De kerk en de jongeren
1993-01-29
Heeft de kerk nog iets te zeggen?- Jaargang 37
- nummer 3
Kerk en prediking
Een andere kwestie is, wat de prédiking onze jongeren te zeggen heèft.
Daarbij moet je je zelf als predikant wel onder kritiek durven stellen. Ik geloof dat het een hele goede zaak is, als jeugdleiders, ambtsdragers en ouders, of de jongeren zelf, signalen doorgeven richting pastor omtrent bepaalde zorgen of noden van de jeugd. Hij moet ook wéten wat er leeft. Weten waar de knelpunten zitten op school of in de samenleving. De predikant moet daar uiteraard wel voor open staan. normen die vroeger ontleend werden aan Wet en Evangelie worden nu bepaald door ervaringen en wat er op de tv over gezegd wordt. of men dat nu graag hoort of net, maar zaken als abortus, euthanasie of homoseksualiteit, om zo maar eens wat te noemen, kunnen onze jongeren zich zeer onzeker gaan voelen als men in een omgeving studeert of werkt, waar men alles op de noemer zet van de vrijheid van de mens.
Kerk en (on)macht
Als je met het Woord van God komt, kun je zo je onmacht ervaren. Alles wat niet bewezen en begrepen kan worden en met geloofsvertrouwen te maken heeft, wordt naar de prullebak verwezen. en een hiernamaals met een eeuwig wel en een eeuwig wee wordt dikwijls naar het rijk der fabelen verwezen. een mens wordt vaak als niet meer dan een uitzonderlijke begaafde aap gezien. In zo’n omgeving krijgen onze jongeren scholing. En daar werken ze. Een bijkomend probleem is, dat elke kwestie niet zomaar één, twéé, drie kan worden opgelost met de Schrift in de hand. Hoe moet een scholier op de landbouwschool b.v. denken over zaken als kunstmatige inseminatie, embryo-transplantatie, kistkalveren, legbatterijen, gewasbeschermingsmiddelen? Hebben onze jongeren het gevoel, dat hun predikant die onzekerheid aanvoelt, ook in de prediking? Als het tegenovergestelde waar is, als de prediker altijd maar weer ‘ex cathedra’ spreekt, is het de moeite waard om daar eens met hem van gedachten over te wisselen. Hier ligt ook een taak voor de jeugdwerkers. Je kunt in ieder geval een poging wagen.
Kerk en taalgebruik
De jongeren moeten toch tijdens de kerkdienst het idee hebben, dat ze er bijhoren. Er dienen lijnen aangegeven te worden naar het leven van alle dag. Het taalgebruik moet eenvoudig zijn, vooral niet hoogdravend. Sommige ouderen horen graag bekende klanken en termen, maar ze moeten goed beseffen dat de stof van de prediking ook bij onze kinderen moet landen. Dogmatische woorden dienen op zijn minst uitgelegd te worden. De studie, de arbeid, de overuren die gemaakt worden in onze turbulente maatschappij, roepen al genoeg spanningen op. Een ingewikkelde of dogmatische verhandeling kan best heilzaam en nuttig zijn, maar ook vermoeiend. De zgn. ‘tale Kanaäns’ en de dogmatiek moeten ingekaderd zijn in het leven van elke dag, anders gaat de aandacht weg. Men heeft geen vat meer op de loop van de kerkdienst.
Kerk en aandacht
Het is belangrijk om (b.v. op de catechisatielessen of op preekbesprekingen) te informeren of de preek overgekomen is. Het is te ‘simpel’ om vanaf de preekstoel een rede te houden, waarmee je jongeren eens goed de waarheid zegt, en dan vervolgens je handen in onschuld te wassen, je zogenaamd vrij hebt gesproken. Maar ben je er werkelijk vrij van als onze medemens zich niet begrepen voelen? Als ze zich bovendien volkomen negatief benaderd weten? De woorden, die in de studeerkamer goed moeten worden overwogen, moeten vooral positief en uitnodigend klinken. Nu eens voorzichtig vragend, dan weer beslist, maar altijd gunnend. Ook weer niet te zacht. Vooral eerlijk! Biddend of Gods Geest de kerkdienst wil gebruiken om de jongeren tot jaloersheid wil wekken. En dan zal er gewezen moeten worden op het dragen van vruchten, op eerlijkheid, zachtmoedigheid en vriendelijkheid. Ook in de voorbede dienen onze jongeren plaats te krijgen. Wordt er in het gebed aandacht besteed aan de problemen die onze jongeren in een ziekenhuis, op een hogeschool, in het bedrijfsleven?
Ds. T. Wegman te Wijngaarden schreef in ‘DE WAARHEIDSVRIEND’ – wekelijks orgaan van de Gereformeerde Bond in de NH Kerk – een serie van drie artikelen over bovengenoemd onderwerp. Het tweede artikel hebben we hierbij overgenomen. Hier wordt kernachtig geattendeerd op dingen, die onze sterke overweging verdienen. In de eerste plaats geldt het gememoreerde de dienaar van het Woord! Hij, die wekelijks in de eredienst heeft voor te gaan, moet zich permanent bezinnen op de inhoud, de vorm en de struktuur van de boodschap die hij brengt. Wanneer een predikant dit bagatelliseert, kan hij beter de kansel niet meer beklimmen. Hij geeft dan zelf aan, dat hij niet geschikt is voor het ambt. Het gaat nl. om niets minder dan de verkondiging, de proklamatie van het zuivere evangelie van onze Here Jezus Christus! En die gemeente, die aangesproken wordt, is maar niet een samenraapsel van mensen, maar de gemeenschap der heiligen d.i. der gelovigen. De kerk wordt namelijk naar het woord van Augustinus benoemd naar haar goede deel! Want er zitten onder hen, die luisteren, ook ongelovigen, hypokrieten etc. Op die ganse schare moet de preek worden afgestemd al blijft het verbond der genade beheersend voor de inzet van de verkondiging. Maar juist zó en op grond dáárvan is er het indringend appel, om te kapituleren voor de liefde van God. De Here Jezus zegt: U bent Kerk! Maak dat nu ook in de praktijk waar! God zegt: U bent een kind van het verbond! Beleef dat dan ook! Als zó gepreekt wordt, zal de Heilige Geest ook vandaag harten winnen voor de Heiland als de Koning van de Kerk.