun afzondering, de ambtskledij die ze dragen, hun wijding en de verantwoordelijkheden die ze hebben alsook in de ingrediënten voor hun dienst beeldt alles dit uit. Jammer genoeg is het juist hier, dat voor Israël en zijn buren allerlei rite, gebaar, kleur etc. voor de hand liggend waren, terwijl wij naar veel moeten raden.

Efod en borstlap
Zo is er de vraag wat toch wel de functie van de efod, een blijkbaar vestachtig uitrustingstuk, is geweest. Het heidendom ging er op magische wijze mee om, zie Richt. 17:5, 18:14 etc. Toch nam God blijkbaar sommige van die toen gangbare religieuze voorwerpen, die Hij annexeerde voor Zijn dienst. Daarin wel ánders liet functioneren, lós van die magische context. Maar hóe dat precies in z'n werk ging...? De efod werd gebruikt bij het raadplegen van God, en om Israël bij de HERE in gedachtenis te brengen 28:12. Maar alweer: hóe, weten we niet. Zo is er ook strijd over de borsttas waarin orakelstenen aanwezig zouden zijn om Gods beslissing te vernemen. B.v. ds. Vonk 3 in zijn bekende boek meent dat er sprake is van een (verstevigde) borstlap waarop de 12 gemonteerde stenen op sacramentele wijze het licht van Gods goedheid (urim) en de daarbij passende toewijding van Israël (tummim) weergeven als belofte en eis.

Verbindingsman
Daarmee hebben we het al over de hogepriester. Die op grote verzoendag, één maal per jaar in het allerheiligste kwam om verzoening voor het volk te bewerken. De man dus, die het dichtst in Gods tegenwoordigheid kwam. Maar ook hij kwam daar niet zonder offerbloed ('ander bloed dan het zijne' zegt Hebr. 9:25), - terwille van de zonden van het volk, maar ook die van zijn persoon. De hogepriester had een luisterrijk statsiegewaad, waarbij zijn diepblauwe overkleed met de daarop gedragen gouddoorstikte efod-met-borsttas plus zijn tulband met kroon hem onderscheidden van de gewone priesters. De hiervoor gebruikte kleuren, materialen en versieringen komen overeen met die van het heilige en het allerheiligste. Waarvan we helaas nog steeds niet weten, welke uitwerking ze op de Israëliet gehad moeten hebben.
De gewone priester had dit statsiegewaad niet. Hij droeg een sierlijk maar sober gewaad.

Apart en gereserveerd
Deze termen zou ik kiezen voor de wijding en heiliging van de priesters aan de HERE. Apartgezet van het gewone, voorbehouden aan God. Dat de priester hoort tot een ándere sfeer en een ander domein wordt door zijn speciale zalving aangeduld. Ook hij moet daarbij van gekregen vergeving leven, getuige het bloed dat daarbij vloeit en de offers die worden opgedragen, 29:20-21. Domein en sfeer van de HERE gelden als een soort quarantaine, die niet anders dan door geheiligden en onder bepaalde voorwaarden betreden kan worden. Dit wordt uitgedrukt in de speciale samenstelling van de zalfolie, 30:22 e.v. Evenals bij het reukwerk, 30:37, reserveert de HERE de receptuur hiervan voor Zijn heiligdom. Israël moet zich wachten voor namaak. Niet om het patent van de uitvinder maar om de heiligheid van zijn God.

Pontje
Hier zien we iets van de heerlijkheid van de tabernakel: God wilde beslist tussen Israël wonen, ook al kon dat vanwegezijn heiligheid eigenlijk niet. Vóór de Israëliet, die niet zelf vlak bij God kan komen is er een tussenpersoon die dat tot op zekere hoogte wél kan. En in plaats van zijn leven dat de Israëliet erbij verspelen zou, geeft de HERE 'ander bloed'. Tegelijk stoten we hier op de 'armoe', het voorlopige van de tabernakel: ook de tussenpersoon kon niet definitief de weg vrijmaken. De dienst ging immers al maar door en werd niet voltooid. Bovendien kon de priester ook zelf alleen op rekening van een Ander zijn functie vervullen. Vanuit Hebreeën zeg je dan: wat geweldig dat door Christus eens voor altijd verzoening is teweeggebracht! Terwijl je toch ook moet zeggen: de HERE heeft alles op alles gezet om reeds Israël zijn vergeving te schenken. Indirect en bij wijze van voorschot, zeker! Maar het gebéurde dan toch maar! Om zo te zeggen: de brug naar God moest nog gebouwd worden, maar er was al wel een pontje.

Geregeld
Opvallend is dat na de priesterwijding direct het dagelijks morgen- en avondbrandoffer, en het reukoffer (met het daarvoor bestemde altaar, 30:1-6) worden genoemd. Eerste priestertaak is blijkbaar totale overgave van het volk aan God uit te voeren, en de HERE daarmee plezier te doen. Let ook op de plaats van het reukofferaltaar: pal voor het voorhangsel, maar ook zo dicht mogelijk voor het aangezicht (!) van' God, 30:6. Is het om deze plaats vlak bij Gods tegenwoordigheid dat Hebr. 9:4 het reukofferaltaar (zo goed als) in het allerheiligste acht te staan?
Met praktische zaken als de belasting voor het heiligdom, het wasbekken dat de priesters uiteraard nodig zullen hebben, en de hiervoor al genoemde gepatenteerde recepten van zalfolie en reukwerk wordt dit deel van Gods instructies besloten.

