Over de gaven van de Geest (2)
1993-01-29
Uitgaande van wat ik in het vorige artikel zo in het algemeen over de betekenis van genadegaven heb gezegd, geef ik nu daarvan de volgende definitie: Een genadegave (charisma) is een bijzondere bekwaamheid die de Heilige Geest geeft aan elk lid van het lichaam van Christus - naar Gods genade (charis) - om te gebruiken binnen het lichaam van Christus.- Jaargang 37
- nummer 3
Deze definitie bestaat uit vijf onderdelen, die ik stuk voor stuk wil toelichten.
Een bijzondere bekwaamheid
Allereerst wordt gesteld dat het gaat om een bijzondere bekwaamheid.
Iedere gelovige heeft andere gaven.
Als u bij uzelf een bepaalde gave ontdekt, dan kunt u er zeker van zijn dat u daarmee binnen de gemeente in de minderheid bent. Van geen enkele gave kunt u verwachten dat de meerderheid van de gelovigen die bezit.
Laat me u ter illustratie een fabeltje mogen vertellen(1). Eens kwamen alle dieren van het bos bij elkaar. En samen namen ze het besluit om een dierenschool op te richten. Samenhet konijn, de vogel, de vis en het eekhoorntje en alle anderen.
Maar dat deden ze niet zomaar lukraak.
Nee, daar werd goed over nagedacht.
Ze staken de koppen bij elkaar om een leerplan op te stellen. En toen het leerplan klaar was had ieder er voor gezorgd, dat zijn inbreng gehonoreerd was.
Het konijn stond erop dat rennen op het lesrooster stond en het graven van holen. De vogel liet het vliegen opnemen.
De vis had gepleit voor les in zwemmen en het eekhoorntje voor het klimmen in steilrechte bomen.
Zo had ieder in het leerplan van de dierenschool een plaats ingeruimd voor z'n eigen specialiteit. Maar het was wel de bedoeling dat alle leerlingen van de dierenschool alle vakken op het rooster hadden.
Kunt u het zich voorstellen? De kleine konijntjes die moesten leren vliegen?
Ze werden op een tak gezet van een hoge boom. En de vogel deed voor hoe het moest. De pootjes uitslaan als vleugels en hup! - de lucht in. Ach, wat een ellende! Het ene konijntje na het andere tuimelde van de tak en brak één of meer pootjes. Maar vliegen leerde er niet één. En, wat erger was, rennen was er ook niet meer bij.
En ziet u het voor u: al die vogels met gekneusde vleugels en geblesseerde snavels bij hun pogingen een ordentelijk konijnehol te graven? En de visjes op apegapen onderaan een denneboom in een vergeefse poging om ook maar een cm omhoog te klimmen?
U begrijpt het: van heel dat prachtige leerplan van de dierenschool kwam niets terecht. Ze hadden niet in de gaten gehad, dat wat de één kan, daarom de ander nog niet kan. Ieder heeft zijn eigen mogelijkheden.
Verscheidenheid
Kijk maar naar het menselijk lichaam, waarmee Paulus de gemeente vergelijkt.
Er zijn maar twee handen, twee ogen, twee oren, één mond, één neus.
Er is altijd meer aan een lichaam dat niét de funktie van het oog of het oor heeft dan wel.
Zo bestaat ook het lichaam van Christus uit vele verschillende leden, die ieder een eigen funktie hebben binnen dat lichaam. En welke funktie dat is, dat wordt bepaald door hun eigen bijzondere genadegave.
Zo blijkt er binnen de gemeente van Christus een enorme verscheidenheld te bestaan. Iemand heeft eens gezegd, dat onze God zozeer van verscheidenheid houdt, dat Hij in een sneeuwstorm nog ieder vlokje verschillend maakt van de anderen.
Zo is de kerk als een machtig leger des heiIs, maar beslist niet in uniform.
Eigenlijk is voor de gemeente veel meer het beeld van een orkest op z'n plaats, waarin ieder z'n eigen instrument bespeelt en waarin men zo in goed samenspel een prachtig harmoniërend muziekstuk ten gehore brengt.
Van de Heilige Geest
De gave komt - en dat is het tweedevan de Heilige Geest. Wat wil dat nu precies zeggen, dat de gaven afkomstig zijn van de Heilige Geest? Kun je niet stellen, dat ieder mens wel één of meer natuurlijke talenten en vermogens heeft?
Ja, dat is ongetwijfeld waar. Ieder mens wordt geboren met sluimerende mogelijkheden, die ontwikkeld en gebruikt zouden moeten worden tot eer van God, zijn Schepper. En in zekere zin kan zelfs worden gezegd, dat ook dié gaven te maken hebben met Gods Geest. Gods Geest werkt ook buiten de kerk. En Gods Geest werkt ook vóór de wedergeboorte en de bekering.
Maar toch, als het NT spreekt van geestelijke gaven of van Geestesgaven, dan gaat dat verder. Als Paulus zegt dat de Heilige Geest een ieder in het bijzonder toedeelt gelijk Hij wil, dan wijst dat op een direkte en onmiddellijke relatie tussen God en de mens. De gaven van de Geest zijn het resultaat van een bijzondere werking van de Geest in het leven van een gelovige. En het is méér dan alleen maar het het verstandige en trouwe gebruik van aangeboren talenten.
Maar wanneer werkt de Geest in de gelovige? En hoe? Zoals ik al zei: niet alleen na de bekering. De Heilige Geest is, zoals ik in het begin al opmerkte, ook de Geest van de schepping.
God is almachtig en alwetend.
We moeten er niet van uitgaan, dat Hij pas na de bekering in het leven van een mens begint te werken.
We hebben het wel eens over aangeboren talenten. Daar klinkt iets in door van een geschenk, dat je bij je geboorte al hebt meegekregen. Meegekregen - van wie? Van wie anders, dan van de Schepper? Wat hebt u, dat u niet ontvangen hebt? (1 Kor. 4,7).
En zo kan God aan ieder mens bij zijn geboorte al die talenten hebben gegeven, die Hij later zal doen ontwaken en ontvlammen. Een geestelijke gave is vaak een door God al bij de geboorte gegeven en ingeschapen talent dat is opgevlamd(2).
Je kunt ook zeggen, dat de gemeenschap met Christus door de Geest het herstel betekent van de menselijke natuur, die God eens zo goed geschapen heeft. En dat zo de ingeschapen mogelijkheden opbloeien tot gaven, die te gebruiken zijn binnen de nieuwe samenleving van het Lichaam van Christus.
Ik zie dus geen absolute tegenstelling tussen natuurlijke gaven en gaven van de Geest. Ik zie een doorgaande lijn.
Of liever, een aangeboren talent wordt pas werkelijk een gave van de Geest als de gelovige zijn talent overdraagt aan de Geest, in dienst stelt van het Koninkrijk. "Natuurlijke talenten blijven in een zondige wereld op het niveau van machteloze, menselijke werken, totdat ze in zelfopoffering aan God worden aangeboden"(3). Maar zodra een gave van de Geest gebruikt wordt om onszelf ermee te dienen, verliest ze haar 'charismatische' karakter(4).
Een gave voor iedere gelovige
Dan een derde punt uit de definitie, waar ik wel heel sterk de nadruk op wil leggen: iédere gelovige heeft een gave van de Geest ontvangen. Ik herhaal met nadruk: iedere gelovige heeft van de Geest iets bijzonders ontvangen, een speciale gave, zeg maar: een bijzonder geschenk om daar de gemeente en het Koninkrijk van God mee te dienen. Daar is Gods Woord heel duidelijk in. Daarom enkele citaten:
Aan een ieder wordt de openbaring van de Geest gegeven tot welzijn van allen - 1 Kor. 12,7.
Dit alles werkt één en dezelfde Geest, die een ieder.... toedeelt gelijk Hij wil - vs. 11.
Maar aan een ieder afzonderlijk is de genade gegeven, naar de mate, waarin Christus haar schenkt - Ef. 4,7.
... de kracht, die elk lid op zijn wijze oefent - vs. 16. Dient elkaar, een ieder naar de genadegave, die hij ontvangen heeft, als goede rentmeesters over de velerlei genade Gods - 1 Petr. 4,10.
Sommigen hebben misschien meer dan één gave, een kombinatie van gaven. B.v. de gave van kennis en van onderricht. Dat is natuurlijk een prachtige kombinatie. Of de kombinatie van leiderschap en organisatievermogen.
Of de kombinatie van de gaven van barmhartigheid en zielzorg.
Sommigen hebben een bepaalde gave in hogere mate dan anderen. De één bezit de gave van wijsheid of van evangelisatie in hogere graad dan een ander.
Ook kan een gave in bepaalde variaties voorkomen. De één bezit de gave van evangelisatie aan kinderen, de ander is goed in het toespreken van een massabijeenkomst, een derde verstaat de kunst een goede, wervende foldertekst te schrijven. Zo kan een gave heel gevarieerd bij christenen voorkomen.
Maar één ding staat vast: elk gelovig kind van God bezit één of meerdere gaven. Iedere christen is een onverwisselbaar lid van het lichaam van Christus. En zijn in dentiteit wordt voor een groot deel bepaald door de gave of de kombinatie van gaven, die God hem of haar geschonken heeft.
Genade-gave
In de vierde plaats benadruk ik dat een gave een geschenk is van Gods genade.
Daarmee is gezegd dat zo'n gave niet verleend wordt als beloning voor goed gedrag of als lintje van verdienste bij bewezen standvastigheid in Christus' gevolg. Het is, naar de letterlijke betekenis van het Griekse woord charisma, een genadegave.
Dat betekent dat ook niemand met zijn gave te koop mag lopen en er prat op kan gaan. Niemand mag ook zijn eigen gaven verheerlijken en hoger aanslaan dan die van anderen. Wat u hebt, dat hebt u gekregen. Het is niet van u zelf. Laat niemand roemen! Wie roemen wil, roeme in de Heer!
Dat was de fout van de,Korinthiërs, dat ze een gave als het spreken in tongen hoger aansloegen dan andere. En wie die gave bezat, voelde zich ook meer.
Hetzelfde kom je vandaag nog tegen in bepaalde charismatische groepen.
Daar vind je vaak ook een overwaardering van de spektakulaire gaven ten koste van de meer onopvallende. En juist die laatste worden gezien als het kenmerk van de ware kerk. Waar die gaven gevonden worden, daar is de Geest. Daar regeert Christus!
Maar juist de eerste brief aan de Korinthiërs moet ons altijd weer waarschuwen, dat de opbloei van de gaven, m.n. van de spektakulaire gaven, lang niet altijd gepaard gaat met een groeiend geestelijk leven uit de verborgen omgang met God. Het gevaar ligt altijd op de loer, dat de mens of de groep met zulke gaven in het middelpunt komt te staan. Men is onder de indruk van het bijzondere, het spektakulaire.
En het lijkt allemaal zo geestelijk en religieus. Maar het is zo vleselijk en menselijk hoogmoedig.
Toch begrijpt u van mij wel, hoop ik, dat ik desondanks met klem stellen wil, dat dit misbruik het goede gebruik van gaven niet mag belemmeren. Als het genadekarakter maar in het oog wordt gehouden. Alsook het doel.
Bedoeld voor de gemeente
En daarmee kom ik aan het laatste punt van de definitie van een charisma: een gave is bedoeld om te gebruiken binnen het lichaam van Christus.
Ik herhaal wat ik al eerder zei: In wezen is een gave niet zozeer bedoeld voor de broeder of zuster, die zo'n gave ontving. Gaven zijn niet een kwestie van een privé-relatie tussen de gelovige en God. Maar ze zijn bedoeld tot welzijn van allen. Zoals je een open haard niet aansteekt, omdat de haard zelf het zo koud heeft. De bedoeling is om de kamer en alle aanwezigen te verwarmen. Zo zijn de gaveo gegeven om ze in te zetten binnen de gemeente.
Noten
1 Ik hoorde deze dierenfabel zelf op een conferentie van de Evangelische Alliantie in januari '90 uit de mond van Christian Schwarz, de schrijver van vele boeken over gemeenteopbouw en direkteur van een Duits instituut dat zich bezig houdt met het onderzoek naar en de praktijk van gemeenteopbouw.
2 Zie voor dit onderdeel H.A. Snyder, Het probleem van de wijnzakken, Gideon, Hoornaar, 1977, pag. 110v.
3 Snyder, a.w., pag. 111.
4 Cf. M. te Velde, a.w., pag. 80v.