Wordt hervormd!
1993-10-22
Hervormingsdag- Jaargang 37
- nummer 22
Toen Luther op 31 oktober 1517zijn 95 stellingen tegen de aflaat en de aflaathandel bevestigde aan de deur van de slotkapel te Wittenberg, ontketende hij daarmee gigantische ontwikkelingen en veranderingen, niet alleen op kerkelijk en godsdienstig gebied maar ook op politiek terrein. Europa is er als gevolg van deze gebeurtenis heel ander uit gaan zien.
Luther zelf heeft daar op dat moment geen flauw benul van gehad. Hij had toen geen idee van de draagwijdte van zijn daad en besefte niet dat hij een hefboom overhaalde waardoor de sluizen en het water donderend de polders binnenstormde. De traditionele Hervormingsdag is als het ware een kranslegging bij deze gebeurtenis.
Nu kan het leggen van kransen en het oprichten van gedenktekenen een zeer hypocriete zaak zijn. Niemand minder dan Christus heeft daar op gewezen. In zijn dagen ressorteerden de graven en gedenktekenen van de profeten onder het departement "Religieuze Monumentenzorg" van het Sanhedrin. Er werd nogal wat aan gedaan: kransleggingen met indrukwekkende toespraken, het oprichten en verfraaien van gedenktekenen voor de grote figuren uit Israëls geschiedenis, ook dat uiteraard met de nodige toespraken. Dat kwam nogal eens voor.
In die toespraken werden de profeten en rechtvaardigen opgehemeld en werd het gedrag van hun tijdgenoten die zich tegen hen verzet hadden, gelaakt en veroordeeld. Het griezelige daarbij was dat die eerbiedwaardige sprekers en redenaars die zo hoog opgaven van de profeten en het verzet tegen het door hen gesproken Woord van God zo scherp afkeurden, zichzelf schuldig maakten aan precies datzelfde verzet tegen Gods Woord. Daarmee vielen al hun plechtige kransleggingen en fraaie redevoeringen door de mand.
Bedrieglijk
Laten we proberen dat te concretiseren aan de hand vaneen verzonnen voorbeeld.
Stel u voor: er wordt in Jeruzalem een gedenkteken opgericht voor Jeremia. Zoals bekend kan zijn werd hij in zijn dagen door de bewoners van Juda en Jeruzalem afgewezen. Ze luisterden niet naar hem. Ze vonden hem een gevaar voor stad en land en voor de geestelijke volksgezondheid. Daarom verzetten ze zich fel tegen hem.
Nu wordt er eeuwen later een gedenkteken voor hem onthuld. De rabbi die de toespraak houdt, zegt: wat hebben onze vaderen het bij het verkeerde eind gehad! Jeremia was geen gevaar maar juist een groot profeet. Hij bedreigde de volksgezondheid niet, maar had daar juist genezend op kunnen inwerken. Die woorden zijn natuurlijk prachtig. Er valt helemaal niets op aan te merken. Je zou willen zeggen: gelukkig maar dat ze tot dit inzicht gekomen zijn en Jeremia nu in het juiste licht zien.
Maar, zegt Christus, het vervelende daarbij is, dat ze in hun eigen levenshouding vandaag precies hetzelfde beeld te zien geven als hun voorvaderen in de tijd van Jeremia: Bij hen is sprake van hetzelfde verzet tegen het concrete Woord van God dat tot hen komt. Hun vaderen verwierpen Jeremia, zij verwerpen Mij. Afgaande op hun toespraken zou je zeggen: ze zijn tot inkeer gekomen. Maar in hun levenspraktijk blijkt dat niet zo te zijn. Daarom is heel die kransleggerij en monumentenzorg bedrieglijk.
Kenmerkend
Zo kan men ook mooie woorden spreken over Luther en Calvijn en over het belang van hun werk, terwijl men zich in zijn levenspraktijk heeft afgesloten voor het levende Woord van God en leeft bij tradities en schema's waarin het Woord van God bevroren is. Dan zit het Woord van God opgesloten in de diepvrieskast van menselijke patronen en overleveringen. Mooie woorden spreken over profeten en rechtvaardigen uit het verleden zegt nog niet zoveel. Het komt erop aan dat je je vandáág door Gods Woord laat beheersen, er vandáág voor openstaat en je leven erdoor laat vernieuwen.
Dat houdt Jezus de Farizeeërs voor. Ook voor ons geldt dat. Mooie woorden spreken over Luther en Calvijn is wel aardig, maar zegt nog niet zoveel. Het komt erop aan dat we nu, vandaag, Gods Woord springlevend laten zijn in ons leven en dat we ons er meer en meer door laten omvormen. Want dat is het kenmerkende van de Reformatie. Waarom sloeg Luther zijn 95 thesen aan? Omdat het Woord van God hem te machtig was geworden. Het doorbrak de kluisters van de traditie, van de overlevering, van de kerkelijke organisatie en van de eigenwillige vroomheid waarin Luther gevangen zat. Daarin bewees dat Woord zich levend en krachtig. Het drong door tot in de verste hoeken van zijn hart en vernieuwde zijn denken. Op die vernieuwing van het denken komt het ook vandaag nog aan.
Eredienst
Paulus wijst daarop in Rom. 12:1,2. Een snelle reclamejongen zou deze tekst kunnen gebruiken in een reclamefolder voor de Hervormde Kerk: WORDT HERVORMD! Maar op die manier zou men Paulus woorden wel misbruiken en laten buikspreken.
Want het gaat Paulus natuurlijk om iets heel anders. Zijn gedachtegang is niet zo moeilijk te volgen. Het komt erop aan, zegt hij, dat je leven een offer aan God is. Dat is de eredienst die God bij ons zoekt. En hoe bereik je dat? Door niet wereldgelijkvormig te zijn, maar door je denken te laten vernieuwen. Die vernieuwing van je denken brengt zo'n verandering in je leven teweeg, dat je Gods wil gaat doen. Dat is de manier waarop je leven een offer aan God wordt. Deze gedachtegang laat aan duidelijkheid niets te wensen over. Toch denk ik dat de inhoud van deze tekst in de kerkelijke wereld maar heel gebrekkig doorkomt. Dat komt aan het licht als we ons wat meer de tekst verdiepen in Paulus' woorden en ze tot ons laten doordringen. Om te beginnen besteden we wat aandacht aan het woord eredienst. Als een Jood in Paulus' dagen het woord eredienst hoorde, was er slechts één ding waaraan hij kon denken, nl. de tempeldienst in Jeruzalem met zijn priesters, offers en gebeden. Maar ook de Grieken en Romeinen dachten bij dat woord onmiddellijk aan de cultus.
Ook bij hen was eredienst iets sacraals. Het had te maken met een tempel en met alles wat daar gebeurde.
Ook bij ons ligt het nog in die sfeer. Als wij het over onze eredienst hebben, denken we uitsluitend aan onze kerkdiensten. Er zijn zelfs hele boeken over volgeschreven onder de titel: Onze Eredienst. Als je die doorbladert, ontdek je dat ze uitsluitend gaan over kerkdiensten en over wat daar gebeurt. Ook bij ons heeft het woord eredienst een cultische kleur. U kunt dat bij uzelf nagaan. Als iemand u vraagt 'Wat is onze eredienst?', hebt u er dan wel eens aan gedacht te antwoorden: ons christelijke leven van elke dag is onze eredienst? Ik denk het niet. Ik denk dat er bijna niemand is die dat antwoord geeft.
Verkeerd gebruik
En toch is dat nu precies het antwoord dat het Nieuwe Testament geeft. Het woord eredienst (Iatreia) dat Paulus hier gebruikt, komt in het Nieuwe Testament wel een paar keer voor ter aanduiding van de oudtestamentische tempeldienst en offerdienst, maar nooit ter aanduiding van de samenkomst van de christelijke gemeente.
De enige plaats waar het woord niet de oudtestamentische cultus aanduidt, is hier in Rom. 12. En u zult het met me eens zijn dat het hier helemaal niets te maken heeft met een samenkomst der gemeente of met een cultusplaats, maar dat het hier gaat over het gewone dagelijkse leven van de christenen. Als wij het woord eredienst gebruiken ter aanduiding van onze zondagse samenkomsten, bevinden we ons dus niet in de lijn van het Nieuwe Testament. En dat verkeerde gebruik is in de kerkelijke wereld zo gangbaar geworden, dat de nieuwtestamentische betekenis ervan er helemaal door verdrongen is.
Daar hebben we nu een voorbeeld dat laat zien hoe bijbelse elementen bedolven kunnen raken onder onze overleveringen. Wij mogen graag denken dat dat alleen maar bij de Farizeeërs mogelijk. Maar het gebeurt ook bij ons. Van generatie op generatie is ons overgeleverd dat we bij het woord eredienst aan onze zondagse samenkomsten moeten denken. Daarom gebruiken we het woord uitsluitend nog in die betekenis. En de nieuwtestamentische betekenis ervan, nl. het dagelijks doen van Gods wil, speelt voor ons geen rol meer.
Denkkader
Wanneer er nu niet meer aan de hand was dan dat het woord eredienst een andere betekenis gekregen had, zou het niet de moeite waard zijn de vinger erbij te leggen en er aandacht aan te geven. Maar er is wel meer aan de hand. Achter die betekenisverschuiving ligt een visie, een complete gedachtenwereld. Dat heeft te maken met de behoefte van de mens aan cultische patronen en met de gedachte dat je in een kerkdienst dichter bij God bent dan thuis of op je werk. Er ligt de gedachte achter dat de kerk een gewijde ruimte is, het huis van God. Het gaat uit van de veronderstelling dat het dienen van God in een kerkgebouw een hogere graad bereikt dan daarbuiten en dat de cultus een hogere vorm van God dienen is dan bijvoorbeeld een baby een schone luier geven. Dat hele denkkader werkt in de hand, dat het gewone dagelijkse leven voor het besef van de mensen verder van God af komt te staan dan en kerkdienst, dat het dienen van God in dat dagelijkse leven dan ook niet zoveel voorstelt en dat je het daar dus wel wat minder nauw kunt nemen. Paulus zegt: zo is het niet. Onze eredienst is niet een kwestie van één dag in de week, maar een zaak van de dagelijkse levenspraktijk. Onze eredienst is het dagelijks doen van Gods wil. Onze eredienst speelt zich af op straat en op onze werkplek en in ons huis en in onze slaapkamer. Onze eredienst werkt zich uit in de manier waarop we met elkaar omgaan, zaken doen, ons geld uitgeven en onze vrije tijd besteden. In dat alles voltrekt zich onze eredienst. En we blokkeren het zicht daà'rop, als we het woord eredienst blijven reserveren voor de zondagse samenkomsten.
Aardverschuiving
De vertaling van het NBG heeft: redelijke eredienst. Die vertaling is mogelijk, maar ik kan er niet mee uit de voeten. Ik vertaal met de Willibrordvertaling liever: geestelijke eredienst. En geestelijk moeten we dan niet opvatten als het tegenovergestelde van lichamelijk, maar als het tegenovergestelde van cultisch-ritueel. De eredienst in de tempel voltrok zich via allerlei rituele voorwerpen en handelingen, zoals altaren, offerdieren, bloed, wierook, voorgeschreven gewaden en dergelijke. Zonder dat alles was een eredienst in de toenmalige wereld niet denkbaar. Het Nieuwe Testament introduceert toch zo'n onbestaanbare eredienst. Onze eredienst, zegt Paulus, bestaat niet meer in dergelijke rituele voorwerpen en handelingen, maar is geestelijk van karakter, dat wil zeggen: heeft niets meer met cultisch ritueel te maken.
Dat betekende niets minder dan een revolutie op godsdienstig gebied, een complete aardverschuiving. Het was zo ingrijpend, dat wij er nog steeds moeite mee hebben. Wij hebben nog steeds een hang naar godsdienstige rituelen en zijn geneigd te denken dat die je pas echt dichtbij God brengen. Paulus zegt: onze eredienst bestaat niet in riten, niet in rituelen die stijf staan van symboliek, maar in het dagelijks doen van Gods wil.
Wereldgelijkvormig
Wat is er voor nodig om Gods wil te doen? Daarvoor moet je hervormd worden.
