Levensbeschouwing en zorg
1993-01-29
* In het onderstaande vindt men een uitwerking van de toespraak die ik op een feestelijke bijeenkomst ter gelegenheid van de opening van het nieuwe kantoorgebouw van de Christelijke Sociaal Pedagogische Dienst te Ommen heb gehouden. Vanwege de programmering van de bijeenkomst moest ik in mijn toespraak enkele onderdelen onuitgesproken laten. Ook heb ik de spreektaal indien nodig omgezet in schrijftaal.- Jaargang 37
- nummer 3
Dames en Heren,
1. In de uitnodiging ter gelegenheid van de opening van Uw gebouw sta ik vermeld als bestuurslid van de oudervereniging Philadelphia. Dat is correct en als zodanig is de Oudervereniging als geheel erkentelijk voor de uitnodiging.
Toch maak ik, mede als vooropmerking hier wel een kanttekening bij.
Ik ben ook te zien als bestuurslid van de Federatie van Ouderverenigingen.
Zoals wellicht bekend is de federatie een koepelorganisatie waarin o.m. de vier ouderverenigingen ten bate van de belangen van verstandelijk gehandicapten samenwerken en als zodanig gesprekspartner van de overheid zijn.
Ook de federatie verheugt zich indien ergens in den lande een sociaal pedagogische dienst blijkbaar zo efficiënt werkt dat een nieuw kantoorgebouw kan en moet worden geopend.
En om het nog ingewikkelder te maken vermeld ik ook nog dat ik bestuurslid ben van de internationale koepel van nationale ouderverenigingen. In deze functie krijgt men te maken met de problemen van de verstandelijk gehandicapte mensen in een wereldwijd perspectief. Dan wordt men geconfronteerd met de positie van verstandelijk gehandicapten in ontwikkelingslanden en krijgt men te maken met de meest schrille tegenstellingen.
Waarom breng ik deze functies en daarmede ook de verschillende perspectieven naar voren en dat in het kader van een toespraak over de plaats van wereld- en levensbeschouwing in de zorg voor mensen met een verstandelijke handicap?
De reden hiervoor is, en ik stel dit heel duidelijk aan het begin van mijn toespraak, dat er juist 'in de wereld' van de zorg voor verstandelijk gehandicapten geen enkel verschil van mening bestaat als het gaat om de vraag of levens- en wereldbeschouwing tot het zorg pakket behoort. Het is niet zo dat de gehandicapte mens recht heeft op goede verzorging en ook nog een beetje recht op het mogen hebben van een levens- en wereldbeschouwing.
Neen, ook de gehandicapte mens heeft er recht op dat hij zijn levens- en wereldbeschouwing kan beleven en uitdragen.
Iedereen in Nederland en ook vrijwel iedereen in de wereld die zich met gehandicapten bezig houdt is ervan overtuigd dat levens- en wereldbeschouwing bij de zorgverlening hoort.
Men kan op vele punten verschil van mening hebben en met name als het gaat om ethische en bio-ethische implicaties van de verstandelijke handicap, maar er is geen verschif van opvatting dat de verstandelijk gehandicapte recht heeft op een 'aanbod' van levens- en wereldbeschouwing dat bij hem past. Kortom ik kom hier niet vertellen dat zorg en recht op een levens- en wereldbeschouwing bij een goed zorgbeleid hoort.
2. Maar als ik dit zo uitdrukkelijk stel, worden we direct geconfronteerd met de opdracht, of als u wilt, met het mandaat, om als christelijke instelling invulling te geverl aan de christelijke levensbeschouwing in het zorgveld.
Dat is nu de kern van het probleem waar ik u vanmiddag mee wil confronteren.
Of anders gezegd als wij er van uitgaan dat levensbeschouwing baehoort tot het zorgconcept, wat hebben wij dan als christenen en als christelijke organisatie te bieden als het om de ontwikkeling van een zorgbeleid gaat?
Waarin onderscheiden wij ons van andere organisaties als ook die andere organisaties zich ervan bewust zijn dat hun levens- en wereldbeschouwing onderdeel mag en moet zijn van het zorgconcept?
Ik wil dit probleem langs twee lijnen behandelen.
In de eerste plaats wil ik dit vraagstuk benaderen via hèt nadenken over de vraag wat nu de kern van het menszijn is.