Geïnspireerd
Besaleël en Oholiab krijgen de leiding van het werk. Prachtig is de beschrijving van de gaven van deze mannen.
Bij name geroepen zijn en vervuld met Gods Geest, verder wijsheid, inzicht en kennis. Ook nog bekwaamheid om anderen te onderrichten 35:34. Vaardigheid en kunde, ontwerpersinzicht, materialenkennis en handvaardigheid, - van Gods Géést! Letterlijk godsgeschenken, die gaven! Ik zou willen dat déze geloofserkenning van de kwaliteiten van kunstenaars en ambachtslieden bij ons gemeengoed was. En dat dan niet als van een klasse apart: 'iedere man (én vrouw 35:25/6) die kunstvaardig is' wordt rus~ig náást de beide gildemeesters gesteld 36:1. We ontkomen er niet aan de gavenGeestesgaven immers - van kunstenaars en ambachtelijk begaafde mensen een betere plaats te geven in de tempel-van-de-Geest die nu in aanbouw is. Terwijl zij een stimulerende rol t.o.v. 'gewone' christenen op zich nemen, juist terwille van het samen i.p.v. ieder tegenover de anderen. Niet je profileren, maar integreren.

Specialismen
Israël is ons ó6k voor, omdat het van discrepantie tussen gaven van hoofd, hart en hand gelu'kkig nog geen last had. Ook werden theorie en praktijk niet gescheiden. Specialisaties werden er blijkbaar veel minder extreem doorgevoerd dan in onze cultuur. Er is nog een samenhangende ambachtelijkheid, ongeveer zoals in het gildewezen bij ons moet hebben bestaan. Er is wel specialisatie, maar niet zo dat er vervreemding ontstaat tussen de kunstenaar en andere mensen. Ook niet tussen het 'vak' van de ambachtsman en de vaardigheden die hij voor het alledaagse leven nodig heeft.
Besaleël was kennelijk de man van ontwerp en uitvoering van de tabernakel op het gebied van hout, metalen en edelstenen 35:31vv, terwijl Oholiab zich meer bewoog op het gebied van textiele werkvormen vs. 35. Maar niet geïsoleerd, zie 31:5-6: "in het hart van IEDER die kunstvaardig is heb IK wijsheid gelegd"! Het valt op dat met name van vróuwen die kunstvaardigheid genoemd wordt 35:25-26.

Zeer goed
Het slot van het relaas laat nog één keer alles wat men gemaakt heeft de revue passeren 39:32-43. De woorden lijken een echo van Gods eigen werken in de schepping.

De Here is aldaar
In de wolk - waarin Israël inmiddels Zijn luister tegenwoordig weet 14:14 VV, 16:10, 19:9, 16, 24:15, 34:5 - neemt de HERE bezit van Zijn troontent 40:35. Zo intens dat Mozes de tent niet betreden kan 4! Hier blijkt duidelijk dat God bij alles mikt op Israëls VERTROUWEN in Zijn aanwezigheid. Niet omdat Hij zichtbaar voor hen zou zijn, niet omdat mensen magisch God nabij manipuleren, maar omdat en zoals Hij goedgunstig verkiest onder hen (ons) te wonen. Geloofszekerheid dus. Vastigheid en enig oriëntatiepunt voor Gods volk in elke tijd. Des te tragischer dan ook dat direct al dit eerste woonplan van God doorkruist wordt door een àl te menselijke poging om Gods nabijheid zelf te organiseren, Ex. 32 e.v. Oók al iets dat in de geschiedenis van Gods volk helaas menigmaal is nagevolgd. Maar laten we eerlijk zijn: het feit dát die tabernakel er ooit is gekomen, mag dan ook eens te méér een wonder heten! Van een kaliber waarvan dit bijbelboek letterlijk aan elkaar hangt: het is niet te danken aan degene die wil of aan degene die loopt, maar aan GOD DIE ZICH ONTFERMT! Zo Paulus' feilloze typering van wat er in dit boek gebeurt, Rom. 9:16. Maar daarover D.V. later eens.

Noten
1. Uit opnamen van de tentoonstelling maak ik op dat men tamelijk gedurfd is omgegaan met de kleden en gordijnen: op zich fraai eigentijds geweven, maar een beetje anachronistisch t.o.v. tijd en cultuur van de tabernakel.

2. GNB gaat uit van een el van ruim 50 cm. Onjuist in GNB Ex. 38:18, waar een hoogte van 5 meter genoemd wordt, terwijl het 2,5 m moet zijn, vgl. 27:18.

3. De Voorzeide Leer I, Barendrecht 1960, p. 470-491. Ds. Vonk stelt dat de 12 stenen dezelfde zijn als urim en tummim, die dan dus OP de borstlap zijn aangebracht. Ik twijfel aan deze 'oplossing' op grond van Num. 27:21, 1 Sam. 28:6, 30:7, Exra 2:63, Neh. 7:65, waar toch van een 'uitspraak' van God sprake moet zijn.

4. Vergelijk 1 Kon. 8:10-11, 2 Kr. 5:14, 7:1-3, OOK Ez. 43:1-9. Maar ook het vertrek van Gods luister uit de tempel, Ez. 10:18vv. Terwijl Ezechiël t6ch mag eindigen met de stad die tempel werd, waarvan geldt: de HERE is aldaar, 48:35. Vgl. de vervulling hiervan Openb. 21:3,22.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief