Mij geschiede naar uw woord (6, slot)
1993-02-12
Ik geef ronduit toe dat de godsvrucht jegens de Heilige Maagd bij de katholieken in de loop der eeuwen is toegenomen, maar ik ontken dat er aan de leer over Maria iets zou zijn toegevoegd. Want ik ben er vast van overtuigd dat deze vanaf het begin wezenlijk een en dezelfde was.- Jaargang 37
- nummer 4
John Henry Newman
"Wij geloven dat deze Heilige Schriftuur de wil van God volkomen vervat en dat wat een mens schuldig is te geloven om zalig te worden daarin genoegzaam geleerd wordt.( ) Men mag ook gener mensen schriften, hoe heilig zij geweest zijn, gelijkstellen met de godqelijke schrifturen, noch de gewoonte met de waarheid Gods (want de waarheid is boven alles), noch de grote menigte noch de oudheid, noch de successie van tijden of personen, noch de conciliën, decreten of besluiten; want alle mensen zijn uit zichzelf leugenaars en ijdeler dan de ijdelheid zelve."
Ned. Geloofsbelijdenis, artikel 7
Er is na alles wat in deze serie al over Maria, de Moeder des Heren, gezegd is, nog wel het een en ander overgebleven.
We willen daarom in dit slotartikel nog een tweetal thema's nader bezien, die vooral in de laatste eeuwen de aandacht hebben gekregen.
Met Prof. Berkouwer moeten we immers constateren: "Wie zich verdiept in de Mariaverering, komt al spoedig tot de conclusie, dat zij in de laatste eeuw eerder toe- dan afgenomen is." Zijn boek Conflict met Home, waaraan ik dit citaat ontleen, is trouwens duidelijk van voor het Tweede Vaticaanse Concilie.
Ter illustratie van zijn stelling citeert Berkouwer de woorden van Paus Leo XIII dat deze het als een voorrecht beschouwt "als onze aansporingen tot uitwerking hebben, dat er voor iedere gelovige niets heiligers, niets dierbaarder is dan de verering van Maria." Ook wordt het woord van Pius XI geciteerd dat de volkomen bescherming der kerk ~egen alle besmetting van ketterijen en dwalingen behoort tot "de weldaden die aan de wettige openbare verering van de Moeder Gods en van de heiligen des hemels te danken zijn."2 Hij verwijst echter vooral naar de officiële afkondiging van Maria's onbevlekte ontvangenis, in 1854. Het boek kon nog niet melding maken van de officiële afkondiging van het dogma van Maria's lichamelijke ten-hemelopneming, een leerstuk uit 1950, maar die dogmatische vaststelling "hing al wel in de lucht", blijkt in dit boek van net voor die tijd. (Tussen haakjes, die formele afkondiging van dit dogma is het enige voorbeeld van de uitoefening door een Paus van zijn recht om 'ex cathedra', onfeilbaar, een afkondiging over de leer te doen. Het recht is hem tijdens het Eerste Vaticaanse Concilie van 1870 verleend, maar alleen in dit geval is van dat recht ook gebruik gemaakt.) Wel citeert Berkouwer uit een Pauselijke Encycliek uit 1943, waarin het volgende van Maria wordt gezegd: "Zij, vrij van iedere persoonlijke of erfelijke smet, is steeds allerinnigst met haar kind verenigd, heeft als nieuwe Eva Hem op Golgotha aan de Vader in het brandoffer van moederlijke rechten opgedragen voor alle kinderen van Adam, die door diens ongelukkige val waren bezoedeld;( ) zij heeft tenslotte als een waarachtige Koningin der martelaren door het dapper en trouw verdragen van haar mateloze smarten meer dan alle Christengelovigen 'aangevuld wat aan het lijden van Christus ontbreekt' ... voor zijn Lichaam, de kerk."
En: "Moge zij dus, de allerheiligste Moeder van alle lidmaten van Christus, aan wier onbevlekt Hart Wij met groot vertrouwen alle mensen hebben toegewijd en die nu in de hemel naar lichaam en ziel verheerlijkt tesamen met haar Zoon heerst, moge zij door haar voorspraak van Hem verkrijgen dat uit het verheven Hoofd ononder- .
broken en overvloedige genadestromen uitvloeien in alle ledematen van het mystieke Lichaam en moge zij door haar waakzame Schutse nu, zoals in vervlogen eeuwen, de kerk beschermen en voor de kerk en geheel de mensenmenigte eindelijk rustiger tijden van God verkrijgen." In dat oorlogsjaar 1943 wordt van Maria gevraagd te zorgen dat de wreedheid ophoudt...
Toegenomen
In de eeuw van 1854 tot 1962 is onder leiding van de Pausen de Mariaverering en ook de Mariologie ten zeerste toegenomen, constateert Berkouwer.
Hij spreekt van een "Marianische Weiie" die over de wereld is gegaan.
Leo XIII heeft in 1894 gesproken over Maria als "deelgenote van Jezus in het allermoeizaamste werk", Benedictus XV sprak uit dat "Maria met haar lijdende en stervende Zoon geleden heeft en om aan Gods gerechtigheid te voldoen, zoveel het Haar aanging, haar Zoon heeft geofferd". Hij verklaarde ook dat men "van Maria kon ze'ggen dat zij met Jezus het menselijk geslacht heeft verlost".
Er is in dit alles dus een betreurenswaardige tendens in de Kerk van Rome om bij alle eer die men Maria al heeft waardig gekeurd haar ook 'coredemptrix', 'medeverlosseres' te noemen. Berkouwers commentaar is: "Voor Protestants besef is in de Mariaverering de mensvergoding boven alle twijfel verheven. We zien hier de grenzen van de 'eer' die aan creaturen bewezen kan worden, verre overschreden."?
Rooms-katholieke apologeten hebben - voorspelbaar - altijd gesteld: "Maria bedreigt nooit haar Zoon in de aanbidding der gelovigen."
Voor Protestanten is - even voorspelbaar - hun zorg en argwaan door dit argument niet fundamenteel weggenomen.
"Uitgangspunt is ongetwijfeld dat Christus alleen de volmaakte Middelaar is tussen God en mensen. Vanuit deze belijdenis zal Maria nimmer met de heilige Christus kunnen worden gelijkgesteld." Maar, vervolgt Berkouwer: "Deze 'geruststelling' houdt echter allerminst in dat Maria buiten het Middelaarswerk van Christus staat, want niet alleen de traditie gewaagt van haar 'aandeel', maar ook de H.
Schrift vestigt onze aandacht op een geheimzinnig deelgenootschap nl. in de moederbelofte, waarin zo niet direct dan toch indirect wordt voorzegd dat Maria met Christus in onverbreekbare band verbonden, de duivel heeft bestreden en overwonnen, een exegese die door paus Pius IX in verband met de onbevlekte ontvangenis met instemming wordt aangehaald."
In Berkouwers boek wordt dan de positie van diverse theologen van RK huize bekeken; de meest 'vergaanden' zijn bereid te zeggen dat Maria's aandeel in de verlossing geen oneindige waarde bezit, maar wel "onzegbaar groot" is. Verder treft de opvatting: "Maria is door haar bloedverwantschap met God de Zoon in 'een soort aanverwantschap' gekomen met de Vader en de H. Geest en in de goddelijke familie opqenornen.':" Berkouwer: "Zij is geassocieerd aan de voldoenende Christus, aan zijn lijden en offer, aan zijn verdienend werk en alle gaven van Christus' verlossingswerk vloeien ons-door Haar toe. De uitdeling der genade komt door Maria tot stand,.maar ook tegen haar medeverlossen kan geen wettig bezwaar worden ingebracht." In zijn lange commentaar komt Berkouwer ook uit bij Zondag 30 van de Catechismus, waar het overigens over "de vervloekte afgoderij" van de verering van de hostie gaat. "Inderdaad valt m.n. in de ontwikkeling van de Calvinistische Reformatie een sterke gevoeligheid te constateren voor de noodzaak om de grenzen tussen God en mens niet uit te wissen."
Uiteraard dienen we te beseffen dat na en door het Tweede Vaticaans Concilie veel van het hierboven geciteerde een heel ander accent gekregen heeft, zeker in ons land. Wie heeft in de Nederlandse Kerkprovincie de laatste decennia uitvoerig over Maria horen spreken? Ik lees ook, in een van Berkouwers andere boeken: "In het concilie zelf was er van het begin af een duidelijke terughouding te bespeuren t.a.v. nieuwe titels en predikaten voor Maria.( ) Er werd dan ook op het concilie geen nieuw Maria-dogma aan die van 1854en 1950toegevoegd. Des te meer was het opvallend, dat paus Paulus VI, die reeds meermalen gewezen had op de grote betekenis van de Maria-devotie, aan het slot van de 3e concilie-zitting Maria uitriep tot 'Mater Ecclesiae'." (Moeder der Kerk, PJvK) 5 Het is van belang te beseffen, aldus Berkouwer, dat deze proclamatie "stellig tegen het gevoel van veel vaders van het concilie inging."
Toch is een ding in dezen wel van groot belang: over Maria zijn - weliswaar voor dit Concilie - dingen uitgesproken die daarmee dogmatisch vastliggen.
De Kerk van Rome kan bepaalde uitspraken betreffende Maria niet terugnemen, op straffe van instorting van het hele complex van het officiële Leergezag! Daarom is het geen toeval dat in zijn twee boeken over Vaticanum 11Prof. Berkouwer, die daar een tijdlang als waarnemer bij geweest is, ook ruimschoots aan Maria aandacht schenkt."
Maria's ten-hemel-opneming
Mede daarom is het toch van belang ook te weten wat de Kerk van Rome in 1950precies heeft afgekondigd, bij de officiële proclamatie van het dogma van Maria's lichamelijke ten-hemelopneming.
Heb ik-de Gereformeerde hoogleraar Berkouwer hier uitvoerig geciteerd, voor Protestants commentaar op dit voor de Kerk van Rome belangrijke 'gebeuren ga ik af op een stuk dat door de Lutherse hoogleraar Willem Kooiman is geschreven en op een brochure van de Hervormde theologen R.B. Evenhuis en G.C. van Niftrlk."
Interessant is om uit deze dunne werkjes te vernemen dat men op de dag van de dogma-afkondiging, woensdag 1 november 1950,een openbare dienst in de Nieuwe Kerk in Amsterdam heeft belegd, die door de NCRV rechtstreeks is uitgezonden. (De tijden zijn toch wel veranderd, zo blijkt we!.) Wat is de betekenis van deze dag?, vraagt predikant Evenhuis zich af.
"Wij kunnen ons indenken welk een schouwspel dat moet geweest zijn, de aanblik van honderdduizenden daar op het machtige plein van de St. Pieter, de stoet van 700 bisschoppen uit schier alle landen van de wereld, het college van kardinalen en te midden van die allen de Paus, 'ex cathedra', als onfeilbare leer der Kerk verkondigend, dat Maria na haar sterven lichamelijk ten hemel is ópgenomen."
In de waardige bijeenkomst constateert Evenhuis: "Van een ten-hemelopneming van Maria weet de H. Schrift niets, maar dan ook niets." In de traditie dan? "Gedurende niet minder dan 500jaren is van dit dogma in de christelijke overlevering met geen woord sprake.( ) Pas na het jaar 500 begint deze leer zich langzamerhand breed te maken in de Kerk."
Dan geeft Evenhuis drie redenen waarom toch dit dogma zou zijn afgekondigd.
"Een factor van betekenis is de volksvroomheid geweest. Het gewone en vaak onontwikkelde volk heeft, nog sterk levende onder heidense invloeden, aan Maria steeds grotere verering toegebracht." Als tweede factor wordt de orde der Jezuïeten genoemd die "zich bijzonder aan de Mariadienst heeft toegewijd".
Spreker noemt een werk van 2800!
pagina's dat in 1942door twee Jezuïeten is geschreven, geheel gewijd aan de lichamelijke ten-hemel-opneming van Maria.
In de derde plaats is er "het bekende beeld van de knop en de bloem. Reeds in de knop zit de ganse bloem, ook al ziet men haar oog niet.Pas wanneer de knop openbreekt en de bloem zich ontplooit, ziet men, waf reeds in de knop verborgen was. Zo is het niet nodig dat een bepaalde waarheid met even zoveel woorden in de Bijbel wordt gepredikt, wanneer zij redelijk moet worden afgeleid uit een andere goddelijke waarheid. Omdat zij er blijkbaar dus altijd reeds in zat. Vijf eeuwen van stilzwijgen hinderen dan ook niet. Geleid door de Heilige Geest en dus onfeilbaar, stelt de Kerk op een bepaald ogenblik vast wat, hoewel verborgen, altijd aanwezig is geweest."
Welke 'fundering' schuilt nu onder dit dogma? Volgens Evenhuis zijn het er twee. "Uit welke 'oudere' waarheid komt nu de 'nieuwe' waarheid van Maria's ten-hemel-opneming voort?( Het is volgens Paus Pius IX in 1854 een door God geopenbaarde waarheid, dat Maria door God is aangesteld tot de bijzondere deelgenote in de triomf van haar Zoon over de Boze. Dit zou blijken uit Gen. 3:15.( ) Hier wordt volgens Rome voorspeld dat niet alleen Christus, maar ook Maria, van wie Eva een voorafbeelding is, de duivel zal overwinnen.( ) Hieruit volgt weer redelijkerwijs de nieuwe waarheid van Maria's ten-hemel-opneming.
Want die triomf over de Boze zou geen volle triomf zijn geweest, als de dood het laatste woord had gehad. Conclusie: Maria moet na haar stervenlichamelijk ten hemel zijn opgenomen, zoals ook Christus opstond en ten hemel voer." Het tweede argument is dat Maria "de zetel is geweest van alle goddelijke genaden. Hetgeen zou blijken uit de engelengroet in Lukas 1:28: "Wees gegroet, Maria, vol van genade, de Heer is met u, gij zijt gezegend onder de vrouwen." Dit is dus een geopenbaarde goddelijke waarheid, dat Maria is de oneindige schat van alle goddelijke genadegaven.
Hieruit volgt weer redelijkerwijs de nieuwe waarheid van Maria’s ten hemelopneming. Want was haar lichaam tot stof vergaan, dan zou daaruit blijken dat de vloek Gods toch op haar rustte. Wat onmogelijk is gezien het voorgaande. Ergo: zij moet ten hemel zijn opgenomen."
Van Niftrik merkt in de volgende rede op: "Groot en heerlijk zijn de gevolgen die (de Kerk van Rome) zich van dit dogma voorstelt. Nu laat de Kerk zien dat zij niet alleen een boodschap heeft voor de ziel, maar ook voor het lichaam.
Nu weet de Kerk, dat het verloste lichaam, het geredde vlees van Maria in de hemel is.( ) Er is iets zeer triomfantelijks in de proclamatie van dit dogma: wij worden herinnerd aan de O.T.ische geschiedenis van 1 Sam.
4. Als de ark in het leger komt, dan juichen de Israëlieten met groot gejuich, alzo, dat de aarde dreunde. Dat triomfantelijke gejuich gaat door de qarise R.K. wereld op deze dag. Wij juichen niet mee. Wij bedroeven ons op deze dag. Niet omdat wij als Protestanten een afkeer hebben van het gezag van het dogma. Wij zijn bereid dogma's te erkennen, mits zij de bijbelse waarheid formuleren."
Dat lijkt een passende slotzin voor deze hele serie, waarin veel is gemeld en nog veel meer onvermeld is gebleven.
Noten:
1 in 'A Letter to Pusey'. John Henry Newman was een 1ge eeuwse Engelsman, die eerst een zeer invloedrijk Anglicaans geestelijke was, met een neiging naar het Katholicisme.
Hij heeft later de overstap naar de Kerk van Rome gedaan en is in die kerk zelfs Aartsbisschop van Engeland geworden. In deze brief aan zijn vroegere medestander Pusey, die de Engelse Kerk trouw gebleven is, verduidelijkt hij een aantal van zijn standpunten.
Ontleend aan: C.A. Bouman, Theolokos. p. 7.
2 G.C.. Berkouwer, Conflict met Rome. Kok, Kampen. (2e druk 1949) p. 203.
3 Berkouwer, a.w. p. 207.
4 Berkouwer, a.w. p. 213.
5 G.C. Berkouwer. Vatikaans Concilie en Nieuwe Theologie. Kok, Kampen (tweede druk 1965) pp. 274-315.
G.C. Berkouwer. Nabetrachting op het Concilie.
Kok, Kampen. 1968, pp. 164-166. Het citaat staat op p. 164.
6 W.J. Kooiman. Het nieuwe roomskatholieke dogma van Maria, de moeder Gods. Uitgegeven door de Synodale Commissie van de Evangelisch-Lutherse Kerk in het Koninkrijk der Nederlanden. 1951.
R.B. Evenhuis en G.C. van Niftrik, Maria tenhemel-
opneming. Callenbach, Nijkerk. 1950.
Citaten van pp. 3-6, 15, 16.