In de tweede plaats wil ik dit vraagstuk benaderen via een enkele beschouwing over het zorgconcept.
Ter verduidelijking van de volgorde van deze punten nog het volgende.
Indien wij nadenken, in welke omgeving dan ook, over levensbeschouwing in de zorg, moet men welhaast vanzelfsprekend, beginnen met de vraag: wat is de mens en nader wat is de verstandelijk gehandicapte mens?
Om misverstanden te voorkomen, merk ik op dat ik niet spreek over patiënten.
Het gaat nu over verstandelijk gehandicapte mensen die ook wel eens patiënt kunnen zijn maar dat is niet kenmerkend voor de gehandicapte mens. De gehantticapte mens is iemand die vanwege bepaalde eigenaardigheden in het sociaal verkeer belemmeringen ondervindt.
Slechts op basis van een visie op de mens kan men gaan spreken over de inhoud van de zorg. Daarom deze volgorde.
3. In de eerste plaats dus enkele opmerkingen over het mens-zijn als zodanig.
De mens is een religieus wezen, met een unieke verantwoordelijkheid t.a.v. de ontplooiing van de geschapen werkelijkheid.
Daarbij moet worden bedacht dat het religieus-zijn van de mens een bredere inhoud heeft dan het christelijk-zijn. Religiositeit valt niet samen met christelijkheid.
Ik kan deze stelling dat elk mens een religieus wezen is niet bewijzen volgens wetenschappelijke maatstaven.
Maar het is wel mijn diepste overtuiging dat dit de kern moet zijn van elke mensbeschouwing. Deze zienswijze doet ook recht aan het gegeven dat elk mens sterfelijk is maar zich in zijn rel igiositeit kan richten op datgene dat de dood te boven gaat. Er is ook in deze religiositeit een opdracht aan de mens verankerd.
En daar schuilt toch, het is niet te verheien, ook voor ouders, broers en zussen van gehandicapte mensen een diepliggende moeilijkheid.
Wat houdt immers religieus-zijn en opdracht in?
Voorop moet staan dat deze opdracht er niet alleen is voor ons, maar ook voor onze verstandelijk gehandicapte kinderen en voor onze verstandelijk gehandicapte broers en zussen. Ook die zijn religieuze wezens met een unieke verantwoordelijkheid. En nu weten we wel, als wij doordenken dat we dan voor een heel moeilijk probleem komen te staan.
Het mensenkind dat zo diep gestoord is, dat het als het ware alleen nog maar vegetatief leeft, hoe moeten wij dan het religieus-zijn van deze mens en de daarmede samenhangende opdracht verstaan?
Ik weet daar geen antwoord op.
Ik heb niet zo veel moeite met spreken over de zin van een 'leuke' mongool die de meeste mensen alleen maar zien als hij aardig te spreken is. Maar dit kind dat daar ligt, dat vegetatief is en dan geloven dat dit kind een religieus wezen is, dat in deze geschapen werkelijkheid wordt geplaatst met een unieke verantwoordelijkheid, dat vraagt geloof in een God en Vader die ook dat kind zijn unieke plaats heeft gegeven.
Daarin denk ik dat het uniek christelijke naar voren kan en mag komen.
Een zorgverlening die weet heeft van schepping en onderhouding van alle dingen.
4. Zoals gezegd, ik weet daar niet zo maar een antwoord op. Ik denk dat misschien de bijbelse invulling van de idee van opdracht betekent dat ander, rondom deze mens, zijn verantwoordelijkheid overnemen. In dit verband wil ik duidelijk stellen en dat in grote lijnen in overeenstemming met ouders in verenigingen die uitgaan van een andere levens- en wereldbeschouwing, dat de kwaliteit en de capaciteit van het kind dat in deze wereld is geboren, niet bepalend zijn voor zijn mens-zijn, zijn religiositeit en zijn verantwoordelijkheid. In de gehandicapte mens komt tot ons die rondom hem staan een opdracht, juist omdat ook in dit kind een opdracht besloten ligt. Het denken en spreken vanuit een opdracht betekent voor ons als christelijke organisatie ook een dialoog durven aangaan met vertegenwoordigers van andere levens- en wereldbeschouwingen.
Het kan dan blijken dat sommige levens- en wereldbeschouwingen bedreigend kunnen zijn voor de gehandicapte mens in zijn geschapenzijn.
5. Dit laatste is een goede gelegenheid om over te gaan naar een bespreking van de inhoud van de zorg.
Immers men kan in het nadenken over de inhoud van de zorg niet om de vraag heen of het hierbij gaat om een levens- en wereldbeschouwing van een humanist die de norm zoekt in een idee van menselijke waardigheid of van een technocraat, die technocratische normen aanlegt voor de waardigheid van het individu, of van een christen die de mens en ook de gehandicapte mens die in deze wereld geplaatst is, ziet als van God geschapen en daarin als rentmeester met taken en opdrachten mede ten opzichte van de mensen rondom.
Maar, en nu kom ik tot een heel moeilijk punt, als ik dus de mens definieer als religieus wezen en ik stel daarbij dat zijn religiositeit onder meer naar voren komt in het zich verantwoordelijk weten, dan moet ik dat toch iets nader verbijzonderen.
Ik beweer nu dat die verantwoordelijkheid van de mens, wie het ook moge zijn, als het ware uitwaaiert.
De mens is in drieërlei opzicht verantwoordelijk en wel voor de natuur, voor de naaste en verantwoordelijk voor zichzelf. Die verantwoordelijkheid moeten we vasthouden; dat moet ook de kern zijn van de plaats en de betekenis van de mens in de geschapen werkelijkheid.
Ik zeg er wel bij, en dat is weer het typisch christelijke, dat deze verantwoordelijkheden moeten worden gedragen en worden genormeerd door de verantwoordelijkheid die we hebben ten opzichte van de Schepper van hemel en aarde, de Schepper en de Oorsprong aller dingen. Maar die verantwoordelijkheid heeft ook te maken met de talenten die ons geschonken zijn. Niet iedereen is in dezelfde mate verantwoordelijk.
Vanuit deze voluit religieuze stellingname, zullen we ook moeten inzien, dat de talenten die geschonken zijn,
ook recht hebben om ontwikkeld te worden. Ik denk dat de grote winst van de NOTA MENSEN MET MOGELIJKHEDEN, zoals die is uitgebracht door de federatie van Ouderverenigingen, is geweest dat we ten aanzien van de zorg aan en voor de gehandicapte mens, weer hebben leren denken uit de mogelijkheden van de gehandicapte mens. Niet vanuit zijn tekorten. Ook het kind dat voor de buitenwereld tot niets in staat is, deze mens heeft recht om op zijn mogelijkheden te worden aangesproken. Maar deze mogelijkheden dienen dan ook ontwikkeld te worden en daar moeten de middelen voor beschikbaar gesteld.
6. Ik kom nu tot een nadere beschouwing van het zorgconcept waarin dus de zorg voor een beleving van levens- en wereldbeschouwing een integrerend onderdeel is.
Ik wil in dit verband (ik spreek immers tegen de achtergrond van een Sociaal Pedagogische dienst) het zorgbeleid omschrijven als dat complex van maatregelen dat gericht is op het scheppen van voorwaarden voor het functioneren van de mens in de samenleving.
In deze benadering is het zorgbeleiden dit zal gezien de verantwoordelijkheden van de mens wel duidelijk zijnverankerd in een complex van rechten van de mens. Niet alleen gehandicapten hebben recht op voorzieningen ten aanzien van de toegankelijkheid, maar ook ouderen en moeders met kleine kinderen.
Er is sprake van een complex van rechten in een samenleving waarvan de mensen bestanddelen zijn en waaraan zij zelf vorm en inhoud geven.
Daarom is in elk idee van zorg dat basis is voor zorçbeteld een mensbeeld verondersteld. En dat is weer die relatie tussen zorg en levensbeschouwing.
Wellicht iets te algemeen en te globaal kan men stellen dat er in het moderne mensbeeld nog steeds sprake is van mengvorm van twee ideologieën.
Er is de ideologie van het wetenschapsideaal waarin tot uitdrukking wordt gebracht dat de mens de werkelijkheid restloos wenst te verklaren om zodoende zijn eigen toekomst zeker te kunnen stellen. Dit ideaal, en dit is positief te waarderen, doet recht aan de overtuiging dat God de mens heeft gemaakt als vragende mens die een verlangen heeft naar een bevredigende interpretatie van ons bestaan.
Maar, en dit is hèt gevaar, dat in dit ideaal de menselijke rede als uiteindelijke beslissende instantie wordt en dat er geen normen buiten deze rede worden erkend.
Daarnaast is er het zgn. persoonlijkheidsideaal.
Dit IS het ideaal van de moderne mens die vrij wil zijn en aan zijn toekomst wil werken.
Dit ideaal doet recht aan de cultuuropdracht aan de mens gegeven en verwijst ook naar de mens als rentmeester in deze wereld.
Maar er is dan wel het grote gevaar dat men niet ziet dat dit ideaal slechts zinvol is indien de mens dit ideaal in samenhang met anderen realiseert.
In de moderne tijd zijn vooral twee aspecten van deze gemengde ideologie naar voren gekomen.
De moderne mens is gefixeerd op welvaart en vermeerdering van welvaart.
En daarbij komt dan een veiligheidsaspect wat wil zeggen dat de mens er veel aan gelegen is om via de politiek zich verzekerd te weten van een veilige toekomst.
Het zal duidelijk zijn dat in deze ideologie een uitgesproken systeem van normen en waarden tot uitdrukking komt. De moderne mens wil veiligheid en welvaart en is bereid om via allerlei maatregelen zich hiervan te verzekeren.
Aan de andere kant ziet men ook weer een tegenkracht opkomen nl. een pleidooi voor het dragen van een zekere eigen verantwoordelijkheid voor zijn positie in de samenleving.
7. In deze samenleving staat ook de positie van gehandicapten ter discussie.
Want al zou het alleen maar hierom zijn, dat zorg voor de gehandicapte mens moet concurreren met zorg voor veiligheid en sociale zekerheid van niet-gehandicapten. De uitgaven voor medicijnen bedragen al meer dan de uitgaven voor de voorzieningen van gehandicapten.
Maar juist als het gaat om de schaal van normen en waarden kan het christelijk denken zijn rol spelen. En in deze kunnen ouderverenigingen van grote betekenis zijn bij de ontwikkeling van een zorgconcept.
Immers ouders hebben direct te maken met concrete normen en waarden.
Ouders kunnen binnen ouderverenigingen andere ouders helpen om het complex van normen en waarden te beïnvloeden. En ouderverenigingen kunnen o.m. via de federatie van ouderverenigingen proberen de door de Overheden gehanteerde schaal van normen en waarden te beïnvloeden.
Behalve allerlei wijsgerige gedachten over de inhoud van het zorgconcept wil ik U niet onkundig laten betreffende mijn praktische opvattingen inzake de zorq voor verstandelijk gehandicapten.
Daarbij gaat het mij nu niet over een goede verzorging voor het lichamelijk welzijn van de mens.
Juist vanwege de klemtoon die ik op de opdracht leg, ben ik van mening dat alle mensen, dus ook de mensen met een verstandelijke handicap, drie fundamentele rechten hebben.
Deze rechten zijn het recht op onderwijs om zodoende te kunnen deelnemen aan de ontwikkeling van en vormgeving aan de samenleving en de cultuur van de samenleving; en het recht op arbeid om zodoende eigen onderhoudsmogelijkheden te kunnen verdienen; en recht op wonen om zo zijn eigen wereld en privacy te kunnen vormen.
En als wij het met elkaar eens zijn over deze rechten, dan kunnen we verder praten over de mogelijkheden van deze mensenkinderen om hen deze rechten te laten uitoefenen.
Een christelijke sociaal pedagogische dienst is geen garantie voor verantwoorde dienstverlening. Maar in samenwerking met ouderverenigingen kan men wel een denkproces op gang brengen en in stand houden waardoor zinvolle zorgverlening een beslissende plaats kan innemen in het zorgbeleid.
8. Tot slot.
Er is een verband tussen levensbeschouwing en zorg. Dit verband steunt op de vooronderstelling dat ook gehandicapte mensen volwaardige burgers zijn van onze samenleving. De christelijke levensbeschouwing stelt daarboven dat gehandicapte mensen ook volwaardige burgers zijn van het koninkrijk Gods en deswege recht hebben op bescherming en recht hebben op ontplooiing van hun mogelijkheden.
Van hieruit pleiten we dan ook voor voldoende middelen om deze volwaardigheid gestalte te geven.