Wordt hervormd, zegt Paulus. Het grappige is dat je ook kunt vertalen: wordt gereformeerd. De vertaling: wordt Nederlands Gereformeerd, lukt helaas niet. Maar dat kunnen we Paulus niet kwalijk nemen. Want het gaat hem uiteraard om iets heel anders dan om een aanbeveling van een bepaalde. kerk.
Hervormd, gereformeerd worden staat bij hem tegenover wereldgelijkvormig worden. Men heeft wereldgelijkvormigheid vaak vastgepind op zaken als naar de film of naar de kermis gaan en dergelijke.
Maar dat was veel te beperkt gezien. Men ging zo alleen maar af op de buitenkant. Het gaat Paulus primair om een instelling, een houding, een mentaliteit. Wereldgelijkvormig word je als de geest, de mentaliteit van deze wereld, je te pakken neemt en je gaat beheersen. Als je op dezelfde manier tegen de dingen begint aan te kijken, ze op dezelfde manier begint aan te voelen en er net zo op begint te reageren als de wereld zonder God, dan is er sprake van wereldgelijkvormigheid.
Ter verduidelijking enkele voorbeelden. Op een gegeven ogenblik komen de Israëlieten bij Samuël en zeggen: geef ons een koning zoals de andere volken. Die vraag kwam voort uit de gedachte dat alleen een koning met een machtig leger hun veiligheid kon garanderen. Dat was puur heidens gedacht. Daarmee namen ze de stijl van deze wereld over.
Wanneer we ons laten leiden door het adagium 'hebben is hebben en krijgen is de kunst', hebben we ons laten inpakken door de mentaliteit van deze wereld en zijn we wereldgelijkvormig. Want dat is een mentaliteit die zich niet verdraagt met het evangelie dat zegt: het is zaliger te geven dan te ontvangen (Hand. 20:35).
Wanneer we als christenen gaan zeggen: 'ik doe wat ik wil en maak zelf wel uit wat goed en kwaad is', zijn we wereldgelijkvormig. Want in de wereld zonder God is de mens de maat van alle dingen. Ik vind, ik vind, ik vind. Dat is daar het adagium in plaats van de vraag: wat wil God dat we doen zullen?
Discrepantie
Wanneer we ons als christenen verslingeren aan ras, bloed en bodem, zijn we wereldgelijkvormig, want dat is een mentaliteit die zijn oorsprong vindt in de wereld. Christenen zijn daar niet immuun voor. Nicolaas Beets heeft ooit eens uit zijn pen laten vloeien: Dankt allen God en weest verblijd, omdat gij Nederlanders zijt.Laat nooit het bloed der vaderen verbastren in uw aderen. Maar zo vergeet je, dat de staat waarvan wij burgers zijn, zijn zetel niet heeft in Den Haag of Parijs of Londen, maar in de hemelen (Fil. 3:20). Zo zouden er nog meer gevallen te noemen zijn, waarin niet het evangelie maar een werelds denken en voelen ons leven richting en stuur kan geven. Dan kun je nog wel heel orthodox zijn in de leer, maar dat staat dan los van de dagelijkse levenspraktijk en werkt zich daar niet in uit. Dat heeft dan nauwelijks verbindingsdraden met ons dagelijks optreden. En het resultaat is weer een discrepantie tussen de zondagse godsdienstigheid en de levenshouding tijdens de rest van de week. Het moge duidelijk zijn dat de wereldgelijkvormigheid dus niet ver van ons bed ligt, maar op allerlei manieren bij ons binnen kan komen. Daarom moeten we ons laten hervormen. Het gaat God om de totaliteit van ons leven. Hij is niet tevreden als we Hem op zondag een paar godsdienstige uurtjes geven, terwijl de mentaliteit van deze wereld ons de rest van de week beheerst.
Mentaliteitsverandering
God wil ons leven in zijn totaliteit. Daarom moeten we ons laten hervormen. En dat is alleen maar mogelijk, zegt Paulus, door de vernieuwing van ons denken.
Bij dat woord 'denken' gaat het niet alleen om ons intellect. Dat zou veel te mager en te bloedarm zijn. Denken omvat in de bijbel veel meer dan alleen maar rationeel bezig zijn. Het woord dat Paulus hier gebruikt, zou je het beste kunnen weergeven als: inzicht, gezindheid, mentaliteit. Er moet een verandering, een vernieuwing van onze mentaliteit plaatsvinden, zegt Paulus. Alleen als dat gebeurt, als die mentaliteitsverandering zich voltrekt, worden we hervormd. En dat hervormd worden is een proces dat voortdurend moet doorgaan. Paulus drukt dat uit in de werkwoordsvorm die hij gebruikt. Bovendien schrijft hij het aan mensen die al een tijdlang christen zijn. Daarom kan niemand van ons zich ervan af maken met de opmerking: ik ben al Gereformeerd; laat me maar met rust; ik vind het zo al welletjes. Neen, zegt Paulus, wordt voortdurend hervormd. Elke dag moet voor jullie hervormingsdag zijn. Dat is nodig, want de gezindheid, de mentaliteit, van deze wereld heeft haar wortels in ieder van ons. Bovendien ademen we die mentaliteit nog dagelijks in. De atmosfeer is ermee verzadigd. We worden er dagelijks in ondergedompeld via radio, televisie, werk en school. En we ondergaan de invloed ervan. We worden erdoor geïnfecteerd, juist omdat de wortels ervan ook in onszelf aanwezig zijn.
Daarom moeten we ons dagelijks openstellen voor Gods Woord en Geest. Want alleen dan worden we omgevormd en leren we steeds beter onderscheiden tussen de mentaliteit van deze wereld en de wil van God, de goede, welgevallige en volkomene. Alleen dan is ons leven een eredienst, een levend, heilig offer aan God, waar Hij plezier in heeft.
Offer
Offer: dat is weer zo'n term uit de oudtestamentische cultus die in het Nieuwe Testament een heel andere inhoud gekregen heeft. In de tempeldienst was het offer een'dier. Het was geen levend offer, want het werd gedood. Er werden ook wel meeloffers gemengd met olie gebracht (Lev. 2). Uiteraard waren ook dat geen levende offers.
Maar wat deze offers gemeenschappelijk hadden, was dit dat ze uitsluitend in de tempel gebracht werden. Ze waren een onderdeel van een cultischè eredienst. In die zin zijn wij het woord ook weer gaan gebruiken en is het de aanduiding geworden van collectegeld. De dienst der offeranden zijn we de collecte in de kerkdiensten gaan noemen. Hoe verzinnen we het eigenlijk! Voelt u de wereld van verschil tussen dit woordgebruik en wat Paulus hier met offer bedoelt? Hij verwijst met dit woord naar onszelf, naar de totaliteit van ons leven. lets dat je offert, geef je 'prijs. Je doet er afstand van. Daar gaat het om. Geef jezelf prijs aan God. 'Uw lichamen' staat er letterlijk. Paulus zegt dat zo om te voorkomen dat men het offer zou gaan vergeestelijken en het zou vastpinnen in de spirituàliteit. Want dat is ook een tendens die telkens weer de kop opsteekt. Dan wordt het spirituele leven het eigenlijke leven en over het gewone dagelijkse leven wordt dan wat denigrerend gedaan. Maar Paulus benadrukt: dat offer moet juist in dat gewone leven van elke äag gebracht worden, in heel concrete, tastbare dingen. Doe daarin afstand van jezelf. Laat God over jou beschikken.
Gods barmhartigheden
Dat is de grootste mentaliteitsverandering die je je kunt voorstellen. Want dat wil een mens nu net niet. Zichzelf uit handen geven doet een mens alleen maar als Christus en zijn Woord en Geest hem te machtig geworden zijn. Daarom beroept Paulus zich op Gods barmhartigheden. Dat is een fijn trekje. Paulus legt de zweep er niet over. Dat mogen wij wel' graag doen: mensen opjagen, voortjagen, afranselen met bijbelteksten. Paulus doet dat niet. Hij'vermaant met een beroep op Gods barmhartigheden.
Dat moeten we maar goed op ons laten inwerken en onszelf dan meteen de vraag stellen: betekent die barmhartigheid van God in Christus inderdaad zoveel voor me, dat ik me zonder reserves aan Hem prijs wil geven?